Het ruisen van de Libanon (2)
Waar en hoe het begon
De opwekking in Bleskensgraaf in 1752 behoort tot een grotere beweging en moet voor een goed verstaan gezien worden als een deel van dat geheel. Deze beweging is ontstaan in Nijkerk in 1749. Predikant was daar in die tijd Gerardus Kuypers.
Gerardus Kuypers
Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn om in een artikel over de opwekking in Bleskensgraaf veel aandacht te schenken aan de Nijkerkse beroerten en de predikant wiens naam daarmee onlosmakelijk verbonden is. Maar voor een goed verstaan van de beweging die ook Bleskensgraaf bereikte, is het nodig enkele dingen van die predikant en het gebeuren in Nijkerk te weten.
Gerardus Kuypers was op de Leidse universiteit een veelbelovend theologisch student. De Leidse hoogleraar Joan van den Honert was bijzonder met hem ingenomen. Gaandeweg ontwikkelde Kuypers zich tot een bekwaam theoloog die zich vooral specialiseerde in de Semitische talen. Hij sluit zijn studie af met een disputatie over de verklaring van een aantal oudtestamentische teksten aan de hand van die talen. Zijn eerste publicatie was de vertaling en verklaring van een aantal Arabische gedichten. Terecht werd Kuypers dan ook in 1765 in Groningen tot hoogleraar aan de theologische faculteit benoemd. Uit deze feiten blijkt dat de man wiens naam verbonden is met de opwekking in Nijkerk in 1749, een beweging die zijn invloed zou uitoefenen in meer dan vijftig andere plaatsen in ons land, '... geen vrome oefenaar was of een derderangs theoloog, maar iemand die op wetenschappelijke gebied' zijn sporen had verdiend'.
In 1745 werd Kuypers benoemd tot hulpprediker in Amsterdam naast een predikant met piëtistische inslag die invloed op hem heeft gehad. Hij preekte regelmatig en deed dat zo indringend dat er tijdens diensten waarin hij voorgaat wonderlijke dingen gebeuren. Onder de indruk van de prediking kwam het herhaaldelijk voor dat mensen in tranen uitbarstten of hun emotie niet konden bedwingen en hardop God aanriepen om genade. Meer dan eens moest de hulpprediker zijn preek onderbreken om de koster de gelegenheid te geven zulke mensen uit de kerk te leiden.
Tijdens zijn Amsterdamse periode zien wij dus al een voorspel van wat Kuypers later in Nijkerk zal beleven.
Invloed uit Schotland
Andere invloed op Kuypers komt van de kant van het Engelse methodisme. De Schotse predikant in Rotterdam, Hugh Kennedy, gaf in Nederland bekendheid aan de revivals in Schotland die waren ontstaan als vrucht op de prediking van Wesley en Whitefield. Op verzoek van de gebroeders Erskine hadden zij in 1742 tijdens een grote evangelisatiecampagne voor wel 30.000 mensen gesproken. Kennedy, een vurig prediker met een bevindelijke inslag, gaf een bewogen verslag van deze campagne en toonde aan hoe die geleid had tot opwekking in gemeenten in de buurt van Glasgow.
De verschijnselen waarmee deze opwekking gepaard ging, vertonen veel overeenkomst met wat later in Nederland gebeurde. Een prediking waarin werd aangedrongen op bekering vond aanvankelijk nauwelijks gehoor. Maar na de campagne van Wesley en Whitefield kwamen velen tot bekering. Predikanten waren tot diep in de nacht bezig bekommerden over hun zielenheil te troosten en onwetenden te onderwijzen. Mensen uit de verre omtrek werden door de beweging gegrepen. Regelmatig kwam het onder de prediking voor dat kerken vervuld waren van zuchten, snikken en roepen.
Ook in Schotland waren er die aanvankelijk sceptisch tegenover de beweging stonden. Maar later zagen zij er een werk van de Geest in omdat de opwekking gepaard ging met een aanmerkelijke verbetering van het leven van mensen die voorheen als dronkaards en vloekers bekend stonden.
