De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het ruisen van de Libanon (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het ruisen van de Libanon (3)

13 minuten leestijd

Verschillende vraagstelling

Verschillende vraagstelling Een maatschappijhistoricus' zal hetzelfde verschijnsel anders benaderen dan een theoloog, c.q. kerkhistoricus. Is de laatste vooral geïnteresseerd in de kerkelijke en geestelijke oorzaken en gevolgen van bepaalde gebeurtenissen, de eerste wil vooral antwoord zien te vinden op de vraag waarom een bepaald verschijnsel zich heeft voorgedaan op de plaats waar het zich heeft voorgedaan. Om concreet te worden: wat is de oorzaak dat de opwekkingsbeweging, in Nijkerk begonnen, zijn invloed uitgeoefend heeft op een aantal met name genoemde plaatsen, ruim vijftig bij elkaar, en dan vooral dat ene dorp dat zijn speciale aandacht heeft, in het geval van Van Meeterens studie, Bleskensgraaf. Kort gezegd was dat de opdracht waarvoor Aries van Meeteren zichzelf geplaatst zag. Uiteraard behoeven en mogen zelfs beide manieren van benadering van eenzelfde verschijnsel niet tegen elkaar worden uitgespeeld. In Zijn leiding van de dingen werkt God vaak middellijkerwijs. Zo kunnen allerlei dingen voor een kleiner of groter deel verklaard worden uit (mogelijke) oorzaken die tot bepaalde gevolgen hebben geleid. Maar het verschil in benadering is toch dat de maatschappijhistoricus vooral naar een verklaring van onderaf zoekt, terwijl de kerkhistoricus ook ruimte biedt voor verklaring van bovenaf. Zonder deze twee benaderingswijzen tegen elkaar uit te spelen, ligt hier het verschil tussen een kerkhistorische en een maatschappijhistorische benadering van de opwelddng in Bleskensgraaf in 1752. U begrijpt dat de laatstgenoemde benadering is terug te vinden in Het ruysschen als de Libanon.

Kip of ei?

Van Meeteren gaat op zoek naar de vraag waarom na Nijkerk een aantal plaatsen door de Nijkerkse beweging worden beïnvloed. Vrijwel al deze plaatsen ('hoofdzakelijk agrarische dorpsgemeenschappen') liggen in een geografische zone tussen de Zeeuwse eilanden en de kop van Overijssel (...), de 'protestantenband', het zogenaamd... orthodoxe middengebied tussen het relatief vrijzinnige noorden van Nederland en de zuidelijke katholieke regio's, dat (...) voor vijfenzeventig tot honderd procent bestaat uit rechtzinnig-protestantse gezindten met een doorgaans op 'ondervinding' gestelde beleving van het geloof. Een mogelijke verklaring van de beroeringen lijkt dan ook te moeten beginnen bij het orthodoxe karakter van de getroffen plaatsen. Of is, omgekeerd, de rechtzinnigheid van de protestantenbond juist een gevolg van de geestelijke opwekking (...)? ' In deze 'kip-of-ei' discussie kiest Van Meeteren voor de hypothese dat de kerkelijke orthodoxie en de geestelijke beroeringen zowel gemeenschappelijke als eigen wortels hebben. De beroeringen werden in vrijwel alle getroffen plaatsen religieus geïnterpreteerd en verbonden met schuldbesef en wedergeboorte. Daarbij kan het, volgens Van Meeteren, geen toe­ val zijn dat vrijwel alle getroffen dorpen in de al eerder genoemde religieuze zone liggen, die vanuit het noordoosten in zuidwestelijke richting dwars over ons land loopt. Volgens de opvatting van Van Meeteren moeten de (gezamenlijke) wortels van orthodoxie en opwekking gezocht worden in de plaatselijke dorpsgemeenschappen met hun couleur locale, samengesteld van het palet van historische, culturele, sociale, economische en sociaalpsychologische factoren. 'Immers, het lokale geheel van omstandigheden zal moeten uitwijzen waarom een bepaald dorp of gebied wel en een ander geen orthodoxe inslag heeft gekregen en waarom een plaats al of niet werd getroffen door de beroeringen. Elke gemeenschap bezit een uniek sociaal systeem.'

