Isaac da Costa, een herinnering
III. Persoonlijkheid
Wij hebben al eerder er attent op gemaakt, dat de Bijbellezingen van Da Costa ons bewaard zijn gebleven door een eenvoudig man, Schimsheimer geheten. Hij was doorgaans aanwezig op de avonden, waarop Da Costa de Schrift verklaarde. Thuisgekomen werkte hij zijn aantekeningen uit, die nu zijn uitgekomen in negen forse boekdelen. Deze eenvoudige boekhouder is een huisvriend geworden van de familie Da Costa. Aan hem danken wij ook een fijnzinnige beschrijving van de figuur van Da Costa naar de meer intieme zijde. Daarvan willen wij nu tot slot iets meedelen. Wij kijken dan Da Costa in zijn hart.
Welnu, zo begint Schinsheimer zijn opmerkingen - Da Costa was niet groot van persoon, maar van dezelfde matige statuur als gewoonlijk al de Portugese joden zijn. Voorts welgemaakt, zonder de minste onevenredigheid. Zijn gelaat was licht pokdalig, maar welgevormd, zijn uitzicht en gelaatstrekken vriendelijk. De portretten, die er van hem op onderscheiden leeftijd bestaan, gelijken allen zeer goed. In zijn omgang was Da Costa minzaam en uiterst welgemanierd. Door zijn geboorte en opvoeding in aanzienlijke joodse kring en vooral door zijn hoge ontwikkeling bewoog hij zich licht in de hoogste kringen, iets dat lieden uit de burgerstand moeilijk leren, ja als een last beschouwen, zodat zij doorgaans zulke kringen opzettelijk vermijden.
Da Costa was het enig kind van zijn ouders. Zijn echtgenote Hanna Belmonte (geboren 2 april 1800), die gelijktijdig met hem gedoopt werd, was zijn zeer dierbare levensgezellin. Zij waren ook in christelijke zin verenigd en droegen de zware beproevingen, die hun tebeurt vielen (door verlies van een zestal kinderen en van een groot deel van hun vermogen, gevoegd bij het langdurig zenuwlijden en sterven ten laatste van hun oudste zoon Willem, naar Bilderdijk genoemd) met voorbeeldige gelatenheid. Zij overleefde haar man ruim zeveneneenhalf jaar en ontsliep de 26e november 1867, nalatende een zoon en twee dochters, die gehuwd zijn.
Het karakter van Dan Costa was edel en daarbij zacht en toegevend. Hoe beslist hij was voor de waarheid, en hoe ongezind om slechts een strobreedte van haar te laten vallen, zo wilde hij echter in de toepassing er van (in de praktijk) met zachtheid te werk gegaan hebben. Hij zeide meermalen: de rechte lijn, die strakke lijn is de lijn der wijsgeren, die alleen van gevolgtrekkingen leven, maar de lijn van God, der Schrift, is de golvende lijn, die hier uitwijkend en kronkelend, en daar zich weer samenvoegend, veel ruimte geeft en allerlei schakering van leven omvat.
Da Costa voerde op vele gebieden strijd, met name tegen het modernisme van Strauss, de Groningse school en de Leidse hoogleraar Scholten. Van de twee laatste zei hij ons meermalen: Nu de verdraaiing van Schrift en historie, de wijsheid ook op onze hogescholen begint te worden, ziet ge binnen weinige jaren ons land van ongeloof overdekt. En hij heeft zich niet vergist. Het onzalig modernisme (de nieuwe leer) heeft een uitgebreidheid in ons land verkregen, die alle berekening te boven gaat. Wij hebben hier een opmerkingsgave, volledig ook voor onze tijd van kracht.
Bij al de genoemde uitnemendheden van talent en karakter, had Da Costa zijn dagen van mismoedigheid, zijn uren aan misnoegdheid en zijn ogenblikken van toorn. Evenals zijn meester Bilderdijk had Da Costa, hoewel nooit in die mate, met geldelijke ongelegenheden te kampen. Zulke zorgen zijn door lieden van studie nog veel zwaarder te dragen dan door andere mensen, want het overspant hun geest, die kalmte en stilte eist om goed naar de eis der zaak te werken. Ik trof meermalen Da Costa aan in zulk een verdrietige stemming, dat ik bij mijzelf zeggen moest: Wie kan u troosten en rust geven dan God alleen? En God alleen heeft hem dan ook getroost en rust gegeven en nog oneindig meer bovendien. Hij zei eens bij zulk een gelegenheid: Het is mij een geheim, hoe de Heere jaren achtereen een toestand kan laten voortduren, welke hoe langer hoe ondragelijker wordt. Maar God ondersteund in het verborgen, anders moesten wij bezwijken.
