De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Recht doen naar het Gebod

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Recht doen naar het Gebod

Verklaring van de Rechten van de Mens

9 minuten leestijd

op 10 december 1948 werd door de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aanvaard. Zo'n verklaring op zich staat er niet garant voor, dat de daarin geformuleerde rechten ook inderdaad worden nageleefd. Een dergelijke verklaring zou niet nodig zijn geweest wanneer de 'rechten en vrijheden' waarom het gaat overal zouden gelden. De Verklaring komt op voor:

'rechten en vrijheden... zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke aftomst, eigendom, geboorte of andere status' (art. 2). Uitgangspunt is, dat alle mensen 'vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren' (art. 1).

Het is zonneklaar dat de hier geformuleerde rechten alom in deze wereld worden geschonden. Deze Verklaring werd opgesteld kort nadat de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog een einde hadden genomen. Sindsdien echter hebben gelijksoortige gruwelen zich telkens weer in allerlei situaties in de wereld herhaald.

Humaniteit

Overheden zijn door God ingesteld om het kwaad te beteugelen en ervoor te waken, dat het onder de mensen met goede orde toegaat. Ook na het Paradijs zou het leven leefbaar worden gehouden. Dat heeft de Schepper van alle leven in Zijn goedheid de mensheid gelaten. En als zodanig zijn alle mensen voor God gelijk. Ze zijn allen uit Zijn scheppende hand voortgekomen. Zo bezien valt het onderscheid van taal, ras, cultuur, geslacht, nationaliteit of maatschappelijke afkomst weg.

In Zijn algemene goedheid en genade heeft God Zijn geboden gegeven om ook het leven tussen mensen mogelijk té maken, ondanks het feit, dat de mens zich van zijn Schepper afwendde en als God wilde zijn (Gen. 3). In dat licht mag ook worden gewaardeerd, dat een Verklaring als die van de Rechten van de Mens opkomt voor de humaniteit, de menselijkheid, voor de bescherming van het leven van mensen en volkeren. Ze is gegeven met wat overheden ten aanzien van hun onderdanen verplicht zijn te doen. De rechte humaniteit, de mede-menselijkheid, is niet aan humanisten voorbehouden. De Tien geboden bevatten behalve een Eerste tafel, waarin het direct gaat om het leven van de mens voor Gods Aangezicht, ook een tweede tafel, die het samenleven van mensen betreft; ongeacht taal, ras, geslacht en cultuur!

Gods recht

Als christenen belijden we in deze allereerst Gods recht op het leven. God heeft recht op Zijn schepping. Hij heeft recht op eerbied van Zijn schepselen. Elk schepsel Gods leeft van Zijn genade. Daarom zijn de rechten van de mens betrekkelijk. Wan­neer nochtans van menselijk recht wordt gesproken is dat aan Gods recht ondergeschikt.

Bij dit alles is onverminderd van kracht, dat God ook inderdaad recht tussen mensen wil. Gerechtigheid verhoogt een volk en zonde is de schandvlek van de natiën. Het gaat hier echter wel om de volgorde. De geboden (met een belofte!) benadrukken de roeping om recht te doen: gij zult en gij zult niét. Dat aspect is wezenlijker dan recht hebben. Overheden zullen recht doen aan hun onderdanen. Mensen en volkeren zullen recht doen aan elkaar. 'Wat eist de Heere van u, o mens, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God.' (Micha 6 : 8). Die roeping geldt met name de machtigen ten opzichte van de machtelozen en de weerlozen. Wanneer in de Schrift al over rechten wordt gesproken, die God gééft, dan gelden deze de armen, de verdrukten, 't Is de Heer, die 't recht der armen, der verdrukten gelden doet (Psalm 146). Wee de machtigen, die jegens armen en ellendigen onrecht bedrijven. Profeten en apostelen toornen ertegen. Zelfs in het oordeel zal de mens worden aangesproken op zijn houding ten opzichte van hongerigen, armen, naakten, gevangenen; kortom: de marginalen in de samenleving (Mattheüs 25). 