Algemene verklaringsmodellen

Vanzelf is er tussen de ruim vijftig door de Nijkerkse beweging beïnvloede dorpsgemeenschappen een aantal overeenkomsten te ontdekken. Die (vrijwel) overal aangetroffen factoren hebben geleid tot enkele algemene verklaringsmodellen zoals (1) de persoonlijke uitstraling van geestelijke leiders, (2) de ongunstige natuurlijke omstandigheden die oorzaak waren van natuurrampen waardoor de bevolking, zich machteloos voelend tegenover een overmachtige natuur, tot lijdelijkheid was gebracht en zo open stond voor boetepredikers met een boodschap van zonde en schuld. Zulke algemene verklaringsmodellen hebben, aldus Van Meeteren, het bezwaar dat weinig recht wordt gedaan aan het unieke van iedere dorpsgemeenschap. Op een aantal vragen (1. Waarom werden alleen de ruim vijftig dorpen getroffen? 2. Waarom speelden de beroeringen zich af in het midden van de achttiende eeuw? 3. Waarom verliep de beweging zoals ze verlopen is en hoe zijn de uitingsvormen te verklaren? ) kan alleen maar antwoord gegeven worden door 'een multidisciplinair onderzoek op lokaal niveau.' Daarbij wordt een dorpsgemeenschap van die bepaalde tijd gehouden tegen het licht van elk van de al eerder genoemde factoren.

Toegepast op de Alblasserwaard/Bleskensgraaf

Achtereenvolgens houdt Van Meeteren het Bleskensgraaf uit het midden van de achttiende eeuw tegen het licht van een aantal algemene verklaringsmodellen. Dat levert interessante gegevens op. De rampentheprie legt alle nadruk op de overstromingen die de Alblasserwaard in de loop van de eeuwen vele malen (tussen 1260 en 1953 veertig keer!) hebben getroffen. Uit het vijftien pagina's tellend gedicht van de Bleskensgraafse predikant Jacobus Lydius (1610-1679) naar aanleiding van de watersnood van 1658 en 1659 blijkt hoe deze rampen als oordelen werden gezien over de volkszonden van de Alblasserwaarder, maar ook hoe men in die rampen de roepstem van God tot bekering van diezelfde bewoners van het gebied tussen Lek en Merwede hoorde. De voortdurend terugkerende natuurrampen zouden mede een oorzaak (kunnen) zijn geweest van de (vroege) invloed die Reformatie en later Nadere Reformatie in de Alblasserwaard hebben gehad. 'Ook de verdere penetratie van het calvinisme in de Alblasserwaard lijkt te zijn geholpen door het natuurgeweld in de streek. Predikers, zowel de vaste voorgangers als rondtrekkende lekendienaars, wezen namelijk in tijden van nood voortdurend op de zonden der bedreigde Waardbewoners als oorzaak van de rampspoed. Zodoende slaagden zij er op den duur in niet alleen de kerk te hervormen, maar ook het dagelijks leven van de gelovigen te beïnvloeden.' De prediking van de Nadere Reformatie met name zou ook invloed gehad hebben op een bepaalde orthodoxe vorming van de streek. Want in die prediking 'werd de mens geheel teruggeworpen op zichzelf in een lijdzaam afwachten van de tekenen der wedergeboorte' zo stelt Van Meeteren, een stelling waarop wel iets valt af te dingen door wie enigszins op de hoogte is met de Nadere Reformatie. De schrijver ontdekte verder dat de Alblasserwaard een bloeiend gezelschapsleven heeft gehad en dat oefenaars en catechiseermeesters daarin veel invloed hebben uitgeoefend. Deze aldus geleide conventikels hebben mede hun invloed gehad op de orthodoxie van de regio. Door deze en nog andere oorzaken was de streek als het ware gepredisponeerd om te geraken onder invloed van het Nieuwkerkse werk, zoals de Nijkerkse beweging in die tijd werd genoemd.

Een reeks gebeurtenissen

Veel van de genoemde factoren kunnen direct in verband gebracht worden met het ontstaan van deze beweging in de Alblasserwaard en ook in Bleskensgraaf. In 1741/1742 was er een grote overstroming.
Toen men de schade van deze waterramp (één van de zwaarste uit de geschiedenis van de Ablasserwaard) enigszins te boven begon te komen, kwam de Waard in 1744 opnieuw onder water te staan en al was de schade van deze overstroming minder groot dan drie jaar tevoren, het moet de Waardbewoners heel wat schrik hebben bezorgd. In hetzelfde jaar brak er, door gebrek aan voldoende veevoeder als gevolg van de overstromingen, veepest uit. Een geweldige slachting onder de Alblasserwaardse runderen was het gevolg. Bijna tweederde van de veestapel ging verloren. Al deze rampspoeden maakten de mensen vatbaar voor een boete- en oordeelsprediking en daarmee gepaard gaande oproep tot bekering. Dan breekt in 1747 een pachtersoproer uit in de Alblasserwaard waarbij ook de Bleskensgraafse bevolking is betrokken. Dit oproer, dat moet gezien worden als reactie op de vele belastingen door hogere en lagere overheden opgelegd in een tijd dat (vrijwel) ieder de wonden van overstromingen en veepest likte, werd neergeslagen. De belastingen bleven hoog en de achterstallige betalingen werden ingevorderd. Duidelijk is wel dat er iets broedde. De algemene onvrede (Van Meeteren spreekt van stress) zocht een uitweg. Weinig is nodig om de emmer te laten overlopen. De bekende druppel is de beweging die vanuit Nijkerk via Werkendam de Alblasserwaard en ook Bleskensgraaf bereikt.

