Uit de pers
Informatie: Dr. E. D. J. de Jongh, Buskes, dominee van het volk - biografie, uitg. J. H. Kok Kampen, ISBN 902429360, 460 pag., ƒ 45, - .
Dr. J. J. Buskes
Onlangs verscheen een biografie over dr. J. J. Buskes van de hand van dr. E. D. J. de Jongh. Buskes (1899-1980) was in zijn dagen een voorganger met een grote faam. Wie zijn biografie leest, begrijpt opnieuw waarom. Hij bemoeide zich steeds met de grote vragen van zijn tijd en liet altijd duidelijk zijn visie horen. Onverschrokken mengde hij zich in het debat van zijn dagen: het arbeidersvraagstuk in de twintiger en dertiger jaren. Het probleem van oorlog en vrede (Kerk en Vrede) en later de heftige discussies rond de Vietnamoorlog en nog weer later de emotievolle jaren waarin het kernwapenvraagstuk aan de orde was in kerken en in de politiek. En niet te vergeten zijn felle bestrijding van de inhoud van Het Getuigenis (oktober 1971). Hij voelde zich persoonlijk aangevallen toen in Het Getuigenis de horizontalisering van theologie en prediking gelaakt werd.
Op 16 september presenteerde de uitgever de biografie tijdens een bijeenkomst in de Rode Hoed in Amsterdam. Ton van der Worp (tot 1995 directeur van uitgeverij Ten Have in Baarn, waar ook de meeste van Buskes' publicaties verschenen) hield er een toespraak over de vraag Was Buskes Gereformeerd? Het tijdschrift In de Waagschaal (17 oktober 1998, nw. jaargang 27 nr. 14) publiceert het verhaal van Van der Worp. We citeren er enkele fragmenten voor u uit.
'Ik had een tante: tante Gerda. Zo'n twintig jaar geleden werd zij tot haar moederen vergaderd, maar vandaag breng ik haar even tot leven. Maatschappelijk stond ze net iets hoger dan wij, het gezin van mijn ouders: zij woonde in een eigen, wij in een huurhuis. Zij was nogal dominant, niet zozeer vanwege dat huis, maar doordat de Schepper haar met een karakter had begiftigd, dat geneigd was tot vlijmscherpe oordelen over goed en kwaad. Door datzelfde, enigszins dominante karakter verkreeg haar visie op allerlei ook enig gezag. Haar oordelen werden overigens niet alleen bepaald door haar karakter maar ook door - laten we zeggen - haar geloof. En dat geloof was van zeer vrijgemaakte snit. Dat impliceerde onder veel meer dat er maar één ware kerk is, en dat je dat gemakkelijk kon vaststellen, omdat je dat immers kon meten met de normen zoals die in de Confessio Belgica van 1561 door Guido de Brés waren geformuleerd: een kerk was alleen dan kerk als zij voldeed aan de eisen van een ware bediening van het Woord, van de sacramenten en van de tucht. Ik zal u besparen met hoe grote eenvoud en stelligheid deze meetlat werd gehanteerd en hoe simpel en geruststellend de uitkomst altijd weer was: alleen de vrijgemaakte kerk voldeed aan deze normen. Ik val u met deze ouverture lastig omdat ze nodig is om het volgende in al zijn diepte te doorgronden.
Mijn tante werd ziek en lag langdurig in het ziekenhuis, alwaar mijn moeder en ik haar eens bezochten. Toen gebeurde er iets wat ik nooit zal vergeten. Met onmiskenbare opwinding deed zij verslag van een preek die ze via de radio had gehoord, een preek van dominee Buskes, ja zeker "die rooie dominee". "Maar", sprak ze, en ik citeer haar letterlijk: "het was een prachtige preek, die man is echt gereformeerd!".
Haar uitspraak maakte indruk op mijn moeder. Bestond dat, dat iemand gereformeerd was zonder gereformeerd te wezen? '
De auteur van de biografie had Van der Worp de vraag voorgelegd: was Buskes gereformeerd? Geen makkelijk te beantwoorden vraag, aldus Van der Worp, omdat Buskes iemand was die niet goed in één hokje paste. Hij was er te ongrijpbaar voor. Toch doet hij een poging de vraag te beantwoorden.
'Als gereformeerd zijn betekent: pal staan voor je overtuiging, dan was hij gereformeerd. Dat hoeft, dunkt me, geen betoog. Als het betekent dat je je, naar het woord van Kuyper, dienstbaar moet maken in kerk, staat en maatschappij, dan was Buskes voluit gereformeerd.