Vaker heb ik hier genoemd de uitspraak in het hervormde synodale geschrift 'De politieke verantwoordelijkheid van de kerk', dat de humaniteit, de menselijkheid, niet veilig is wanneer 'de levende achtergrond van Gods recht' uit het bewustzijn van de mens verdwijnt. De Universele Verklaring wordt niet gedragen door erkenning van dit recht Gods. Ze kan dan ook helemaal 'humanistisch', 'liberaal' of 'socialistisch' worden geïnterpreteerd. Maar anderzijds, het belijden van het recht Gods heeft wel als consequentie de inzet voor de rechte verhouding onder mensen, zonder onderscheid. Het gebod is ten goede. Wanneer de levende achtergrond van Gods recht wèl aanwezig is, moet ook de humaniteit veilig worden geacht, ten spijt de gebrokenheid van het menselijk bestaan. Die achtergrond verdraagt zich niet met onmenselijkheid, tyrannie, discriminatie, onderdrukking, uitbuiting, machtswellust.

Theocratie

Een christen belijdt, dat God deze wereld regeert. Dat heet theocratie. Die regering der wereld heeft God voorbehouden aan Zijn Zoon. Dat heet christocratie. Eenmaal, bij de wederkomst des Heeren, zal Christus het Koninkrijk teruggeven in de handen van Zijn Vader. Tot die tijd zullen de gevolgen van de eigenzinnige en eigenmachtige keuze van de mens zichtbaar zijn in de wereld. Een christen weet echter waar de bron is voor rechtvaardigheid on­ der de mensen. De afglans daarvan is evenwel soms ook te vinden daar, waar Gods Naam niet wordt beleden.

Theocratie is geen politiek systeem. Het theocratisch belijden heeft echter wel consequenties voor het politieke handelen. 'Alles moet Hem eren'. Het richtsnoer van Gods daden is 'volmaakt rechtvaardig' (Psalm 33). Dat betekent - met Micha 6 : 8 - dat het christelijk getuigenis en de christelijke levenspraktijk ook gepaard gaan met het jagen naar gerechtigheid en het beoefenen van barmhartigheid. Daarom is christelijke politiek ook kenbaar aan het betrachten van sociale gerechtigheid' dichtbij en ver weg.

Wie als christen in de politieke arena treedt zal dan ook verantwoordelijk zijn voor de wijze, waarop hij - namens de velen die hij vertegenwoordigt - gestalte geeft aan het recht onder de mensen en de volkeren. Het is niet om het even hoe in het politieke beleid de vreemdeling in de poorten, de armen en de marginalen worden gezien. Die marginalen ontlenen hun recht aan Gods recht. De machtigen in politieke zin daarentegen ontlenen aan dit goddelijk recht hun plicht. Profeten, psalmisten en apostelen stellen in vlammende bewoordingen nalatigheid in deze in Gods licht.

Geduld

Hierbij vraagt één aspect nog nader aandacht. De theocratie belijden is bevrijdend. Wie belijdt, dat God deze wereld regeert, laat en gééft de heerschappij uiteindelijk ook in Zijn handen, alle raadselen van het Godsbestuur ten spijt. Het kwaad en het lijden en het onrecht in deze wereld kunnen niet aan God worden toegeschreven. Het onrecht en de ongerechtigheid gaan altijd weer terug op het hart van mensen, dat van nature boos is. Nochtans draagt en verdraagt God Zijn schepping en met name de mens daarin. Zijn barmhartigheid en gerechtigheid gaan zelfs zó diep, dat Christus in deze wereld afdaalde om in de weg van kruislijden deze te garanderen en mogelijk te maken. God gaf Zijn schepping niet prijs. Daarom zond Hij Zijn Zoon.

