Isaac da Costa, een herinnering
II. Bijbellezingen
Naast de 'Bezwaren tegen den geest der eeuw' is er nog een tweede punt van herinnering te noemen. Da Costa hield op zondagavond bijbellezingen in zijn huis. Da Costa was hiertoe geïnspireerd door de Zwitserse predikant A. Chavannes, die na zijn afzetting huisgodsdienstoefeningen had belegd en daarvan een grote zegen had ondervonden. In gelijke geest stelde Da Costa elke zondagavond zijn huis op de Rozengracht open voor belangstellenden. Hij begon met gebed en Schriftlezing, gaf uitleg van dat Bijbelgedeelte en hield naar aanleiding daarvan een meditatie. Voor en na werd gezongen en de avond eindigde met een onderlinge bespreking.
Een uitgelezen kring van mannen en vrouwen was daarbij tegenwoordig. En dankzij een eenvoudige boekhouder Schimsheimer, die met zijn blinde vrouw altijd aanwezig was en thuisgekomen het gehoorde optekende, hebben wij deze Bijbellezingen behouden. Deze avonden hebben bij alle hoorders een onvergetelijke indruk achter gelaten. De wijze van Bijbelverklaring was dan ook enig in zijn soort en werd van geen enkele preekstoel zo gehoord. Da Costa las de Bijbel als een joods christen. Het Oude Testament interpreteerde hij nieuwtestamentisch, de Jehova van het Oude Testament was voor hem de Christus van de nieuwe bedeling. En het Nieuwe Testament las en hoorde hij met joodse ogen en oren. Het was een joodse visie op de openbaring, die in de kerk pas veel later ingang zou vinden. Da Costa aanvaardde de Bijbel van het begin tot het einde kinderlijk als het Woord van God. Toch was hij zijn tijd hierin weer ver vooruit, dat hij de inspiratie van de Schrift zag als een organische. De door de Heilige Geest bezielde bijbelschrijvers bleven voor hem mensen, die zelfstandig dachten. Juist die menselijke factor, die door de werking van de Geest nog werd versterkt en ontwikkeld, maakte de Bijbel voor hem tot een voertuig van Gods openbaring. De gloed van Da Costa's vroornheid ligt nog steeds over zijn Bijbelverklaring. Vermoedelijk worden de Bijbellezingen weinig meer gelezen. Maar wie ze ter hand neemt en zich er in verdiept ondergaat al gauw de warmte van het geloof van Da Costa. Of liever, hij bespeurt de klaarheid van zijn geloof. Alle afgetrokkenheid en droogheid is hier verdwenen. Door het gedrukte woord heen proeven wij nog zijn tintelende geest.
Zo omstreeks de jaren twintig van deze eeuw waren er nog tal van predikanten, die deze Bijbellezingen gebruikten bij de voorbereiding van hun preken. En nu wij toch bezig zijn met een herinnering te schrijven aan Da Costa hebben wij ze weer eens van de boekenplank gehaald. Lange tijd hadden wij ze niet meer op ons bureau gehad en nu wij ze weer ter hand namen, trof ons de bijzonder heldere aansprekende vorm van deze lezingen. Ze treffen niet zozeer door ingewikkelde grammaticale exegese, maar met name door hun meditatieve inslag. Da Costa bindt zich aan het Bijbelwoord, geeft een zakelijke uitleg en onmiddellijk verklaart hij uit de Schrift ook het moderne leven. Er gaapt geen kloof meer tussen het toen en nu. Het Bijbelwoord staat ineens midden in ons leven. Dankzij de eerder genoemde Schinsheimer weten wij ook welke bron onder meer Da Costa gebruikte.
Dat was de Bijbelverklaring van Johann Albrecht Bengel. Voor kenners het zogenaamde Gnomon. Een verklaring die door kortheid, maar evenzeer door diepte opvalt. Een enkele kanttekening bij een bijbeltekst roept een wereld van gedachten op. Deze Bengel kwam uit de stroming van het piëtisme voort. Juist omdat hij slechts het allernoodzakelijkste opmerkt bij de heilige tekst, wekt hij als het ware vanzelf op tot doordenking van het Bijbelwoord. Wij kennen naast de Kanttekeningen op de Statenvertaling geen commentaar, die zozeer noopt tot eigen vertolking.
Wij stellen ons vóór een aantal Schriftplaatsen hier te laten volgen, uit de Bijbellezingen. Wij kiezen daartoe een vrij betrekkelijk bekend deel uit de brief aan de Romeinen, namelijk het laatste hoofdstuk, waar Paulus tal van groeten aan de heiligen doet. Op een gegeven moment groet hij de vrouw van Simon van Cyrene en haar zoon Rufus. Paulus zegt letterlijk:
Groet Rufus, de uitverkorene in den Heere en zijn moeder en de mijne. De vader was niet alleen belangrijk, maar ook de moeder. Paulus gevoelde een kinderlijke betrekking jegens deze vrouw. Zij had voor hem moederlijke zorg gedragen, en het was hem aangenaam, dat hij in dit opzicht ook haar zoon genaamd kon worden. En Paulus wilde ook wel verplichting hebben.
