De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

De heer M. Stol, docent in 'het Spijkerschrift' aan de VU te Amsterdam, schreef enige tijd geleden een boekje, getiteld 'Langs 's He(e)ren wegen'. Daarin deed hij in lichtvoetige bewoordingen verslag van bezoeken aan allerlei kerkelijke evenementen. Een soortgelijk geschriftje gaf hij nu uit over de Kerkendag in Kampen op 25 april II., onder de titel 'Een profijtelijke boottocht'. Hij zond het toe aan een honderdtal personen. We willen de lezers niet onthouden wat hij schreef over de discussie met prof. dr. C. J. den Heijer:

'Natuurlijk is iedereen erop gebrand, de mening over verzoening van prof. Cees den Heyer nog eens door hem persoonlijk te horen toelichten, achter een tafel in debat met een aantal andere deskundigen.' Maar daarvoor had je wel ruim op tijd in moeten tekenen en meer dan 1500 mensen gaan er niet in de sporthal. Het is bomvol; dorpelwachters met walkietalkies treden u in de weg. Ik had al vroeg de papieren in huis en had best een goede kans gehad. Maar over verzoening ben ik in de afgelopen tijd al voldoende ingelicht geworden en een verslag gaf me later ook ge lijk: 'Door de veelheid van meningen bleef een echt debat achterwege; het ging om toelichting van de eigen standpunten'. Ik weet er alles van, want ik was erbij, toen prof. P. Smits in maart 1959 schreef 'Zo kunnen wij alles tezamen eigenlijk nog slechts glimlachen om dat hele betoog van Paulus in Romeinen 5. Existentieel hebben wij er geen deel meer aan', waarna hij besloot met net bekende ondeugende 'Geef mijn portie maar aan Fikkie'. Hij werd er fiks om beknord en prof. Lekkerkerker schreef er een boek tegen in. Zijn opvatting is een diepe vrijzinnige overtuiging en de originele, mogelijk wat ongelukkige, uitdrukking is in het kerkelijke geheugen blijven hangen en wordt nu weer dankbaar opgepikt. Het vrijzinnige maandblad Vrijzicht voegt er dit jaar namelijk nog een nieuwe dimensie aan toe door te stellen, dat zelfs Fikkie de portie niet eens wil hebben. 'Zo hoef ik thuis de kat niets voor te zetten waarvan de houdbaarheidsdatum allang is verstreken. Ze eet het niet en daar heeft ze meer dan gelijk in. We hoeven niets in te nemen wat als vergif aan ons zieleleven vreet' (mei 1998). De voorpagina van het aprilnummer wordt gesierd met een foto van twee houden. Hond Smits: 'Zeg Cees, heb jij je portie al gehad? ' Antwoord van de keeshond: 'Nee Piet, mijn portie komt nog!' Het oecumenische gehalte van deze zotteklap moet laag ingeschat worden. Zottenklap.

Twintig jaar na Smits kwam de kwestie Wiersinga (1971) en ook hij had het mis, zei de synode. Nu is er Den Heyer en we worden er een beetje moe van. Hij gaat uit van moderne inzichten der bijbelwetenschappen en heeft ook ongelijk, zoals zijn collega A. S. van der Woude aanwees. Die vindt 'de wetenschappelijke analyses doorgaans overtuigend', wil ook een heel eind meegaan in een geloven zonder dogma's, maar vindt een andere christologie in het Nieuwe Testament. 'En als Den Heyer lettend op wat hij de klassieke verzoeningsleer noemt, het een angstaanjagende gedachte vindt dat God zozeer gebonden zou zijn aan zijn eigen gerechtigheid en dat Hij niet meer de handen vrij heeft om te redden zonder voorwaarden vooraf, miskent hij de ernst van de pogingen die in de geschiedenis van de kerk zijn gedaan om de heilsnoodzakelijkheid van het lijden en sterven van Jezus als de Christus onder woorden te brengen. En die andere vraag: of ik niet verantwoordelijk ben voor de gevolgen van mijn eigen woorden en daden, moet natuurlijk bevestigend beantwoord worden: ik kan mijn schuld niet aan een ander overdragen. Maar de Ander kan die wel van mijn overnemen'. 'Ik kan niet anders dan concluderen dat de kloof tussen Den Heyers geloofsopvattingen en de christologie van het Nieuwe Testament enige malen breder is dan die tussen de kerkelijke dogma's en de prediking van dat deel van de bijbel' (Kerk en Theologie 49 (1998), bladzijde 74 tot en met 76). Zelf onderwind ik me, wat brutaal toe te voegen, dat die wetenschappelijke analyses in de bijbelwetenschappen ook voortdurend veranderen. Al in de negentiende eeuw zei de weldenkende professor Hofstede de Groot er dit van: 'Maar de ongeletterde christenen kunnen deze studie niet aanvatten en zijn voor dit nadenken niet geschikt. Zullen zij dan die overtuiging erlangen uit hetgeen de Geleerden hun over die zaken verhalen? Maar dan zal de Gemeente bijna geheel en al afhangen van het gezag van weinige Geleerden, die veel onder elkaar twisten en wier gezag men waarlijk niet als zoo veel verkieselijker mag stellen, dan dat der onfeilbare Roomsch-Catholieke Kerk' (De Groninger Godgeleerden, bladzijde 155 en verder).'