In Zijn heerschappij over deze wereld toont Hij zo ook Zijn geduld. Dwars door alle ongerechtigheid van de mens, van machthebbers ook heen blijft Hij tot de grote Dag van Christus lankmoedig. Daarom zal ook de dienst aan Hem niet kunnen worden opgelegd. Het christelijk geloof is een zaak van vrijwillig dienen. Zou dan ook in het christelijk handelen, ook in de politiek, niet een afglans van Gods geduld met een gevallen wereld moeten doorstralen? Gaat het bij het oefenen van gerechtigheid en barmhartigheid niet om alle mensen, zonder onderscheid, omdat ook God de wereld nog in Zijn geduld draagt?

Doel

Het theocratisch belijden heeft echter wel een doel: heel de wereld zal vi'eten dat Christus regeert. Heel de wereld zal weten dat erkenning van die regering heilzaam is voor alle mensen en de hele schepping en dat de 'rechten' van de mens bij Hem het veiligst zijn. Daarom dient er in het politieke handelen ook de inzet te zijn om de voortgang van de Evangeliebediening te bevorderen. Vandaag leven we in een mondiale (wereldwijde) samenleving. De volkeren zullen weten van de gerechtigheid en de barmhartigheid van Christus.

God staat in de vergadering der goden; dat wil zeggen: daar waar politiek bedreven wordt. Daar dient Zijn Naam te worden beleden. Daarom kende men in onze door het Evangelie gestempelde samenleving in de vergaderingen van gemeenteraden het ambtsgebed. Daarom kende de troonrede te onzent de bede. Daarom legden volksvertegenwoordigers de eed af. Node zijn we het één en het ander kwijt geraakt.

De samenleving zou er niet slechter van worden wanneer dit ambtsgebed weer zou functioneren. Hier en daar wordt de ambtsbede nog gehandhaafd als een historische traditie. Zou men zich in de christelijke politiek niet weer eens bezig moeten houden met zo'n fundamentele zaak als het gebed in de openbare politieke vergaderingen? Hier zou dunkt mij een nieuwe bezinning op de betekenis ervan in een steeds meer seculariserende samenleving op zijn plaats zijn.

Voorlopig

Intussen zal tot op de Grote Dag van Christus alle recht in de wereld ten dele en voorlopig zijn. Ik sluit hier af met een mij dierbaar citaat van Walther Lüthi in zijn 'De zeven gesprekken van Maleachi':

'Tot op die dag zal er nog wel wat water door de Rijn stromen, zullen er nog vele tranen gestort worden en zal er nog veel bloed vergoten worden. Dat wil zeggen, de schare van de verlosten zal nog menigmaal reden hebben om over aangedaan onrecht verdriet te hebben, om te hongeren en te dorsten naar de nieuwe hemel en naar de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont... De kerk van de Gekruisigde zal gedurende deze wachttijd een advocaat en beschermer zijn voor weduwen en wezen, voor vreemdelingen en dagloners. En zou zij zelf daardoor smaad en schande te verduren krijgen en onrecht moeten lijden, dan zal zij zich, in onderscheiding van de moedeloze tijdgenoten van Maleachi volstrekt niet beklagen. Zij zal er zich niet eens over verbazen, "alsof haar iets vreemds overkwam"; zij zal getroost weten, dat het als het ware zó in orde is. Zo hoort zij geheel en al bij de Man van Smarten en mag zij onder de bescherming en in de schaduw van de Gekruisigde reeds een klein beetje kruisdragen en lijden. Op deze manier gaat zij met geheel de mensheid voort door de duistere nacht, die nog loodzwaar over de aarde ligt; maar zij weet, "de nacht is voorbijgegaan, de dag is nabij gekomen" - de dag! Het zal tenslotte niet nacht zijn, maar dag!

Ook het laatste boek van het Nieuwe Testament heeft een laatste woord. Dat luidt aldus: Kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen! Amen" (Openb. 22:20, 21).'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Recht doen naar het Gebod

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's