Het verslag van Kennedy liet niet na op Kuypers grote indruk te maken. Hij meende dat zo'n opwekking in Nederland niet alleen nodig, maar ook mogelijk was. Zijn Amsterdamse ervaringen bevestigden hem in de laatste mening.
Nijkerk
Na in Amsterdam en Jutphaas te hebben gediend, vertrok Kuypers in 1749 naar Nijkerk. Tijdens een preek over Psalm 72 : 16 op zondag 9 november van dat jaar gebeurde waarop Kuypers had gehoopt. Bij vele kerkgangers ontstond grote verslagenheid. De indruk van hun zielennood leidde ertoe dat sommigen onwel werden.
Na de dienst had Kuypers tot diep in de nacht werk om verslagen mensen te troosten met de beloften van het Evangelie. De preek die Kuypers de volgende donderdag hield over de vraag van de stokbewaarder maakte nog meer indruk. Kuypers vergeleek de verslagenheid van zijn Nijkerkse mensen met die van de bekeerlingen op het Pinksterfeest. Wie 's avonds door de stille straten van Nijkerk ging, hoorde in plaats van het vroegere vloeken en tieren nu bidden en psalmen zingen. Die gehele volgende winter waren de herbergen leeg en de kerken te klein. Bijbels lagen op tafels waarop vroeger kaarten en dobbelstenen lagen. Haat en nijd maakten plaats voor onderlinge liefde en eenheid. Kortom: Nijkerk had een metamorfose ondergaan.
En Kuypers zelf? Hij bleef de dingen nuchter en zelfs kritisch bezien. Het zuchten en roepen van mensen op zichzelf was voor hem nog geen teken dat de Geest aan het werk was. Hij veroordeelde deze uitingen ook niet zonder meer, want hij begreep wel dat grote emoties hun uitwerking konden hebben op het lichaam, vooral bij wie emotioneel van aard was. Wel kon het gebeuren dat hij onder het preken al te emotionele mensen vermaande om wat rustiger te zijn. Uit zulke reacties rijst bepaald niet het beeld van een geestdrijver of mysticus.
Een jaar nadat zij begonnen waren, hielden de verschijnselen op, maar de geestelijke opwekking werkte door. Nijkerk werd van een dode tot een levende gemeente, waar het zedelijk leven op een behoorlijk peil stond.
Beroeringen in Bleskensgraaf
In maart 1752 (zo'n tweeëneenhalf jaar na aanvang van de beroeringen in Nijkerk) bereikte de opwekkingsbeweging Bleskensgraaf.
De man die ervoor gezorgd heeft dat de gebeurtenissen in Bleskensgraaf voor het nageslacht bewaard zijn, is Jacobus Groenewegen, oefenaar in Werkendam. Nadat vanuit Nijkerk de beweging zich had verspreid over een aantal plaatsen in de Achterhoek, de Veluwe en het Gooi bereikte de beweging in het jaar 1751 Werkendam om het volgende jaar de Merwede over te steken en via Giessendam, Hardinxveld, Sliedrecht en Papendrecht Bleskensgraaf aan te doen. Andere plaatsen in de Alblasserwaard die werden aangedaan, waren Oud-Alblas, Alblasserdam en Streefkerk. Dankzij het geschiedschrijven van Groenewegen is naar verhouding vrij veel bekend over de opwekking in de Alblasserwaard, met name in Bleskensgraaf.
Nadat de Werkendamse oefenaar uitvoerig aandacht heeft geschonken aan de beroeringen die de opwekking in Werkendam met zich meebracht, vervolgt hij: 'Zoo heeft God op een ontsachelyke wyse, zyn hand gelegt aan het Volk in de alblasserwaart, gelyk reeds Wereldkundig is. Laten wy eens kortelyk verhalen, hoe het op Blesgraaf is begonnen in de maand Maart 1752, de inwoonderen van die plaats sullen wel lyden willen, dat ik tot haar vernedering, en roem van Gods genade vooraf zeg, dat zy in godloosheid onder alle de inwoonderen des Lands uytmuntede, dat een zeer groot getal Sondagsavonds en 's nagts doorbragten in de herbergen, met drinken, vloeken, raasen, tieren en vegten, dat men daar omtrent niet gerust kon slapen, dat zelfde volk werpt zig nu als doodschuldige voor de God van Hemel en aarde neder, en dat ook vele (dog niet alle) met die lichaams aandoening'.