In het 'Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis', troffen we de volgende "Haagse overpeinzingen' van de hand van dr. H. ten Boom over de hage(n)preek:

'Wat de nieuwe spelling al niet aan nieuws en ouds kan oprakelen en welke tegenstrijdige opinies daarover aan het licht komen blijkt zelfs in ons kerkhistorisch tijdschrift (nieuwe reeks, 1/1, 19). Kerke(n)raad - hage(n)preek! Ondanks de ondubbelzinnige keuze van de redac tie voor de aardigheid nog een paar notities over het laatste woord, de hagenpreek, dat mij aan het peinzen zette.

Zijn de eerste hagenpreken in de Noordelijke Nederlanden niet op Walcheren gehouden? Zo heb ik onlangs nog gelezen in het mooie boek over de reformatie in Zeeland van Cl. Rooze. En werd dat eiland niet tot aan de inundatie door de Engelsen in oktober 1944 de tuin van Zeeland genoemd? En was dit niet ook vanwege de vele meidoornhagen die de akkers en weilanden van elkaar scheidden en die langs de wegen stonden? Zo zou het woord hagenpreken nog zo vreemd niet zijn voor wat daar nabij Vlissingen in 1566 in de open lucht gebeurde, niet zo vreemd als de schrijver van het opiniestukje denkt. Alhoewel... bij nader inzien blijkt dat de eerste preek in de duinen heeft plaatsgevonden. Hagen in de duinen? Toch niet helemaal bevredigend, even verder zoeken, maar waar?

In het Etymologisch woordenboek der Nederlandse taal van Franck-Van Wijck (mijn oude uitgave uit 1912) komt het woord 'hage(n)preek' helemaal niet voor. Tot onze verrassing lezen we wel het woord 'haagpreek'. Ouder dan dit woord is volgens hem 'haagpredicant', dat in 1566 voor het eerst is gebruikt door de Brugse, fel anti-hervormingsgezinde monnik Broer Cornells. Betekenis: 'een rondzwervend predikant die overal waar 't uitkomt optreedt'. De oude etymologie van Kiliaan (1599) geeft ons een nog grotere verrassing: hij lijkt de haagpredikant van protestantse smetten te zuiveren door het woord 'haeghpape' te noemen en dit te verklaren als 'priester zonder gemeente'. Ten slotte: het Middennederlandse 'ane haghe, op straten ende op velden' betekent op allerlei plaatsen' (wat men misschien kan vergelijken met zijn 'negatief', het in één adem noemen van 'heg noch steg').

Al met al dus? Och, overpeinzingen geven geen oplossingen, maar het woord hagenpreek is zo gek nog niet.'

In 'Op weg naar de ander' schreef mevr. A. D. Ooms-Slob over de 'Uitbreiding van psalm 121' van de dichter D. R. Camphuyzen:

'Ik hoor trompetten klinken:
De vijand is nabij. Ik zie harnassen blinken
En niemand is met mij.
Het hart klopt door 't benauwen.
Dies laat ik, diep beschroomd,
't Gezicht 't gebergt aanschouwen.
Of daar geen hulp van koomt.

Daar is geen hulp voorhanden.
Voorhanden, dan van God, van God,
die 's werelds landen
Heeft onder zijn gebod.
Van God, die 's hemels lichten
Heeft onder zijn gebied.
En die 't weleer al stichtten
Dat 's mensen oge ziet.

Geen kwaad en kan u deren!
't Zij of gij buitenshuis
U zelven moet generen
Daar is geen vrees voor kruis!
't Zij of gij binnen deuren
In uwen huize bent.
Geen kwaad kan u gebeuren
Van nu tot aan uw end!

De dichter, D. R. Camphuyzen, is geboren in Gorinchem in 1586. Hij werd predikant in Vecaten. Hij was een volgeling van Arminius. Toch wilde hij niet gerekend worden tot de Remonstranten, evenmin tot de Calvinisten of Doopsgezinden. Hij verkoos prediker te zijn van een christendom boven geloofsverdeeldheid. Hij werd in Vleuten geschorst door de synode. Veel rampspoeden volgden. Om in het onderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien, pakte hij de nederigste baantjes aan.

Toen hij naar Duitsland vluchtte, brak daar de pest uit. De lijders werden aan hun lot overgelaten. Camphuyzen stond de zieken en stervenden bij en verzorgde zelf hun begrafenis. Ook dreef hij in Dokkum een vlashandel en overleed daar in 1627 op de leeftijd van 41 jaar. Deze dichter heeft ons veel nagelaten.

Hij gaf ons christelijke dlchtkunst!
En veel geciteerd vers van hem luidt:
Daar moet veel strijd gestreden sijn;
Veel kruys en leeds geleden zijn;
Daar moeten heyl'ge reden zijn;
Een nauwen weg betreden zijn;
En veel Gebeds gebeden zijn;
Zoo lang wij hier beneden zijn;
Zoo zal 't hierna in vreden zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's