Terecht memoreert De Jongh, dat Buskes niet zoveel ophad met de kerk als instituut en met het kerkverband. Het moest er zijn, maar het had voor hem iets als een noodwoning. Zo liep hij ook niet warm voor de oecumene. Had hij nu geleefd, dan zou hij, naar mijn vaste overtuiging, zeker niet vooropgelopen hebben in het streven naar Samen op Weg.
Hoogkerkelijk was hij niet, zomin als verreweg de meeste gereformeerden. Om liturgie gaf hij weinig. De eredienst aan God is daar waar dienstbaarheid wordt betoond - openbare eredienst. Met de preek als het centrale punt. Een mooie anekdote vertelt De Jongh als hij een Amerikaanse toerist citeert, die de Westerkerk, waar Buskes zo graag preekte, bezocht. De man riep vol verbazing uit: "So this is Calvinism: geen koor, geen kapel, geen bloemen - een kerk met vooral ruimte, waarin alles op de preekstoel is gericht". Als dat niet gereformeerd is...
Preken was voor hem het uitbazuinen van de bevrijding. Daarbij wilde hij de traditionele woorden schuld, zonde, vergeving, verzoening en genade niet kwijt. En ook dat lijkt mij nóg altijd heel gereformeerd.
Die preken: De Jongh schrijft dat "zijn preken volgens deskundigen predikkundig niet erg sterk waren". Ik geloof dat. Hij was een ongemeend boeiend spreker, preekte altijd voor volle kerken en tallozen - niet alleen mijn al gemelde tante - raakten erdoor in de ban. Maar toen ik hem eens voorstelde om een selectie van zijn preken in een bundel uit te geven, aarzelde hij. Hij gaf me tenslotte een aantal preken mee, en toen ik ze las, kreeg ik de ervaring, die ik al vaker had opgedaan bij het lezen van preken van "preekmirakels": de betovering was weg. Niet dat ze slecht waren, maar het vonkte niet. Het vuur zat 'm, naar mijn bevinden, niet zozeer in de tekst zelve, als wel in het engagement, in de voordracht, in de gloed van het betoog. Ik raakte enigszins in verlegenheid en zon op een manier om Buskes op zo elegant mogelijke wijze te melden dat ik bij nader inzien toch liever van het plan afzag. Mijn zorgen bleken overbodig. Buskes kwam er nooit meer op terug, ongetwijfeld omdat hij wist, dat het niet zo'n goed boek zou worden.
In De aanslag beschrijft Harry Mulisch een "beroemde dominee", die aan den lijve heeft ondervonden wat gevangenschap betekent. "Zijn uithalen waren zo groots", schrijft hij, "dat het leek of ook hij zijn retorische talent had afgedwongen op een spraakgebrek." Nee, een spraakgebrek was het niet, het was - zo duidt de biograaf dat terecht aan - een hakkelen en haperen aan het begin, dat allengs, in het vuur van de preek, werd vergeten, zou ik durven zeggen. Ik vond het boeiend, dat in de verfilming van het boek de rol van Buskes werd vertolkt door de - gereformeerde - dominee Okke Jager, die precies als Buskes, allerminst leed aan een spraakgebrek, maar nauwkeurig wist te timen wanneer er gehakkeld en gehaperd diende te worden. Een domineesfoefje dus, door Mulisch niet als zodanig herkend.'
Leuk is de anekdote die Van der Worp er tussendoor vermeldt als Buskes in 1979 officier wordt in de orde van Oranje-Nassau. Buskes had altijd grappen gemaakt over mensen die een onderscheiding kregen van de koningin. En toen was hij zelf ineens aan de beurt.
