Globaal bekeken
In het Informatiebulletin van de Bijbel per Maand-club (Nederlands Bijbelgenootschap) stond het volgende verhaal van een bijbelverkoper in het Indiase Bihar:
'Op zekere dag kwam ik met de bus aan in Muzaffarpur. Omdat het plensde, bestelde ik in een café een kopje thee. Mijn koffer en een stapel boeken legde ik op liet tafeltje. De thee werd gebracht en ik genoot van de weldadige warmte. Toen kwam de eigenaar met een schaal koekjes naar me toe. "Meneer, neem alstublieft zoveel als u wilt!" Hij drong zo aan, dat ik wel moest nemen.
Toen ik wilde betalen zei de barkeeper: "Meneer, ik wil geen geld. Wat ik nodig heb is dat boek daar Ik ben bereid er alles voor te betalen, hoeveel het ook kost". Bij de prijs van één rupee reageerde hij verbaasd. Hij had er wel 100 rupee voor over.
Daarna vertrouwde hij mij zijn verhaal toe: "Enkele maanden geleden kocht ik wat meel. Dat zat verpakt in een kaft van een boekje voor nieuwe lezers. Het was een uitgave van het Indiaas Bijbelgenootschap met als titel "'Groot, Groot, Groot'". (Dat gaat over een grote misstap, de eerste zonde, over de grote boot van Noach en over de grote vloed.)
De illustratie op het kaft maakte mij nieuwsgierig en ik las alles wat erop stond. Achterop werd ik geconfronteerd met de tekst uit Kolossenzen 1 : 22: 'Maar nu heeft Hij door de dood van Christus' sterfelijke lichaam u met zichzelf verzoend, met het doel dat u heilig, smetteloos en onschuldig voor Hem zult staan"'.
Deze woorden raakten mijn hart. Ik werd van binnen onrustig. Meneer, ik ben een groot zondaar Hoe kan die heilige God iemand zoals ik liefhebben? Hoe kan Hij mij smetteloos en heilig maken? Ik wil meer weten over dit hemelse plan. Ik wil dat hele boek lezen. Ik ben nog steeds op zoek. Toen u binnenkwam en uw boeken op tafel legde, zag ik het onmiddellijk. En meteen wist ik: dat moet ik hebben, al zou ik het moeten stelen".
Het spreekt vanzelf dat ik hem maar al te graag dat boek gaf. Toen riep hij luid het café door: "Ik heb het boek, ik heb het heilige boek!" Ik bleef nog wat langer om hem de reddende kracht van de Here Jezus Christus uit te leggen. Ik gaf hem ook een Hindi nieuw testament en introduceerde hem 's avonds in het gezin van een christen.'
.............
In het Magazine van de Stichting Christelijke Hospices Nederland staat een lezenswaardig artikel over 'De geneeskunst vanaf de Renaissance'. Hieruit het volgende:
'In 1575 stichtte Willem van Oranje de Leidse Universiteit als "blokhuys" in het verzet tegen de vijand. Vele wetenschappers uit omliggende landen, waar zij vervolgd werden vanwege het geloof, vonden een toevlucht in de Noordelijke Nederlanden en bij de Leidse Universiteit.
Het onderwijs aan de faculteit der geneeskunde was in de eerste tijd theoretisch: de wijsheid haalde men uit boeken. Hoogleraar Johannes van Heurne (1543-1601) was het echter daarmee niet eens. Van Heurne wilde liever het onderwijs aan het ziekbed, maar zijn voorstel, dat hij in 1593 indiende, werd niet gehonoreerd. Wel "praktisch" waren de anatomielessen. Vanaf 1597 werd er geregeld - meestal een keer per jaar - een lijk geopend om de menselijke anatomie te kunnen bestuderen. Het lichaam was afkomstig van een ter dood veroordeelde misdadiger Op deze manier kwam men veel te weten over bijvoorbeeld de bloedsomloop (waarvan men een compleet verkeerd beeld had), de spieren en de haarvaten. Niet lang na de stichting van de Leidse Universiteit, kwamen er ook elders in de Noordelijke Nederlanden universiteiten en "illustere scholen". Alom werd de geneeskundige wetenschap bedreven en vooral in Amsterdam kwam de anatomieleer tot grote bloei. Toch was er een groot verschil tussen enerzijds de universiteitszalen waarbij de geleerde heren bijeenkwamen om wetenschap te bedrijven, en anderzijds de praktijk van alledag. Een zestiende-eeuwse Italiaanse schrijver vermeldt hoe de visite van een arts aan het ziekbed van een patiënt meestal verliep. Eerst moest de arts met een ernstig gezicht de kamer binnenkomen en bij het bed gaan zitten. Hij diende de zieke nauwkeurig te bekijken en hem te ondervragen over het ziekteverloop. Vervolgens moest de arts zich de urine laten brengen en deze aandachtig bestuderen. Uit het beschouwen van de urine van de zieke kon de arts opmaken waaraan de patiënt leed en wat er eventueel gedaan kon worden. In sommige gevallen bracht men dierlijke urine mee; dit om de arts op de proef te stellen! In de Nederlanden zal het niet veel anders geweest zijn. De meeste mensen konden het zich trouwens niet eens veroorloven een arts te roepen; ze zochten - vaak vergeefs - hun heil bij een kwakzalver. Van Heurne was het niet gelukt om les aan het ziekbed te geven, maar één van zijn opvolgers lukte het wel. Tijdens het hoogleraarschap van Herman Boerhaave (1668-1738), eveneens hoogleraar in Leiden, kwam het lesgeven aan het ziekbed in grote zwang. Boerhaave had ook een heldere kijk op de verhouding zieke en ziekte, die hij ontleende aan de werken van Hippocrates en Sydenham. Beide wetenschappers waren grote voorstanders geweest van een menselijke toenadering van de patiënt. Veel artsen lieten zich ertoe verleiden, alleen de ziekteverschijnselen te bekijken en zich vervolgens op de geneesmiddelen te concentreren. Daarbij zagen ze de zieke vaak over het hoofd.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's