Torenspitsen-Gemeenteflitsen
Geografische, economische en sociale omstandigheden door de eeuwen heen
AALST (2)
Zoals vermeld is de naam Aalst wellicht ontstaan uit het woord AA voor water. Dit is zeer goed mogelijk want water hebben we hier in overvloed gehad. Aalst ligt namelijk in het laagste en dus ook het natste gedeelte van de waard. Voor de bedijking van het gebied vond het water zijn eigen weg naar de rivieren via kreken en geulen. Na de bedijking kreeg het water minder stroomgebied en dreigde er dus nogal eens overstroming of dijkdoorbraak. En dreigde, of was er geen overstroming of dijkbreuk vanaf de Maas of de Waal, (tussen 1590 en 1861 tweeëntwintig maal) dan was er toch dikwijls de overlast van de uitwatering van het gehele hoger gelegen gebied. In 1320 en 1321 worden er 2 weteringen gegraven. Ze komen in Aalst uit op de Maas. Als het water in de hoger gelegen dorpspolders desondanks toch nog niet snel genoeg wegloopt, helpen die het wel eens een handje door stiekem de binnenkade door te steken. Twist en 'groot krakeel' waren dikwijls het gevolg. Daarnaast was het gebied ook nog een voortdurende twistappel tussen de Geldersen en de Brabanders. Door dit alles is het hele gebied lang in ontwikkeling achtergebleven. Werd de gehele streek door al deze gebeurtenissen arm gehouden, in Aalst was het zo mogelijk nog erger. Dit is nog duidelijk te zien aan de oudere bebouwing. In alle andere dorpen in de Bommelerwaard is deze rijker, groter en talrijker dan in het dorp Aalst. Aalst was van oudsher - en dat is tot op de dag van vandaag - een dorp van arbeiders. De sociale toestanden waren in het verleden hier zo mogelijk nog slechter dan elders.
In 1672, het rampjaar, en in latere jaren moest ook Aalst vele en zware oorlogslasten aan de Franse bezetter betalen. Op 23 juli 1673 maakten de heer, de schout en de gerichtsnaburen van Aalst een verklaring op. Hierin gaven ze aan wat de negenendertig gezinnen die in het dorp woonden wekelijks aan levensmiddelen nodig hadden.
Ze verklaren dat er niets overblijft om als betaling te dienen. Of de bezetters die van Aalst daarop met rust hebben gelaten, is onbekend, maar valt wel te betwijfelen. Eerder, in september 1672 hadden de Aalstenaren al palen moeten leveren, 404 in getal, 'Twee deel stormpalen lanck ses voeten op de dikte van een mans been om de kuijt, ende één deel palisaden lanck negen voet ende eenselve part dicker als de stormpalen, beijde soorten aen d'eene eijnde welgescherpt, ende het andere eijnde stomp gesaegd...' Te leveren binnen veertien dagen in Zaltbommel. In 1674 moeten er zelfs drie manspersonen geleverd worden om te gaan werken in de stad Grave. Een voorbeeld van sociale toestand komen we tegen in 1840/41, een winter met veel hoog water en ijsgang op de rivieren. Er is dan een adres, aan de 'Hogen Dijkstoel' van de Bommelerwaard gericht. Dit wordt behandeld in diens vergadering van 16 januari 1841. Hierin geven alle arbeiders uit het dorp Aalst 'met verschuldigde Eerbied' te kennen dat ze waterwacht (dijkbewaking) moeten lopen 'en desnoods zwaren arbeid moeten verrigten zonder daarvoor een pennigje of iets tot verkwikking of versterking te mogen eisen'. Deze mensen hadden 's winters geen werk en in die tijd dus ook geen inkomsten. De dijkstoel was wettelijk gezien niet verplicht te betalen en deed dat ook niet. Wel streken de heren met de hand over het hart en bepaalden ze dat men 'aan zoodanige manschappen op de wacht zijnde, die in hun behoeftenis niet kunnen voorzien, voor rekening van het District door de Kastelijn van het wachthuis enig voedsel kan doen verstrekken, edoch waarvoor in geen geval per dag en per man aan het (polder) District meer in rekening gebracht zal worden dan de som van twintig cents'. Hoe deze mensen, waaronder ook huisvaders die soms al maanden zonder inkomsten waren, hun gezinnen in leven moesten houden, vermeldt de historie niet. Het wrange is dat andere waterschappen hun mensen wél betaalden.
In deze omstandigheden moest de diaconie regelmatig te hulp schieten. Zo lezen we in de jaarrekening van 1861 (een rampjaar waarin de Bommelerwaard voor het laatst onder water stond) dat er op de post inkomsten een bedrag van ƒ 127, 33 staat vermeld. De uitgaven bedragen ƒ 114, 92. In 1928 is dit respectievelijk ƒ 686, 06 inkomsten en ƒ 745, 42 uitgaven.
Veel mensen verdienden door de eeuwen heen de kost in de landbouw. Enkele grote boeren, wat keuterboertjes die hun land pachtten van grootgrondbezitters die elders woonden, en vooral veel arbeiders.