Voor en tegen

Van Meeteren schenkt aandacht aan tegenstemmen die ook in of nabij de Alblasserwaard te beluisteren vielen en vervolgens ook aan de relatie tot de Nijkerkse beroering en het Schotse revival. Ten aanzien van de eerste beweging acht hij invloed evident, beïnvloeding door het Schotse revival noemt hij wishful thinking: 'iedere systematische poging tot het leggen van een relatie tussen de twee landen, hoe verleidelijk soms, gaat immers mank op een gebrek aan bewijskracht.' Als het gaat om de persoonlijke uitstraling van geestelijke leiders maken wij kennis met het oordeel van vroegere historici over bijvoorbeeld Kuypers ('Behalve een grote mate van geleerdheid, bezat hij eene buitegemeen rijke gave van welsprekendheid, (...) die op de gemoederen dermate werkte, dat er in dezelve (Nijkerkse bevolking) welhaast een groote en zeer hevige beroering gehoord en gezien werd.' Verder komt Jacobus Groenewegen, de oefenaar van Werkendam voor het licht. Hij heeft ongetwijfeld een centrale rol gespeeld in de Werkendamse en Alblasserwaardse beroeringen. Als de Giessendamse predikant Artus Koppiers zijn duidelijke afkeer van de beroering in Giessendam laat blijken tijdens zijn catechisatie van 9 februari 1752 (in Giessendam begon de beweging een maand eerder dan in Bleskensgraaf) staat de oefenaar uit Werkendam de volgende dag al bij Koppiers op de stoep. Er ontstaat in de Giessendamse pastorie een levendige, om niet te zeggen felle discussie tussen deze voor-en tegenstander van de beweging. Uit het feit dat Groenewegen bij de zeer beperkte communicatiemiddelen van die tijd zo snel van de kritiek van de Giessendamse predikant op de hoogte was en zich om die reden bij hem meldde, mag worden afgeleid dat hij zich de kritiek persoonlijk heeft aangetrokken. Daaruit blijkt dat hij zich zó met de beweging verbonden wist dat hij zich geroepen voelde zichzelf en de beweging persoonlijk tegenover de predikant te verdedigen, welke verdediging nadien schriftelijk werd voortgezet.

Geen afdoende verklaring

Nadat hij de verschillende verklaringsmodellen in relatie heeft gebracht tot de Alblasserwaard en Bleskensgraaf, moet Van Meeteren concluderen dat zij geen van alle bevredigende antwoorden geven op de drie al eerder gestelde vragen (1. Waarom werden alleen de ruim vijftig dorpen getroffen? 2. Waarom speelden de beroeringen zich af in het midden van de achttiende eeuw? 3. Waarom verliep de beweging zoals ze verlopen is en hoe zijn de uitingsvormen te verklaren? ). Ook de voor de opwekking aangedragen biochemische verklaring van het moederkoren (een schimmel in het vruchtbeginsel van jonge rogge, die zich als gevolg van een natte zomer ontwikkelde tot zwammen met een geestverruimende stof; deze zwammen liet men bij de oogst en het verwerken ervan tussen de rogge zitten met alle gevolgen van dien) verklaart niet waarom de beroering in die vijftig plaatsen is gesignaleerd en niet in andere plaatsen waar het roggebrood ook het volksvoedsel vormde.

