De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Ds. J. van het Goor te Stolwijk bezocht vorig jaar het graf van Calvijn in Geneve en plaatse toen in zijn kericblad het volgende stuk 'Begraafplaats':

BEGRAAFPLAATS

Impressies op de begraafplaats aan de Rue des Rois in Geneve

De tijd verglijdt, de tand des tijds
grijpt gretig om zich heen, hij bijt
zich vast in staal en steen en maakt
dat ook des grafsteens voege kraakt.

Hoe ijdel toch die zware zerk!
Nu dreigt dit pure mensenwerk
de naam der groten te verliezen
die na hun dood nóg grootheid kiezen.

Ginds tussen veler handen werk
ligt stil een kleine grijze zerk
met letters die slecht leesbaar zijn;
nóg wijzen zij de weg: Calvijn...

De eenvoud van die mens maakt klein
om als een groot man klein te zijn;
dat kan alleen genade Gods
zó groot te zijn, doch zonder trots.

Hij had geen recht om na de dood
nog voort te leven; veel te groot.
Hij wist de hemel zich niet waard;
zou dan zijn roem rijzen op aard?

Toch leeft zijn ziel nu eindeloos
voor God Die deze man verkoos
om lichtend licht te zijn op aard;
zijn Gód is aller loflied waard.

'Het is er dunbevolkt. Enerzijds heerst er de stilte van de dood. Anderzijds raast het rumoer van de stad er omheen.

Het is aan de straat van de koningen, de Rue des Rois in Geneve.

Na lang zoeken, eerst op een verkeerd aangeven adres, hadden we het gevonden.

De begraafplaats, een niet alledaagse vakantieattractie, maar toch...

We wilden erheen, niet alleen naar het grote monument van de reformatie, maar naar de plaats die iets eigens had, het graf van Calvijn, waarin zijn lichaam gelegd was.

Niet als een bedevaart, als een soort Lourdes. Maar om de eenvoud en de kleinheid van deze "grote in Gods Koninkrijk" te ervaren.

Het ligt niet aan de rand van de stad, maar er middenin.

Als een park waar wat te zien is.

Keurig onderhouden overigens, hoewel nog zelden in gebruik als plaats waar nog lichamen aan de schoot der aarde worden toevertrouwd, wachtend tot de dag der wederopstanding.

Grootheden liggen er begraven.

Ik zag er het graf van een president van Zwitserland, een burgemeester van Geneve, een dichter, een beeldhouwer, professoren, een schilder... Met grafstenen die tot de verbeelding moesten spreken.

Ik noem er slechts één: Een dichtgeslagen boek uitgevoerd in roodachtig marmer. 

We liepen erheen en vroegen ons af of dit een bijbel moest voorstellen. Maar wat bleek? De letters op het boek gaven duidelijkheid: Editeur. Hier lag een uitgever begraven.

De herinnering aan een (groot) mens moest levend blijven.

Als we niet meer hadden geweten, hadden we het misschien niet gevonden, maar we wisten meer; we wisten een nummer: 707.

Dat was het nummer van het graf waarin in de loop van meer dan 430 jaar het lichaam van Calvijn tot stof is weergekeerd; en sindsdien afgelost van z'n immens zware taak op aarde, mag hij in de hemel zijn God groot maken.

Ingespannen liepen we over de begraafplaats zoek naar het bordje met deze drie cijfers. op

Zouden we het hier vinden of zouden we toch op de verkeerde begraafplaats zijn? Ingetogen klonk een kreet uit onze monden: Ja, hier is heti En toen...?

Toen werden we stil...

Tussen het geweld van geweldige stenen boven de graven lag daar in de schaduw van een grote rode beuk aan de rand van de begraafplaats een kleine steen van niet meer dan 30 x 30 cm. Twee letters stonden er slechts op JC... Meer niet! Over het graf groeide wat liguster en om het graf een ijzeren hekje, roestig en ruw. Om stil van te worden... ­ Hier lagen de resten van een koningskind onder de vorsten.

Hij wilde niet groter zijn dan hij was. Hij wist zich de hemel niet waard, zo groot zondaar.

Wat hij was, was hij uit pure genade van God. Buiten Christus voor eeuwig buiten het Koninkrijk Gods.

In Christus wist hij zich verzekerd van het huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen (2 Kon 5 : 1b). Dat huis mocht hij op 27 mei 1564 betrekken om daar eeuwig te wonen. Een steen op aarde om aan hem te denken was niet nodig.