'Toen hij vernam dat hij de onderscheiding zou krijgen, belde hij ons op en nodigde ons, mijn vrouw en mij uit, om er bij te zijn. Omdat hij absoluut geen drukte wenste, zo sprak hij, wilde hij geen officieel gedoe; hij was blij dat de gebeurtenis kon plaatsvinden in uiterst kleine kring, in een klein dorp, Ilpendam, in het huis van Ada van Randwijk. Wij togen er des zondags naar toe, konden met moeite onze auto kwijt en vroegen ons af, wat er toch aan de hand was. Een belangrijke voetbalwedstrijd misschien? Naast ons parkeerde iemand die dezelfde vraag aan ons stelde. Wij herkenden in hem burgemeester Polak, die, zo concludeerden wij, de onderscheiding kwam opspelden. En zo geschiedde. Het huis noch de ruim bemeten tuin konden alle aanwezigen bevatten. Het was een geweldige gebeurtenis. Buskes sprak er toch een beetje besmuikt over. Volgens mij heeft Albert van den Heuvel hem op geniale wijze uit de verlegenheid geholpen, door op te merken, dat het niet zozeer een eer was voor Buskes om deze onderscheiding te ontvangen, maar dat het voor het eremetaal een eer was om op zo'n borst gespeld te mogen worden.'
Het verhaal als antwoord op de vraag naar het gereformeerd zijn van Buskes sluit Van der Worp dan als volgt af:
'De gereformeerde Buskes. Het moge zo zijn, dat hij, als lid van de senaat van het studentencorps van de VU, in 1920 Kuyper letterlijk mede ten grave had gedragen - hij was daar niet weinig trots op, hij heeft het me vele malen verteld - hij begroef daarmee niet zijn gereformeerd zijn, zomin als de invloed van Kuyper. Abraham - niet diens zoon H. H., over wie hij zich tot het eind van zijn leven bleef opwinden - bleef een rol spelen in zijn leven. Ik noemde al de trits van kerk, staat en maatschappij. Maar ook hield Buskes een woord van Kuyper, althans de titel van een van diens vele geschriften in ere: "Viert uwe vierdagen".
Dat deed hij met verve - en meesterlijk gespeelde reserve. Niet alleen toen hij de al vermelde onderscheiding kreeg, maar ook - bijvoorbeeld - bij de viering van zijn vijfenzeventigste verjaardag (16 september 1974); hij had het zo gearrangeerd, dat er twee boeken verschenen: Dwarsliggers bij Zomer & Keuning en Droom en protest bij Ten Have.
Toen de grote dag naderde, voelde hij zich toch wat ongemakkelijk: hoe moest hij de ene uitgever zeggen, dat hij ook een ander benaderd had? En omgekeerd? Schuchter - inderdaad: hakkelend en haperend - meldde hij me, dat hij ook met Hans Mons, de uitgever van Zomer & Keuning, een boek had bedacht. Ik hoorde het geamuseerd aan, omdat het me natuurlijk al bekend was. Buskes wist niet dat ons vak, dat van uitgevers, in feite een soort breikrans was, waarin weinig verborgen bleef. Opgelucht haalde Buskes adem. Tijdens het feest stelde hij zich op tussen de schuifdeuren in huize Rooseveltlaan 228 en sprak trots: Zie hoe ik, als hervormde dominee, geflankeerd wordt door twee gereformeerde uitgevers, van wie één nog wel vrijgemaakt. Met de laatste bedoelde hij mij, en hij wist drommels goed dat ik sinds lang niet meer vrijgemaakt was, maar hij hield van een pesterijtje.
Maar twee gereformeerde uitgevers maken een auteur nog niet gereformeerd.
Was hij dat? Zoals al eerder gezegd: hij liet zich niet in dat hok duwen. Toen hem eens gevraagd werd wat hij eigenlijk was, gereformeerd, hervormd, orthodox of vrijzinnig, antwoordde hij: "Wat zeggen die woorden? Ik wil weten wat iemand gelooft, belijdt, predikt en doet".
Maar toch houd ik vol, dat hij althans in veel opzichten gereformeerd gebleven is. Ik verwijs weer naar Kuyper, en nu naar diens gevleugeld geworden woord, dat de drank der gereformeerden niet uit de chocoladeketel wordt geschonken.
Gedurende de laatste jaren van zijn leven bezocht ik hem zo eens in de zes weken, schat ik. Meestal was dat op donderdagmiddag. Ik stond dan om vijf uur op de stoep, met onder de ene arm een bos bloemen voor Siets (vanaf den beginne mocht ik Siets zeggen, maar Buskes en ik hebben tot het laatst u tegen elkaar gezegd), en onder de andere een fles jenever voor Buskes. Het waren uren, waaraan ik de alleraangenaamste herinneringen bewaar. Maar je moest wel oppassen, datje niet aangeschoten het pand verliet. Ook om enigszins af te koelen reed ik niet direct naar huis, maar schreef eerst in de auto, in trefwoorden, op wat ik had gehoord: verhalen van vroeger, theologische analyses van nu, recensies van pas verschenen boeken, maar ook aangename anekdotes en roddels. Het waren immers heerlijke uren.
