Het Nieuwe Testament
De vreze des HEEREN (6)
Een enkele keer komt de uitdrukking 'de vreze des HEEREN' ook in het Nieuwe Testament voor. In Handelingen 9:31 heet het dat 'de gemeenten in Judea, Galilea en Samaria vrede hadden... wandelende in de vreze des HEEREN...' Het gehele leven en handelen werd gestempeld door de eerbiedige schroom voor de Heere God. Die gemeenten leefden niet in de vreze maar zij wandelden er zelfs in. Zij maakten dus vorderingen in de geestelijke en ware dienst van God. En het woord wandelen roept ook het beeld van de pelgrimage op, beter gezegd dat van het pelgrimerend Godsvolk, dat vermaand en vertroost wordt.
Mogelijk moeten we ook bij de woorden 'wetende de schrik des Heeren, fobos thou theou', in 2 Korinthe 5:11 allereerst denken aan de uitdrukking 'vreze des HEEREN', het kinderlijk ontzag voor de majesteitelijke en heerlijke God. Wel speelt het motief van de rechterstoel, zie vs. 10, mee.
De Godvrezenden
Opmerkelijk is dat de apostel Paulus op zijn zendingsreizen niet alleen joden of jodengenoten heeft ontmoet, maar ook Godvrezenden. Reeds in Handelingen 10 wordt Cornelius tot hen gerekend. Verder komt in 'dit zendingsboek van de christelijke gemeente' ook o.a. Lydia voor en anderen.
Zulk een Godvrezende staat eigenlijk op de grens van het jodendom. Misschien houdt zo iemand zich wel aan de joodse wetgeving, maar een echte jood is hij nog niet, immers, hij heeft zich niet laten besnijden! Wanneer Cornelius ook tot deze groep behoorde, wordt hij nochtans door Petrus een heiden geheten, die met anderen tot bekering was gekomen Handelingen 11 : 1 en 15:7).
Overigens had Petrus een visioen nodig eer hij bereid was deze Cornelius het Evangelie te verkondigen! Je vraagt je af of het 'marsbevel' van koning Jezus aan zijn discipelen om overal van Hem te getuigen (Mattheüs 28 : 19 en Handelingen 1 : 8) wel verstaan werd. Wat een traagheid bij hen om buiten Israël te prediken. Wijlen ds. J. de Lange zei eens 'God heeft eigenlijk het evangelie onder hun jas en armen vandaan gehaald'. Petrus kwam ten huize van Cornelius overigens nog niet eens bij een pure heiden over de vloer. Zijn prediking voor en ontmoeting met hem bleek een soort doorbraak te zijn voor de Jeruzalemse gemeente, die Petrus nog uitvoerig heeft moeten toelichten en verdedigen ook, (Handelingen 1:11 vv.).
De Godvrezenden in het vizier
Is de Heere de God van Israël, dan wil dat niet zeggen dat Hij Zich tot dat volk beperkt. Petrus wijst er in zijn toespraak met grote nadruk op dat onder elk volk Hem aangenaam is die Hem vreest en gerechtigheid werkt (Handelingen 10 : 35). Daarmee maakt hij duidelijk dat God de heiden die met Hem rekent niet voorbijgaat en niet verwerpt. Of Petrus daarmee nog niet het volle licht en zicht heeft op de gang van het Woord door de wereld en de vaart van het zendingsevangelie onder de volken, is te bediscussiëren. Voorlopig schijnt hij alleen nog maar in het vizier te hebben de godvrezende onbesnedenen. Doordat zij in aanraking zijn gekomen met de God van Israël en Israël zelf zijn ze bijkans in beginsel al toegebracht. Sommigen zijn van mening dat Petrus in Handelingen 10 : 35 in zijn gedachten en in zijn hart heeft Jesaja 56 : 6, waar ook de vreemden worden genoemd, die verheugd zullen worden in Gods bedehuis.
Het heeft er veel van weg dat God Zelf langzamerhand de kring steeds wijder trekt. Van Israël uit gaat het woord der verzoening tot 'godvrezende buitenstaanders' en dan tot de heidenen.
Wanneer de boodschap die Petrus verkondigt in het geloof aangenomen wordt en zelfs de Heilige Geest op Cornelius en de zijnen valt, vervalt de noodzaak van de besnijdenis voor hen. In de gemeente van de Heere Jezus zullen in apostolische tijden en ook daarna besnedenen en onbesnedenen zich bevinden. Wel wordt aan hen de doop bediend. Maar beslissend voor het-al-of-niet-behoren bij de christelijke gemeente is het geloof in de Heere Jezus.
Eenzelfde gang vinden we ook later bij Lydia, op de prediking van Paulus toegebracht. Ook zij diende daarvoor God reeds, ook zij mag dus tot de kring van de Godvrezenden worden gerekend. Evenals Cornelius wordt ook zij gedoopt met die deel uitmaakten van haar huis(gezin). Paulus heeft ook Lydia de besnijdenis niet opgelegd en had er geen bezwaar tegen inwoning bij haar te genieten tijdens zijn verblijf in Filippi (Handelingen 16 : 13 en 14).
Dat hij eerder wel overging tot de besnijdenis van Timotheüs (Handelingen 16 : 1), gebeurde niet omdat hij daaraan heils(historische) betekenis toekende, maar alleen uit overwegingen van strategie in de zending. Voor de Evangelieverkondiging onder de joden te preken zou een onbesnedene een te grote verhindering zijn geweest. Met dit laatste artikel rond ik de serie over de vreze des HEEREN af met dank voor uw/jouw welwillende aandacht en met de hoop stof tot nadenken en gesprek te hebben gegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's