Zijn werken volgen hem na, als dienstknecht van God Die hem had geroepen. Vele werken... De institutie, bijbelverklaring, briefwisselingen...

Wat heeft de Heere ons veel in hem geschonken.

Niet ter ere van Calvijn. Dat wist hij al te goed.

Soli Deo Gloria; dat was zijn leven. Zo stierf hij nog betrekkelijk jong, op 54-jarige leeftijd in Geneve.

Hebt u al een eeuwig huis? Dan hoeft u zich niet te bekommeren over de steen.

                                                                                                                                 ..............

Uit het recent uitgegeven mooie boek 'Wilhelmina - een portret in herinneringen' (uitgave, Meulenhoff, Amsterdam), zou veel te citeren zijn. Hier volgt een passage uit een artikel van Thijs Booy in 1963, getiteld 'Een oudtestamentische koning':

'De ontdekking van de historicus Groen van Prinsterer stemde de jonge Wilhelmina zeer grimmig jegens haar docenten, die naar haar mening zeer opzettelijk haar onwetend hadden gelaten omtrent deze figuur. Welke grimmigheid natuurlijk de poort naar Groens opvattingen wijd openzette.

Het boek van Groen bleef tot haar dood een ereplaats behouden in Wilhelmina's boekerij. Alle jaren dat ik bij haar werkte, lag het binnen handbereik.

Het Nederlandse volk was voor Wilhelmina wel zo ongeveer Gods lieveling onder de volken. Vooral in haar jongere jaren. Late, toen zij steeds meer doordrongen werd van de universaliteit Gods zwakte deze opvatting af.

Opdat men deze visie niet in het groteske trekke: zij ging niet zover, dat God bijna een Nederlander werd, Nederlands dacht. Altijd was God voor haar de Volkomen-Andere, de Grote-Tegenover, de met geen aardse schaal te Metene. Wie over deze benadering der historie door Wilhelmina de staf wil breken, bedenke twee dingen. In de eerste plaats, dat deze een fout had, niet fout was. Bij het rechte eind had zij het, althans voor degenen die vanuit de bijbel denken, wanneer zij stelde, dat het lot van het Nederlandse volk in Gods leiding besloten lag. Zij ontspoorde, waar zij deze leiding een discriminerend accent gaf. Er is geen enkele grond om op aan te nemen, dat God de Bulgaren en de Litouwers niet even welgezind was en is als de Nederlanders.

In "Eenzaam maar niet alleen" komt dit accent niet voor. Het gaat niet verder dan een hartstochtelijk pleidooi voor het zien van Gods leiding in Nederlands historie.

Het tweede: het neigen naar de opvatting, dat God het Nederlandse volk in Zijn bijzondere hoede hield, maakte het in mei 1940 voor koningin Wilhelmina onmogelijk te geloven in Hitlers zegepraal. God zou, ook al was daarvan nog geen spoor te zien, zeker die Belialsknechten die haar land hadden bezet, het onderspit laten delven. God zou nooit gedogen, dat dit volk, dat zo menigmaal Zijn liefde ervaren had, in de ellende zou blijven. De God van Israël zou de God van Nederland zijn en het verlossen. Zoals Hij eertijds met Israël deed, deed Hij nu met Nederland. Hij liet het de beproeving ingaan om zijn hart te beproeven. Maar Nederland zou herrijzen. Dat was ook Gods program. Hij liet dit volk, dat Hij eeuwen behoedde, niet uit Zijn hand vallen.

Het was voor haar zelfs onvoorstelbaar, dat Hij het uit zijn linkerhand liet vallen om het met zijn rechter weer op te vangen.

Het "Nederland zal herrijzen" was voor koningin Wilhelmina geloofszekerheid. Zo zeker als de heilsfeiten waren, zo zeker was de Nederlandse wederopstanding. Die was geen zaak van ja of neen, maar van tijd.

Mij is vaak gevraagd of mijns inziens ook koningin Wilhelmina in 1940 geen ogenblik zal hebben gekend, dat zij twijfelde aan de bevrijding van haar land. Ik geloof van niet. Zij zou mijns inziens zelfs geen twijfel te dezen gekend hebben, als Hitler in 1940 op de Londense Mali een parade had afgenomen, als de USSR onder de slagen van de Wehrmacht bezweken was (., .).'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's