Bij zulke gelegenheden beklaagde hij zich ook over de treurige gesteldheid der maatschappij. Geld - zei hij dan - wordt hoe langer hoe meer de as, om welke zich alle dingen bewegen. Hebt gij geld, ge hebt alles wat nodig is en wat er nog verder bestaat, wordt als onnodig en overbodig beschouwd. De wereld wordt dan ook zo vervuld van geldinrichtingen, dat het leven uit het geloof niet meer schijnt te pas te komen. Daarom is er ook in het dagelijks leven zo weinig geloof meer over. Ieder zoekt zich door geld in veiligheid te brengen en God en zijn heerlijke Voorzienigheid blijven alleen voor de arme gelovige over. Doch deze troosten zich dan ook in dat geloof, want die hier vreemdeling is, is boven thuis.
Bijzonder drukte hem de stelselmatige te genwerking van vele aanzienlijke en invloedrijke personen, waardoor hem de begerte van zijn hart, het ideaal van zijn leven - een professoraat - ontging. Da Costa had ook in dit opzicht een merkwaardige overeenkomst met zijn leermeester en vriend Bilderdijk, die dezelfde begeerte koesterdeen dezelfde teleurstelling ondervond. Da Costa had zo gaarne een vaste werkkring gehad en hij gevoelde zich zo geheel geroepen om hetgeen hij zelf wist in de hoofden en harten der studerende jongelingschap uit te storten, dat hij toen er sprake van zulk een beroep kwam, reeds zijn colleges op het papier gereed maakte. Doch zijn tegenstanders hebben over hem getriomfeerd...
Reeds vroeg beklaagde Da Costa zich over het gemis van een vaste werkkring, waardoor hij meermalen in het onbepaalde moest arbeiden. Ik benijd u, zei hij weleens tot mij, dat ge elke dag weet wanneer gij moet beginnen en eindigen, terwijl ik dat niet weet, zodat er soms uren voorbijgaan, zonder dat ik de pen op het papier kan zetten... Eens door velerlei teleurstelling ontevreden zeide hij tot mij: 'In deze wereld wil alles een behoorlijke vorm hebben, zal het gebruikt worden. De vrije gave is als een geest, die een lichaam moet hebben om gezien en erkend te worden. Maar ik ben een man buiten alle vorm, een af-en wegstromend water gelijk. Daar hebt gij professor X. Hij doceert enige uren voor zijn studenten, wat men honderdmaal beter in boeken kan lezen. Intussen wordt hij er goed voor betaald en heeft nog de eer en de waardigheid toe. Wie derhalve het ambt heeft, is geborgen en buiten zorgen en wie het niet heeft, is tot overmatige arbeid genoopt en blijft in de moeite.
Als christen was Da Costa geen zogenaamd juichend en roemend, maar getroost christen; zijn geloof was een toevluchtnemend geloof. Hij wenste met Copernicus geen andere genade te ontvangen dan die van de bekeerde moordenaar aan het kruis. Toen Cesar Malan deze stad bezocht en zich werkelijk als een caesar op geestelijk gebied betoonde, door met uitnemend talent de stelling te verdedigen: Ieder christen kan en moet weten dat hij een kind van God is, zeide Da Costa tot ons: Dit kan een ander beter van ons zeggen, dan wijzelf. Een koningskind gedraagt zich als een koningskind, zonder diat hij nog weet wat het zegt een koningskind te zijn. Er is ook een geestelijke bescheidenheid, die zich schroomvallig op de achtergrond stelt. En zijn er niet ook zwakgelovigen? Te willen eisen, dat allen mannen en vaders in het geloof niet worden maar zijn, komt de jongelingen en kinderen in het geloof te na. Weet een kind op moeders schoot dat het een kind des huizes is? En toch is het een kind des huizes. Men kan met de verzekerdheid des geloofs niet beginnen, men moet er mee eindigen.
Tenslotte - Da Costa was een man des gebeds. Hij bad veel op zijn studeerkamer. Dat kon men weten door het omgedraaid vinden van de sleutel van die kamer. De felle bestrijdingen, waaraan Da Costa van buiten af gedurig ten doel stond, gevoegd bij vele andere moeilijkheden zijns levens, brachten hem gedurig tot deze verborgen uitstortingen zijns harten voor de Heere, waardoor hij nieuwe instortingen van kracht ontving. Een laatste woord voegt Schimsheimer over Da Costa er aan toe: Bij de bewustheid mijner begenadiging is mijn streven voor mijn eigen gevoel een arm zondaar te zijn en te blijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's