De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Vlees of lichaam

Vlees of lichaam Wie de oude formulieren voorleest, heeft vaak de neiging taalkundige aanpassingen te gebruiken. Je voelt je er soms zelfs toe verplicht om de inhoud werkelijk tot zijn recht te laten komen. Of om fatale misverstanden te voorkomen. Zo vertelde iemand me eens dat hij tot ver in zijn leven altijd gedacht had dat de woorden van Johannes de Doper over Christus 'Hij moet wassen en ik minder worden' te maken zouden hebben met het 'gewassen worden in het bloed van Christus' waarbij hij zelf dan al minder zou moeten worden. Het was een hele schok voor hem toen hij begreep dat deze woorden iets heel anders wilden zeggen. Hij raakte er heel onzeker van omdat hij dacht misschien wel veel meer woorden uit de Schrift verkeerd te zijn gaan verstaan. Zou zijn geestelijk leven dan wel echt wortels hebben in de Schrift? Had hij niet gebouwd op drijfzand en gevoel? Een algehele heroriëntatie was voor hem nodig. Nu is dit misschien een extreem voorbeeld. Maar toch, verstaan en misverstaan hebben alles te maken met de taal die we hanteren. En na Pinksteren moet er ons toch alles aan gelegen zijn dat 'eenieder in zijn eigen taal de grote werken Gods' hoort verkondigen? Dat heeft niets te maken met modern willen zijn of doen. Of bij het oude willen blijven omdat anders de waarheid tekort zou worden gedaan. Het gaat om verstaanbaarheid voor ieder.

Welnu, waar het dit keer om gaat is de vraag die ds. H. de Jong (Zeist) in het blad Opbouw aan de orde stelt: Moet 'wederopstanding des vleses' veranderd worden in 'wederopstanding van het lichaam' ?

Hij schrijft de argumentatie te kennen om het wel te doen. 1 Corinthe 15 : 50 wordt er voor gebruikt waar onder andere gezegd wordt dat 'vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet zullen beërven noch het vergankelijke de onvergankelijkheid'. Daarom zou het bijbels niet verantwoord zijn in de opstanding van het vlees te geloven en zou het beter zijn te spreken over de opstanding van het lichaam. Maar, zo vraagt ds. De Jong zich af, zijn deze dingen alzo?

'Laat ik beginnen op te merken dat ik deze verbetering een beetje wijsneuzig vind. Dat is niet zo aardig gezegd en ik denk dan ook aan niemand concreet, maar op de redenering gelet meen ik het toch wel. Wijsneuzig. Want je moet dan aannemen dat de vaders die dit zo geformuleerd hebben, deze bekende tekst van Paulus over het hoofd hebben gezien. En dat lijkt mij voor de theologen van formaat die achter die oude geschriften staan, een onzinnige veronderstelling. Je mag van die ouden zeggen wat je wilt - "kerkkinderen in plaats van kerkvaders" zei K. Schilder een keer (in een gekke bui? ) - maar ik kan het niet helpen dat ik van de Schriftkennis van die "kinderen" steeds weer en steeds meer onder de indruk kom. Het is gewoon niet waarschijnlijk dat zij zo'n grote blunder gemaakt zouden hebben.'

Maar die tekst dan uit 1 Corinthe 15? En vlees is toch een woord dat wij zo niet meer gebruiken? Ds. De Jong gaat verder en schrijft:

'Wat dan? Inderdaad zullen vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven, maar dat zegt de uitdrukking opstanding des vleses ook helemaal niet. De bedoeling is dat de Almachtige op wat hier vlees moet heten in de dag van de opstanding verheerlijkend zal terugkomen. Hoe, dat blijft een verrassing. De apostel heeft daar bepaald geen concrete voorstelling van. Hij spreekt van een hemels of geestelijk lichaam en gebruikt het beeld van zon, maan en sterren en hun glans. Voor glans wordt dan het Griekse woord doxa gebruikt, dat meestal met heerlijkheid vertaald wordt. Vandaar mijn formulering dat de Here in het laatst verheerlijkend op dit aardse bestaan dat vlees moet heten terug zal komen. Heerlijkheid of glans zal dan van dat nieuwe bestaan het kenmerk bij uitstek zijn. Wat nu vlees is, zal straks een bestaan in heerlijkheid zijn. Let wel, van alles van dat vlees geldt dit, niet alleen van een bovenst laagje of zoiets.