Gereformeerd?
Ik ben me ervan bewust, dat ik u, met al mijn omtrekkende bewegingen, niet veel wijzer heb gemaakt op dit punt. En Buskes grinnikt nu mee en roept me opnieuw toe: zie je wel, dat het je niet gelukt is!
Als u wilt weten of Buskes gereformeerd was, kan ik niet anders doen dan u mijn tante uit het begin van mijn verhaal in herinnering roepen en verwijzen naar haar spontane uitroep: "Die man is echt gereformeerd!'"
Dominee van het volk
Dat is de titel die dr. De Jongh aan zijn biografie over Buskes geeft. Waar de biograaf schrijft over de preken van Buskes, komt het hart van deze gedreven man openbaar. Ter afsluiting citeer ik enkele fragmenten uit dit hoofdstuk.
'Preken was voor Buskes in feite alles. Hij kón het, al was het niet gauw goed genoeg. Meer dan eens werd er op zondag 's morgens vroeg een nieuwe preek gemaakt omdat het niet was geworden wat het zijn moest.
Lege kerken heeft hij niet gekend, het zat altijd vol. Mede hierom noemde hij de preekstoel de gevaarlijkste plaats ter wereld. Een predikant behoorde verantwoording af te leggen voor elk woord dat hij over God sprak of had verzuimd te spreken. Ook de manier waarop telde mee. Verwaarlozen van de vorm achtte hij een gebrek aan eerbied voor de inhoud.
Wetend dat hij boeiend preekte zag hij het gevaar van te veel uitweiden. Hij schreef zijn preken uit "om niet het slachtoffer van mijn spraakvermogen te worden". Wanneer hij de kansel op ging was hij één brok spanning - het hoge woord moest er uit. Naar zijn gevoel ging hij niet "het Woord bedienen", zoals preken wel werd genoemd. Hij vond dit, als gezegd, een verkeerde uitdrukking, die de indruk wekte dat de prediker over het Woord van God kan beschikken. Hoogstens kon hij proberen het Woord niet te veel in de weg te staan en dan paste het woord "dienen" beter dan "bedienen". Het was een waagstuk, zondag aan zondag te moeten spreken over ongehoorde dingen als een Geest die levend maakt, de Eeuwige, Onzienlijke, Schoot van ontferming, of hoe zul je het zeggen. (...)
Of hij in de Westerkerk preekte of elders, een preek bij Buskes was een getuigenis en een verhaal vol verbeeldingskracht - zonder leerstelligheid of theologische geheimtaal.
Volgens W. F. de Gaay Fortman bewezen zijn preken dat de theologie de verkondiging niet in de weg hoeft te staan maar tegelijk dat ze onmisbaar is. Zij werden gedragen door de belijdenis en vertaalden haar naar de situatie van het ogenblik. Hét voorbeeld was de preek op de zondag nadat Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen, over de tekst "Het heil is uit de joden".
Er waren steeds drie vaste elementen: hij sprak over Jezus, over het "komende Koninkrijk" en over de mensen in de kerk. Hij sprak over Jezus omdat hij buiten Jezus om niet over God kon spreken. Als hij over God sprak moest hij "het Koninkrijk" noemen - "God alles in allen". Vanuit dit perspectief werden de mensen aangesproken. Hij deed het op een wijze die hun het gevoel gaf dat hun leven de moeite waard was en dat zij er mochten zijn. In dit laatste was de preek méér dan een genadeverkondiging. Zij riep de mensen op zich in te zetten voor de wereld. De vraag of het ouderwets of modem was wat hij zei, kwam niet op.
Met zichtbaar ongeduld kon hij op de kansel staan wachten tot diakenen en collectanten klaar waren met de collecte. Hij wilde beginnen. Er moest dan verder niets tussen komen. Als er naar zijn gevoel te veel werd gehoest was hij merkbaar geïrriteerd. Nadat hij met toegeknepen lippen had geprobeerd er niets van te zeggen kon hij de preek onderbreken met de vraag: "Wilt u misschien wat minder hoesten, het is zo verschrikkelijk hinderlijk".
