Globaal bekeken
Bij uitgeverij Meinema te Zoetermeer verscheen een boekje, getiteld 'Het Réveil in druk', een catalogus over de fondsen van de Amsterdamse uitgevers van het Réveil in de vorige eeuw. In dit boekje wordt ook aandacht gegeven aan 'Neerbosch' Zangen' van de gelijknamige weesinrichting, in totaal vijf jaargangen met enkele honderden liederen, samengesteld door C. S. Adama van Scheltema en A. Sneep. Onder het kopje 'Optimisme' wordt hierover het volgende geschreven:
'Het meest opvallende in vele liederen en ook in het voorwoord van menige liedbundel is de toon van optimisme. De mens kan bekeerd worden en de maatschappij veranderd! En het lied is een krachtig middel daarbij. Het lied kan de jeugd "wapenen tegen dien geest van onverschilligheid, bitterheid, ongevoeligheid en moedeloosheid', die zij in allerlei vormen vroeger of later zal ontmoeten! Dat in die ure, ook door den goeden geest onzer liederen, hunne ziel het betere hebbe leren kennen, en zich afwende, omdat zij het betere liefheeft".
Ook de kerk zou door nieuw elan gaan bloeien, daarvan was men overtuigd. Een prachtig vers uit één van de bundels van Adama van Scheltema is "De Modelkerk":
'k Ben heden, vrouw, ter kerk geweest
En 't deed mijn harte goed,
Dat 'k niet daar, dan wat stichten kon,
Heb als voorheen ontmoet.
't Gebouw was fraaier ingericht,
Maar niet met ijdle pracht.
En liefde had op elks belang
Met trouwe zorg gedacht.
De koster wees niet bits mij af
Om mijn zoo schamel kleed.
Neen, voor mij, oude, doove man
Was hij terstond gereed.
Hij leidde door de schaar mij heen:
"Hier zult gij goed verstaan ",
Zei hij, en wees dicht bij 't gestoelt'
Een beste plaats mij aan.
En 't zingen, vrouw, was in den toon
Van onzen jongen tijd.
De leeraar sprak: "Zingt allen meê,
Zingt in uw God verblijd."
De wijs was oud, vol heilgen klank.
Elk zong met vollen toon,
En 't klonk mij als der Englen lied
Voor Koning Jezus troon.
Mijn doofheid was geen hinder mij,
Ik kende wijs en maat.
En zwak en bevend zong ik meê
Van 't heil van Vaders raad, ...
Haast, moeder, daalt voor ons de nacht;
Wacht ons de Sabbatsrust,
Der englen deel, der Englen lied
Aan de eeuwge levenskust.
Voor Adama van Scheltema was het lied bijna belangrijker dan de preek. In het voorwoord van de eerste druk van de bloemlezing uit Neerbosch' Zangen schrijft hij (en zijn woorden hebben nog niets van hun actualiteit verloren!): "... hoe zou het der gemeentegodsdienstoefening ten goede komen, als niet het gezang zooveel mogelijk werd bekort, om gebeden en preek verre boven een behoorlijke maat te rekken! Hoe menige gemeente wordt zoo bij eigen werkeloosheid dood gepreekt, terwijl zelfs een minder begaafde voorganger met rijken zegen zou arbeiden, als hij der gemeente niet belette door een met liefde beoefend gezang zichzelve op te bouwen in haar allerheiligst geloof. Bij liefde voor het gezang zou ook door vakature als anderszins de godsdienstoefening niet behoeven stil te staan, daar lichtelijk of de leider van den zang of eenig ander gemeentelid met gebed en voorlezing der Schrift aan het samenzijn de kerkelijke wijding kon geven".'
In het tweede deel van 'De geschiedenis van Dordt (1572-1813)', uitgave Verloren, Hilversum, is een hoofdstuk gewijd aan 'Muziekleven'. Hieruit het volgende over de zeventiende eeuw:
'Had het orgel in de voor-reformatorische tijd een omvangrijke taak in de eredienst, sinds 1574 was het liturgisch orgelspel door de provinciale synode te Dordrecht verboden. In de Nederlandse calvinistische kerken werd geen orgel meer gehoord. In Dordrecht zelf kwam men spoedig ten dele van dit besluit terug. Al in 1579 werd voor en na de predikatie het orgel van de Augustijnenkerk weer gebruikt. Organist was Gherrit van Grippe. In 1590 wordt voor het eerst melding gemaakt van een organist in de Grote Kerk, Adriaen Servaeszoon. De gemeentezang bleef voorlopig onbegeleid. Men zong de psalmen van Datheen en deze klonken met de dag erbarmelijker. In de loop van de zeventiende eeuw werden in heel de republiek pogingen ondernomen om ten behoeve van het zingen het orgel weer in de dienst in te voeren. In Dordrecht vroeg de kerkenraad de burgemeester of hij oock niet stichtelyck ende oirbaerlyc soude achten het gebruyck der orgelen wederom te herstellen, ende onder het singen der psalmen te ghebruycken. En aangezien de burgemeester dit ook vond, werd Dordrecht in 1638 (na Leiden 1636) de tweede stad waar men het orgel tijdens de dienst weer in gebruik nam voor de begeleiding van de gemeentezang. Veel verbetering in het zingen bracht dit overigens niet. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw heeft men, ongetwijfeld aangemoedigd door de nieuwe psalmberijming van 1773, in verschillende plaatsen, waaronder ook Dordrecht, vruchtbare initiatieven ontplooid om de gemeentezang in betere banen te leiden.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's