Daarmee is gezegd - en Paulus heeft ermee alles wat Grieks dacht tegen de haren in gestreken - dat de Almachtige ons vlees niet veracht, maar eert en serieus neemt. Ons hele vlees, tot in z'n diepste lagen toe. En wij moeten dat ook doen. Het doet er dus wel terdege toe hoe wij ons aan deze kant van de streep gedragen en wat wij in het vlees doen. "Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat eenieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad" (2 Corinthiërs 5 : 10). Er rust een machtige belofte zoals ook een grote verantwoordelijkheid op ons bezig zijn in het vlees.'

U zult denken, wat ds. De Jong ook zelf aangeeft, hier gebruikt de apostel toch ook het woord 'lichaam'? Beide woorden bedoelen toch kennelijk hetzelfde? Wel, het is op zich niet fout om 'opstanding van het lichaam' te zeggen.

'Maar dat is ook mijn punt niet. Ze wordt, die uitdrukking, voorgesteld als een verbetering van de oude opstanding des vleses en daar geloof ik niets van. In de eerste plaats is ze een beperking, want vlees is veel ruimer dan lichaam. Bij vlees mag je aan het hele aardse bestel in zijn vergankelijkheid denken, bij lichaam gaat de aandacht eenzijdig naar de mens uit. En dat laatste is te weinig. Niet alleen de mens immers, maar de ganse schepping, die nu zucht onder de vloek van de ijdelheid en vruchteloosheid, staat onder de geweldige belofte dat ze van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de heerlijkheid van de kinderen Gods (zie Romeinen 8 : 20, 21).'

Het woord 'vlees' heeft een ruimere betekenis. Straks komt er meer terecht dan alleen maar ons lichaam. En dat belijden we in onze diensten. Het komt met Gods schepping eens weer goed.

Hoe zal het zijn straks?

Na een preek over zondag 17 van de Heidelberger werd het gevraagd in de consistorie: hoe zal het straks zijn als onze 'zalige opstanding' werkelijkheid zal zijn geworden? Een begrijpelijke vraag die elke hoorder van dit ongelofelijke Evangelie bekend voorkomt. Ds. De Jong gaat naar aanleiding van de kwestie 'vlees of lichaam' daar nog even op door.

'En verder, door te zeggen dat het vlees niet door de jongste dag heen komt en het lichaam wel, suggereer je een concreetheid en een voorstelbaarheid van het nieuwe bestaan die ik zo in de Schrift niet terugvind. De Here Christus zegt van de kinderen der opstanding dat zij zullen zijn als de engelen Gods (Lukas 20 : 36) en Pau­lus zegt in zijn bekende gelijkenis (1 Corinthiërs 15 : 36-38) dat wij bij de begrafenis van onze doden weliswaar graan in de aarde stoppen dat inderdaad ook als graan op zal komen, maar toch in een gedaante (de aar) die niets weg heeft van de gezaaide korrel.

God geeft er een lichaam aan, zegt hij, gelijk Hij dat gewild heeft. Dat wijst er toch op dat het eindresultaat van hieruit onvoorstelbaar is? Stel je voor dat je met een korrel van een onbekende graansoort in je hand staat, die je in de aarde zaait. Dan is het wat betreft de vorm van de plant die daaruit opschiet, toch volledig afwachten? Van het tarwezaad kennen wij de tarweplant, maar van zaad x?

Opstanding van het lichaam in plaats van opstanding des vleses, met de gedachte: het vlees beërft het koninkrijk Gods niet en het lichaam doet dat wel, zet ons op een verkeerd been. De uitdrukking opstanding van het lichaam is zeker bruikbaar op het christelijke erf, maar dan, net als bij de uitdrukking opstanding des vleses, in die zin dat God op de dag van de opstanding verheerlijkend terugkomt op wat hier ons lichaam is. Met opnieuw de boodschap dat dit een eer is voor ons lijf en dat we daar dus dienovereenkomstig mee om moeten gaan.'

Ds. De Jong stelt terecht dat wij bij 'het inkleuren van de grote toekomst het aardse palet' gebruiken. Wij moeten dat ook wel want wij kennen geen andere kleuren dan die van de werkelijkheid waaraan wij gewend zijn. Hij laat dan zien hoe de profeten van Israël ons daarin zijn voorgegaan en gaat als volgt verder in zijn betoog:

'Ik denk trouwens - maar dit is een zijspoor in mijn betoog - dat wij dit verschijnsel van het gebruik van het oude palet voor het inkleuren van de toekomst, bij het lezen van de profeten in het algemeen in gedachte moeten houden, dus ook wanneer zij hun licht laten schijnen over wat nog niet de uiteindelijke toekomst is.