In een dienst van Buskes in de Oranjekerk zouden alle leden van een gezin worden gedoopt. Hij had contact met de ouders gekregen, zij leefden in vrij behoeftige omstandigheden. Nadat de man was overleden wilde de vrouw bij de kerk behoren en zich met de kinderen laten dopen. Tijdens de doop riep een van de oudere kinderen toen het bij de doopvont stond: "Ik wil niet, ik wil niet". Het jongetje was niet te kalmeren. "Dan dopen we je vandaag niet", zei Buskes. Toen het kind was weggebracht ging hij terug naar de kansel. De kerk reageerde wat lacherig, in de trant van "och dat kind". Buskes werd kribbig en vroeg de gemeente hier niet om te lachen: "Dat kind weet nog niet wat het betekent: ik wil niet. Maar wij willen geen van allen". Vervolgens liet hij de preek voor wat zij was en hield in plaats daarvan een toespraak over "ik wil niet". Hij was overigens geen voorstander van de kinderdoop. Met Barth meende hij dat de doop een zaak van vrije keuze en eigen verantwoordelijkheid behoort te zijn. Zo zou de kerk weer gemeente van Jezus Christus kunnen worden, christen-zijn is geen vanzelfsprekendheid. (...)
Buskes was een volksprediker die trefzekere taal gebruikte. In de vooroorlogse jaren, in de zondagmorgenbijeenkomsten van "Arbeidersontwikkeling" in Tuschinski, hield hij toespraken van een halfuur, zoals hij in de kerk gewend was. Toch kreeg hij na afloop applaus van de stampvolle zaal. Na de oorlog, in bijeenkomsten van "Woord en Wereld" in Carré, overkwam hem dit ook. Iemand die buitenkerkelijk was zei eens: "Buskes, die zegt het, hij meent het, je zou haast gaan geloven". Bijna.
Waar kwamen de mensen bij hem op af? pen predikant in Amsterdam weet dat de mensen er snel huilen en snel lachen, stil kunnen zijn en de gein en de eerbied kennen. Er zijn kerkgangers geweest - ook theologen - die bij Buskes "de macht, de bescheidenheid en de menselijkheid van de christelijke verkondiging" hebben ervaren. Wat was het waardoor zij bij hem werden getroost en bemoedigd? Was het zijn manier van spreken, zijn humor, zijn ernst?
Hij kon aangrijpend en ontroerend preken, ook door zijn stem. Sommigen vonden het een domineesstem, voor de meesten was het gewoon de stem van Buskes. Een dominee op de preekstoel spreekt nu eenmaal anders dan aan de telefoon of in een gesprekskring. Een groot gehoor waaraan het Evangelie wordt verkondigd is niet hetzelfde als een volle collegezaal. Geloofsoverdracht is geen kennisoverdracht, de kansel geen katheder.
Zijn stemgeluid was direct te herkennen. Het had iets warms en iets emotioneels. Hij sprak geen verzorgde taal. Het kon iets haperends hebben, met een spoor van hakkelen - vooral als hij op gang moest komen - en vol pathos wanneer hij eenmaal op dreef was.
Zou zo'n wijze van preken het nu nog doen? Wij kennen en waarderen een soberder voordracht. In onze tijd wordt er "zoekender" gepreekt dan Buskes deed. De actuele preek-van-nu is naar vorm en inhoud anders dan zijn preken waren. Niettemin zullen mensen authenticiteit en overtuigingskracht blijven herkennen.'
Mij trof bij de lezing van dit mooie boek over Buskes' leven zijn absolute toewijding aan zijn medemens ongeacht stand of staat. Vooral zijn solidariteit met de mens aan de onderkant en dat in een tijd waarin de kerk het liefst de status quo bewaakte. Moedig en dapper in oorlogstijd, het hart op de goede plaats juist ook voor de joden. Nog vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op zijn hoede voor het nationaal-socialisme en er daarom luid voor waarschuwend. Ontroerend is het te lezen hoe hij na heftige botsingen met prof. Van Niftrik rond Het Getuigenis zich met hem verzoende onder leiding van hun beider wijkpredikant ds. C. B. Posthumus Meyjes. Kort na dit gesprek overleed prof. Van Niftrik plotseling.
Wie geïnteresseerd is in de kerkgeschiedenis van ons land gedurende het grootste deel van deze eeuw vindt in deze biografie heel veel documentatie en informatie rond de persoon van een uiterst boeiend en gedreven Evangelieprediker Johannes Jacobus Buskes, geboren in de Haverstraat vrijwel in de schaduw van de Utrechtse Domkerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's