De sociaal-psychologische benadering

Tenslotte vindt de jonge maatschappijhistoricus in de sociale psychologie een aannemelijke verklaring voor de opwekking in de Alblasserwaard, in casu Bleskens­ graaf. Andere factoren hebben bij die beweging ook een rol gespeeld, maar niet alleen. Zijn bezwaar tegen algemene verklaringsmodellen is dat zij te veel uitgaan van één aspect. Het gaat echter om een combinatie van factoren, die wel vaker onafhankelijk van elkaar optreden. Maar die als ze op een bepaalde plaats, in een bepaalde tijd en in een bepaalde verhouding tot elkaar komen te staan een beroering als in Bleskensgraaf mogelijk maakten. In dit samenstel van factoren, die in een bepaalde tijd en plaats kunnen optreden, vormen de in de rampenthese zo sterk benadrukte overstromingen slecht één factor. Te denken valt aan de kommervolle tijden die voor Bleskensgraaf aanbraken na de zware overstroming van 1741/1742 en de minder zware van 1744, meteen gevolgd door het uitbreken van de veepest die ongeveer tweederde van de veestapel verloren deed gaan. De belastingen waren in de gegeven omstandigheden (te) hoog, getuige het pachtersoproer dat ook in Bleskensgraaf het volk te hoop deed lopen, maar dat de kop in werd gedrukt en geen fiscale verlichting bracht. Op die manier vond de gemeenschappelijke stress geen uitweg. Andere uitlaatkleppen gingen ook steeds meer dicht. Daarbij valt te denken aan cafébezoek, volksspelen en kermissen. Dergelijke vormen van vermaak konden steevast rekenen op veroordeling van kerkelijke zijde, terwijl met sancties werden bedreigd die in dergelijke zonden volhardden. De boeteprediking van vooral op godsdienstig gebied leidinggevende personen wees de mensen keer op keer op hun zondige staat. Rond de jaren vijftig van de achttiende eeuw keert de rust weer. Er zijn geen overstromingen, de veestapel begint zich te herstellen. Er zijn geen externe factoren die de aandacht afleiden. De stress van alle voorgaande rampen is intussen nog volop aanwezig. Er heerst een algemeen gevoel van onbehagen dat men echter niet weet te duiden omdat daarvoor geen direct aanwijsbare factoren aanwezig zijn. In die situatie is er weinig nodig om de bom te laten barsten. De invloed van de Nijkerkse beroering in de Alblasserwaard is de druppel die de emmer doet overlopen. Geestelijke opinieleiders met een grote uitstraling op de massa, zoals Jacobus Groenewegen, weten zo'n verschijnsel godsdienstig te duiden. De ingehamerde indrukken van zondigheid en strafwaardigheid, de prediking in de kerken en de gesprekken op de gezelschappen dragen er het hunne toe bij. Zo zou te verklaren zijn waarom de Nijkerkse beroering in de Alblasserwaard, i.c. Bleskensgraaf invloed kon uitoefenen. Dat is in grove lijnen de sociaal-psychologische verklaring die Van Meeteren aandraagt ter completering van de algemene verklaringsmodellen.

Vragen

De vraag rijst of de door Van Meeteren op de Bleskensgraafse opwekking toegepaste sociaal-psychologische verklaring ook van toepassing is op elke andere van de vijftig door de Nijkerkse beroering beïnvloede plaatsen. We mogen de verklaring wel niet zoeken in algemene verklaringsmodellen, maar feit is wel dat de beweging in alle genoemde plaatsen veel van hetzelfde is in oorzaak en gevolg. Ongetwijfeld levert Van Meeteren in zijn studie veel waardevol materiaal aan dat inzicht verschaft over hoe bewegingen als de opwekking in Bleskensgraaf konden ontstaan. Daarvoor zijn wij hem dankbaar en met het resultaat, zijn eerste proeve van bekwaamheid, willen wij hem van harte gelukwensen. In het licht van het uiterst gebrekkige archiefmateriaal heeft hij bijna het maximale aan gegevens weten te achterhalen. Dat verraadt in hem de (maatschappij )historicus. Als iemand van die professie mogen wij hem niet voor het tribunaal van de theologische discipline ter verantwoording roepen. Maar hoeveel voordeel de theoloog/kerkhistoricus kan en zal doen met een maatschappijhistorische analyse zoals de studie van Van Meeteren biedt, hij zal toch niet geheel bevredigd zijn met de antwoorden die daarin worden gegeven. Terzake van de opwekking in Bleskensgraaf of een andere plaats blijft de vraag of een relatie tussen het Schotse revival en de beweging die in Nijkerk begon en daarna als een lopend vuurtje door ons land ging berust op wishful thinking'? Wordt het niet hoog tijd om onderzoek te doen naar een mogelijk verband met het Schotse revival? Tenslotte: als we mogen aannemen dat de historicus de lijnen probeert aan te wijzen die Gods vinger in de tijd heeft geschreven, mag er ook ruimte zijn voor het wonder. Wonderen laten zich echter niet verklaren. God die wonderen werkt, kan en wil gebruik maken van allerlei middelen, factoren zoals door Van Meeteren en anderen aangedragen. Binnen een kader dat ruimte wil laten voor het wonder, kan de maatschappijhistorie, als zij zich met godsdienstige verschijnselen inlaat, dienst doen als ancilla theologiae: dienstmaagd van de theologie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het ruisen van de Libanon (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's