Als bijvoorbeeld een Amos profeteert dat de Here God de vervallen hut van David weer zal oprichten, opdat zijn volk de rest van Edom beërven zal (Amos 9 : 11 en 12), dan gaat het volslagen aan de bedoeling van de profeet voorbij als we daarvan maken dat volgens het eigen woord van God het tegenwoordige Israël het in het vroegere gebied van Edom gelegen Jordanië van nu zal overmeesteren (zoals ik in evangelische kringen eens hoorde beweren). De kleuren van de toekomst zijn hier ontleend aan het palet van wat in Amos' dagen reeds oude geschiedenis was. Wat in Israels gouden eeuw werkelijkheid was geweest, wordt als beeld in geïdealiseerde vorm op het scherm van de toekomst geprojecteerd. Exacte en letterlijk op te vatten informatie over die toekomst krijgen we hier dus niet.

Wanneer later in het Nieuwe Testament Jacobus op het apostelconvent deze profetie als vervuld wil laten zien, dan komt er dit: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke en alle heidenen over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn" (Handelingen 15 : 16-18). Edom is hier verdwenen en opgegaan in Adam (mens of mensen) en beërven (Hebreeuws: jieresjoe) is geworden tot zoeken (Hebreeuws: jidresjoe). In plaats dat Israël de rest van Edom beërft, gaat het overige deel van de mensheid de Here zoeken.

Zo geeft Jacobus, langs de weg van woordspelingen op de Hebreeuwse tekstgestalte, aan deze profetie een betekenis die aansluit op datgene waar de Here God al van oude tijden, ja van eeuwigheid af, mee bezig is geweest en naar toe heeft gewerkt (in de tekst zijn dat "de dingen welke van eeuwigheid bekend zijn"). Wie nu over deze vervulling heen, nog wil blijven spreken van een tegoed van het Oude Testament, in die zin dat ons alsnog een letterlijke vervulling van Amos' profetie te wachten staat, zit ten aanzien van het profetische spreken van de bijbel in een eigenaardig misverstand gevangen. Hij bevraagt de bijbel op zaken waar die het helemaal niet over heeft. Onnodig te zeggen dat we hier op een fors verschil met de (meeste) evangelischen stuiten ter zake van het lezen van de bijbelse profetieën.'

De eindconclusie, na dit lange verhaal naar aanleiding van de vraag: wederopstanding des vleses of wederopstanding van het lichaam, luidt tenslotte als volgt:

'Maar, zoals gezegd, dit was even een zijspoor. Hoofdzaak van wat ik in dit artikel beweren wil is dat we in de uitdrukking opstanding des vleses geen concrete informatie krijgen over de hoedanidheid van het leven der toekomende eeuw. Alsof dat met het woord vlees getypeerd zou kunnen worden. Was dat de bedoeling dan zouden zij gelijk hebben die hiertegen het woord van Paulus in stelling brengen, dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven zullen. Nee, het gaat er om dat vanuit de toekomst het licht van de belofte stralend opgaat over ons armzalige bestaan in deze wereld, dat nu nog, ook op z'n gunstigst genomen, alle kenmerken van het vlees vertoont: zwakheid, zondigheid, vergankelijkheid. God komt er heerlijk op terug. We kunnen de oude kerk dankbaar zijn voor deze bijzondere formulering van de christelijke hoop. Ons aardse bestaan wordt er tot in zijn diepste lagen toe mee geëerd. De uitdrukking verdient het dan ook dat we haar, in plaats van te vervangen, zuinig bewaren.

De uitdrukking "opstanding van het lichaam" is zeker geen verbetering. "Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen", zegt de psalm (Psalm 16 : 9). Dat wil zeggen dat ons bestaan, zoals wij dat nu kennen: hart, ziel en vlees, rondom heen geborgen is. Maar een blauwdruk van ons vernieuwde bestaan is er niet mee gegeven.'

Ik kan niet anders zeggen dan het een heel sterk betoog te vinden om de oude formulering te handhaven. We zullen dan wel de gemeente vanuit de Schrift moeten uitleggen wat er allemaal in het woord 'vlees' aan gedachten opgesloten ligt. Dat verhoogt het perspectief dat we belijden met de Kerk der eeuwen: ik geloof de wederopstanding van het vlees.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's