Een christen wil wel dienen, maar ook gediend zijn in liefde. Velen denken dat men grote mannen geen kleine diensten kan bewijzen, en dat zij er ook niet op gesteld zijn om een verplichting te hebben. Dat is verkeerd gedacht. Ieder ziet zich gaarne in kleinigheden gediend, want een mens heeft soms het kleine meer nodig dat het grote. En oplettendheid is nimmer onwelkom. Wij oordelen: hier vloeit het meditatieve element onmiddellijk uit de tekst voort en is daarom direct geschikt tot toepassing te gebruiken. Dat is naar onze mening de reden dat de oude Schriftverklaarders vruchtbaarder zijn voor de prediking dan de nieuwere exegeten.
Wij denken nu voorts aan het Woord uit de eerste brief aan Corinthe: Want gij ziet uw roeping, broeders. Dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. God heeft opzettelijk niets aan de wereld ontleend om zijn genaderijk te stichten. Hij is haar ten enen male voorbijgegaan; alleen heeft Hij uit haar genomen wat door haar zelf als dwaas, machteloos, verachtelijk en verwerpelijk geacht werd. Haar wijzen, machtigen, edelen, aanzienlijken heeft Hij aan hun eigen wijsheidheid, macht, adel en aanzien overgelaten, niet uitsluitend, maar op enkele
weinige uitzonderingen na (daarom zegt de apostel 'niet vele') doch altijd zo, dat die edelen der wereld juist door hun roeping overgingen tot de rij van de onedelen bij de wereld. Zeker ook de edelen kunnen komen, maar niet met hun edele zijde naar voren.
Slaan wij nu de geschiedenis der kerk gade van het begin af tot nu toe, dan zien wij, dat gelijk de eerste apostelen uit twaalf eenvoudige lieden en slechts één geleerde (Paulus) bestonden , zo ook de gemeente altijd voor het merendeel uit eenvoudige lieden bestaan heeft en nog bestaat. Wel voegde God er somtijds zeer aanzienlijke namen van personen en geslachten bij, om te doen zien, dat er ruimte genoeg voor allen is in zijn huis en zijn liefde, maar toch blijkt het, dat God doorgaans de geringen verkiest boven de groten, vooral als Hij buitengewone dingen met Zijn kerk voorheeft. Als dan kunnen de middelen Hem niet te gering zijn, om er de grootste uitwerkselen mede te doen aanschouwen.
Vierhonderd jaar lang hadden keizers en koningen, pausen en kardinalen getracht een hervorming tot stand te brengen, daar men elke dag duidelijker zag dat het nodig was. De eersten dwongen de laatsten om kerkvergaderingen te beleggen en maatregelen te nemen, doch van die zuivering kwam niets, het ging veeleer van kwaad tot erger, tot dat God een bedelmonnik uit de donkerheid van het klooster riep, en deze bracht de grote taak tot stand door aan de deur van de academie te Wittenberg vijfennegentig stellingen aan te plakken, die hij bereid was tegen alle leraren der christenheid te verdedigen...
Een volgend voorbeeld uit de eerste brief aan Corinthe. De geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hijzelf wordt van niemand onderscheiden. Op het onderscheiden komt alles in de redeneerkunde aan. Wie goed onderscheidt, onderwijst goed. Want niets kan algemeen opgevat, maar alles moet verbijzonderd worden. Ook dat is een gave van de Heilige Geest. De Heilige Geest onderwijst ons wel, maar niet buiten de Schrift en ontslaat ons ook niet van eigen onderzoek en gebruik maken van het onderzoek van anderen en van onszelf. Zo weet een geestelijk mens wat de natuurlijke toestand van het hart, wat ongeloof is; want hijzelf heeft dat ondervonden, maar een natuurlijk mens weet niet wat geloof, wat bekering, wat christendom is, omdat hij er niets van ondervonden heeft. Zo wordt hij door de gelovige begrepen zonder de gelovige te kunnen begrijpen.
Het aangehaalde moet genoeg zijn. Wie deze Bijbellezingen nog eens raadpleegt treft telkens een fijne toets en keur aan. Da Costa heeft niet alle Bijbelboeken uitgelegd. Hij werkt veel meer fragmentarisch. Maar een geduldige lezing komt juwelen tegen. Wij verachten het nieuwe niet, maar willen het oude vooral niet wegwerpen. Het oude heeft de glans van rijping en oefening.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's