Het begon op de dorpsschool. Op donderdag 2 maart 1752 begonnen de schoolkinderen 'op een extraordinaire wys aan 't schreie [...] over hun sonden'. Zij riepen God om verlossing aan 'met een ernst en kragt van taal, daar geoeffende leeraars en alle die het hoorden verbaast over stonden en zeer van doortroffen wierden'.
Groenewegen beschrijft hoe binnen twee dagen een groot deel van de Bleskensgraafse inwoners de situatie op school was gaan bezien en er zodanig van onder de indruk raakten dat zij 'in ernstige overtuyging van haar [eigen] verlore staat' geraakten.
Op zondagavond 5 maart werden de gezelschappen druk bezocht 'en daar was onder het volk [...] een extraordinair rouwklagen, bidden, schreijen en weenen over hun onbekeerde staat'.
De kerkdienst van zondag 12 maart vormde een climax. In deze dienst vonden 'op ontsachelyke wyse' allerlei 'lichaams aandoeninge' plaats. Van Meeteren weet te melden dat deze aandoeningen gepaard gingen met een snelle polsslag, een blozend gelaat en een opvallende gevoelloosheid voor prikkels van buitenaf. Zowel mannen, vrouwen als kinderen wrongen hun handen, vielen op de grond en vertoonden bewegingen die op stuiptrekkingen leken. Hun zielsbenauwdheid uitten zij in het luid schreien en uitroepen: 'Weg Duivel, weg, weg; ik heb u lang genoeg gediend, ik moet den Heere Jezus hebben'. Dit gebeurde in de school, op gezelschappen en in kerkdiensten en duurde doorgaans één uur of twee. Meestal hielden zij even snel op als zij begonnen waren.
Groenewegen maakt verschil tussen de mate van aandoening. Wie door moedeloosheid en een wettisch gevoel van zonden getroffen werd, werd sterker aangevochten dan iemand met een gevoelige liefde tot Jezus. De waarlijk bekeerden (kennelijk werd niet iedereen die getroffen werd door dergelijke aandoeningen gerekend tot de waarlijk bekeerden) ontvingen, volgens Groenewegen, na verloop van tijd 'zulke geloofskragt [...] dat zy het volkomen op Jesus durfde [te] wagen'.
Verloop
Wij weten niet precies hoe lang de geestelijke beroeringen zich in Bleskensgraaf hebben voorgedaan. In Nijkerk en Aalten duurde de beweging ongeveer een jaar, in Werkendam minstens een half jaar. In Bleskensgraaf moeten wij ook minstens aan een periode van een half jaar denken. Want ds. Levinus Haak, die destijds de gemeente diende, kan bij de catechisaties die in oktober 1752 begonnen, in tegenstelling tot de tien voorgaande jaren, 'een aensienlijk getal' catechisanten inschrijven.
Bij gebrek aan archiefmateriaal is ook geen juist beeld te vormen van het verloop en de uitwerking van de opwekking. Al mogen wij gezien de mate van overeenkomst met wat in Nijkerk en andere plaatsen gebeurde én volgde ten aanzien van de opwekking van Bleskensgraaf aannemen dat iets dergelijks als in Nijkerk ook in Bleskensgraaf heeft plaatsgevonden. Van Hardinxveld en Giessendam, waar de beweging een maand eerder dan in Bleskensgraaf begint, maar overigens een vergelijkbare uitwerking heeft, is bekend dat de herbergen verlaten waren en dat iemand op doorreis, die in één van die herbergen wat wilde gebruiken, er alleen de waardin aantrof met de Bijbel op schoot. Zij begon hem over haar verloren staat te vertellen en vermaande onze reiziger zich te bekeren. En in het notulenboek van de gemeente van Giessendam wordt bij de vergadering van 9 april 1753 aangetekend dat er niemand van de lidmaten in ergerlijke zonden leeft. Zouden zulke dingen in Bleskensgraaf, gelegen op slechts 10 kilometer afstand van Giessendam, ook niet gebeurd kuimen zijn?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's