De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De aankondiging

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De aankondiging

4 minuten leestijd

'En Maria zeide tot de Engel: oe zal dat wezen...' Lukas 1 : 34 'Zie, de dienstmaagd des HEÉREN, mij geschiede naar Uw woord.' Lukas 1 : 38

In dit waarschijnlijk weinig besproken Bijbelgedeelte gaat het om een tere zaak. Er zijn in het leven van iedere mens zaken, waarover hij met iedereen spreekt, maar ook zaken, waarover hij nauwelijks met iemand van gedachten wisselt, omdat hij die zaken al te intiem acht. En als hij die intimiteit liever van allerlei sluiers ontdoet, wat in onze tijd geen uitzondering is, is hij dan niet onbewust of misschien wel opzettelijk bezig wegen te banen en in te slaan, die met decadentie, degeneratie, met moreel en zedelijk verval kunnen worden gekenmerkt?

Over het gedeelte uit Lukas 1, waaruit bovenstaande Schriftwoorden zijn genomen, ligt een waas, niet van geheimzinnigheid in de eerste plaats, maar een waas van intimiteit, die met kiesheid dient te worden benaderd. In ieder geval is eerbied met voorzichtigheid te betrachten wanneer engelbegroeting en engelboodschap aan de orde komen.

Maria bevindt zich in haar woning. Aan niets is meer te zien, dat zij afstammelinge is uit een koningsgeslacht. Maria weet dat echter wel, zoals iedere Israëliet zich zijn afkomst bewust was, en is! Dat blijkt ook uit de bekende 'beschrijving van het volk', die we in het kerstevangelie, Lukas 2, onder keizer Augustus tegenkomen. Eigenlijk is het verlopen van die afstamming een trieste zaak, een bittere aangelegenheid voor Maria. Denk het u in: van koninklijke afkomst te zijn en, voor het oog althans, totaal aan lager wal geraakt te zijn! Kan een mens niet geprikkeld, opstandig, ja verbitterd worden? ! Doch dat dit bij Maria ook het geval was blijkt nergens uit, al was Maria zich die teruggang wel degelijk bewust. In de lofzang, die zijn in Lukas 1 verderop zingt, gewaagt zij dian ook van haar nederheid (niet haar nederigheid), die door de Heere is aangezien.

Van die Heere weet zij zich ook dienares, de dienstmaagd, doulè, slavin, maar uit dat woordgebruik valt ook op te maken, dat slavenarbeid, slavendienst, mogelijk haar bron van inkomsten, haar broodwinning was. En dan woont zij ook nog in Nazareth, waarvan de volksmond zeide: kan uit Nazareth iets goeds komen? ! Inderdaad, de profeet Jesaja heeft het door Gods ingeving goed gezien, voorzien, toen hij van de afgehouwen tronk van Isaï sprak. Zo'n tronk, wat valt daar nu nog van te verwachten? Afgehouwen, dat wil toch zeggen: nauwelijks nog hoop, die leven doet...

En in die weinig uitzicht biedende situatie is daar opeens die Engel, die tot Maria spreekt. Is dit niet schrikwekkend, deze gestalte? Betekent dit niet het levenseinde van Maria? Misschien kent u het schilderij waarop een engelfiguur staat afgebeeld, die zijn arm behoedzaam uitstrekt naar een hoogbejaarde gebogen vrouwengestalte om haar in haar laatste levensfase te begeleiden. Niets van schrik. Integendeel. Aldus bij Maria. Zij werd zeer ontroerd, zo lezen we. Uiteraard ook bevreesd, immers, de engel zegt: vrees niet. Was Maria dan toch door vrees bevangen, toch geschrokken? Nee, haar schrik, haar vrees was niet de angst van de mens op het verkeerde pad. De mens, van wie een dichtregel zegt, dat het kwade geweten reeds schrikt bij het ritselen van een vallend boomblad. Maria's vrees staat daarentegen geheel in het teken van de vreze des Heeren, het ontzag voor Gods' heiligheid en het 'Uw wil geschiede'. Vandaar dat Maria ontroerd raakt. Ze wist zich geen zondeloze, geen onbevlekt ontvangene. Was zij niet als ieder ander uit de aarde aards? En dan klinkt het 'Wees gegroet, Maria', gij begenadigde. Begenadigd. Allen dit woord al wijst erop, dat Maria niet zonder zonde was. Zondelozen zouden hèt zonder genade kunnen stellen. Is genade niet dit dat men van Godswege juist datgene ontvangt, wat men niet verdiend heeft! Dat van begenadigd en van genade gesproken wordt, wat hier bij Maria een zekere herhaling inhoudt, daar moeten wij niet over­ heen lezen. Herhalingen, waar dan ook in de Heilige Schrift, hebben dikwijls een accentuerende betekenis. Daar is in de bijbels-theologisch werken van de laatste decennia meermalen op gewezen. De genade, die onwederstandelijk is, komt van Boven, wordt ook in haar werking bee^'^'^"'-^kig wel met regen vergeleken; he komt een mens. Het is genade gena ontvangen. Een gift, een geschenk, z ^. een kind onverwacht ontvangt. 'Indien "> niet wordt als een kind, .. zegt de Heilanr* 'Hoe zal cJi^'-wezen.' Zal Maria deze woo. den niet gestameld hebben? Zij vraagt niet naar de gang va; i zaken, gezie, ; de grondtekst, maai-fiaar de stand van zaken. Welk een geloofsvertrouwen, welk een overgave! Mij geschiede naar Uw woord. Als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand vol eerbied stil. Dat moge in deze adventsweken ook onze instelling zijn, vol eerbied, de drie-enige Heere dankbar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De aankondiging

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's