In later jaren zouden de steenfabrieken 'de Rijswaard' en 'de Rietschoof aan veel mensen uit Aalst werk verschaffen. In 1881 werkten er op de Rietschoof, onder ongunstige omstandigheden, 46 mannen, 8 vrouwen, 6 jongens en 6 meisjes. Rond 1900 start ook de Rijswaard. Er werken dan 70 mannen, 4 vrouwen en 8 jongens. Het werk was zwaar en gevaarlijk, de omstandigheden bar. Ongevallen-en ziekteverzekering kende men niet. 's Winters liepen veel mensen thuis. 'Gingen dan d'n dijk op'. Door deze arbeidsomstandigheden is Aalst wel een rood dorp geworden. Het socialisme heeft er diep wortel geschoten.
Een beschrijving van het Aalsterse dorpsleven vinden we in het in 1894 verschenen boekje 'Kikkerdorp en de Kikkerdorpers', geschreven met een pen die van tijd tot tijd in vitriool gedoopt was. De auteur was in Aalst geboren en getogen. Het was het voormalige hoofd van de latere school, en overtuigde socialist A. van Emmenes. Hij schreef dit boekje in de strafgevangenis van Nieuwer-Amstel. Hij zet zich hierin sterk af tegen de gevestigde orde, en voorziet dat in de arbeidersheilstaat de mens pas echt tot zijn bestemming komt.
Tijdens de laatste oorlogswinter kwam Aalst in het frontgebied te liggen. Hierdoor waren er ook in Aalst, naast materiële schade helaas ook enkele doden te betreuren. In de strenge winter van 1944-1945 moesten de mensen uit de Rietschoof evacueren. Dit ging te voet, door kou en sneeuw, eerst naar Culemborg waar men over de spoorbrug moest, hierna ging men per trein vanaf het station in Houten naar het noorden. Velen kwamen in Friesland terecht. In mei-juni 1945 kwam men weer terug. Tijdens deze periode stond ds. A. van der Kooij in Aalst. Hij kwam naar Aalst na een vacature van meer dan twintig jaar. Deze was ontstaan na een conflict met de kerkelijke organen over betalingen van kerkelijke belastingen. Als sanctie mocht men niet beroepen. In het verleden gingen velen noodgedwongen werken bij boeren op de Zuid-Hollandse eilanden. Daardoor was men soms weken van huis. Na de Tweede Wereldoorlog pas is de ontwikkeling van de Waard, en dus ook van Aalst, goed van de grond gekomen.
Het gebied werd ontsloten en de vervoersmogelijkheden werden beter. De landbouw verloor zijn functie als grootste werkgever. Ook kwam er wat industrie naar het dorp. De Rijswaard heeft zich ontwikkeld tot een hypermodem bedrijf. De Rietschoof is in 1968 gesloten. Op het terrein is nu een camping gevestigd.
Heden en toekomst
Tegenwoordig vinden veel Aalstenaren werk in de Randstad. De bouw en de wegenbouw zijn wel de grootste werkgevers. Men pendelt op en neer zodat men nu iedere avond thuiskomt. Ook de recreanten hebben ons dorp ontdekt. Er zijn sinds een aantal jaren twee campings in het dorp. Hier mogen we in samenwerking met enkele buurgemeenten in de zomer het campingevangelisatie-en recreatiewerk, het DABAR-werk, doen.
Aalst is een arbeidersdorp gebleven. De kerk was en is dan ook een echte volkskerk. De armoede van vroeger is er gelukkig niet meer. De moderne tijd heeft ook in Aalst welvaart gebracht. De mensen hebben hard gewerkt (en doen dat nog) om deze welvaart te verkrijgen en te behouden. Wateroverlast kennen we eigenlijk niet meer. Toch heeft de nieuwe tijd ook nieuwe vragen en problemen gebracht. Er is een parallel met de zestiende eeuw. Toen ontstond er een geestelijk vacuüm dat werd opgevuld door de Reformatie. Ook in onze tijd is er een geestelijk vacuüm ontstaan. Ook in Aalst. De grote verhalen van socialisme en liberalisme lijken hun zeggingskracht te hebben verloren. Ook Het Grote Verhaal dat wij als Kerk te zeggen hebben, zegt een toenemend aantal mensen weinig of niets meer. Het postmodernisme deed ook in ons dorp zijn intrede met alle verschijnselen die daarbij horen.
Toch mag d.m.v. onze huidige predikant ds. J. L. Schreuders nog iedere zondag de nodiging uitgaan zoals die hier al vele eeuwen lang uitgaat naar alle mensen die het wél, en die het niet willen horen: 'Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt; en Ik zal u rust geven'. Wij bidden, pleiten en hopen dat deze Boodschap van het 'Levende Water dat verkrijgbaar is om niet' verkondigd, en door allen gehoord én verstaan mag worden in ons mooie dorp totdat Hij komt. Dit tot meerdere eer en roem van Hem die de Koning van de Kerk is.
Met dank aan: Tussen de Voorn en Loevestein, tijdschrift van de Historische Kring Bommelerwaard Streekarchief Bommelerwaard, Zaltbommel Stichting de vier Heerlijkheden, Brakel Dhr. A. V. d. Pol, Aalst Ds. J. L. Schreuders, Aalst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's