De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is Hij Degene Die komen zou... of verwachten wij een ander?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Is Hij Degene Die komen zou... of verwachten wij een ander?

9 minuten leestijd

In bovenstaande vraag herkennen wij ongetwijfeld de vraag waarmee Johannes de Doper twee van zijn discipelen naar Jezus zond: Zijt Gij Degene Die komen zou? ' (Matth. 11 : 3) De woorden van deze vraag doelen rechtstreeks op de komst van de beloofde Messias, de door God gezalfde Zaligmaker.

Op tal van plaatsen in het Oude Testament werd de Messias door de profeten immers aangeduid als Degene Die komen zou. En zó werd Hij dan ook verwacht. Psalm 118 jubelt profetisch van deze advents verwachting: 'Gezegend zij Hij, Die daar komt in de Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het Huis des HEEREN!' Hij, Die komt!

Straks als de Zaligmaker Zijn intocht houdt in Jeruzalem zal het door de schare opnieuw gezongen worden: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!' (Matth. 21:9) Hij, Die komt! Dat is de beloofde Messias. 'Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen' (Zach. 9:9).

Armoede

Zo zou de Zaligmaker komen: in armoe, in vernedering.

Dat is al begonnen bij Zijn nederige ontvangenis in Nazareth en bij Zijn nederige geboorte in Bethlehem. Een arm, zwak Kindeke, in doeken gewonden en liggende in de kribbe. Is dat de Kracht Gods en de Wijsheid Gods? Ja, Hij zou komen en Hij is gekomen. Maar als wij Hem aanzagen, zo had Hij geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij had geen gedaante noch heerlijkheid. Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. Zó zou Hij komen en zo is Hij gekomen. Ook dat was geprofeteerd (Jes. 53).

De Zaligmaker der wereld in dienstknechtsgestalte. De Zoon van God in nietig menselijk vlees. Geen wonder dat zovelen aanstoot namen (en ook vandaag nog nemen) aan dat Kind van Bethlehem en aan de Man van Nazareth. Was uit Nazareth iets goeds te verwachten? , zo vond ook Nathanaël (Joh. 1 : 47). Is de zoon van Jozef de Zoon van God, de Koning van Israël? Dat strijdt toch tegen alle begrip en rede? Toch zegt Filippus: Hij is het. Die komen zou! 'Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de Wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth' (Joh. 1 : 46).

Zo duidt hij de Zoon van God, de beloofde Messias, juist aan in Zijn vernedering, in Zijn verachtelijkheid, en toch ziet hij in Hem de Christus, Die komen zou; een Zaligmaker in vernedering.

Johannes de Doper had juist tevoren Hem aangewezen, toen hij Jezus tot zich zag komen: 'Zie het Lam Gods! Na mij komt Hij, Die vóór mij geworden is, want Hij was eer dan ik!' En zie Hem nu: Hij is het Die komen zou en Die nu gekomen is!

Volgen

Een tweetal discipelen van Johannes hoorden hem dat spreken en zij volgden Jezus (Joh. 1 : 37). Op aanwijzing van de heraut volgden zij de beloofde Koning van Israël. De overige discipelen van Johannes waren blijkbaar nog niet genoeg overtuigd en bleven voor zichzelf nog zitten met de vraag: is Hij waarlijk Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander? Zij bleven nog de Doper volgen. Ondanks diens vingerwijzing naar Jezus bleven zij nog ijveren voor Johannes en niet voor Jezus. Johannes had van Hem gepredikt: Hij is de Zoon van God (Joh. 1 : 34), Hij is het Lam van God (I : 29), Hij zal u dopen met de Heilige Geest (1 : 33), Hij is het Die door God gezonden is. Hij is het Die van Boven is, Hij is het Die uit de hemel komt (3 : 31, 34). Toch hebben Johannes' discipelen het blijkbaar niet begrepen dat Hij het was Die komen zou. Straks beklagen ze zich bij Johannes: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie. Die doopt en zij komen allen tot Hem' (3 : 26). Zo blijven ze nog ijveren voor Johannes en zij volgen Jezus niet.

Nu is Johannes in de gevangenis geworpen. Vijf mijlen ten oosten van de Dode Zee heeft Herodes Antipas hem gevangen gezet op het Fort Macherus, gelegen op een steile rots (Flavius Josephus). Er is voor hem geen ontkomen aan. Straks moet hij sterven ter wille van Hem, van Wie hij gepredikt had: Hij moet wassen, maar ik minder worden; Hij is de Bruidegom en ik ben maar voor Hem heen uitgezonden (Joh. 3 : 28, 29). Het gaat om Hem!

Jezus heeft nu twaalf discipelen om Zich heen en heeft ze uitgezonden als apostelen (Matth. 10). Hij heeft ze daartoe ook bevelen gegeven (Matth. 11 : 1). Maar Johannes heeft óók nog steeds discipelen. Zij volgen Jezus niet.

Johannes, die begrijpt dat de gevangenis voor hem het einde zal zijn, verwijst nu opnieuw zijn discipelen naar Jezus (vs. 2). Waarom zijn ze Hem nog niet gevolgd? Zij stootten zich blijkbaar nog aan Zijn geringheid. Zij lopen nog altijd met de vraag: Is Hij nu werkelijk Degene Die komen zou of verwachten wij een ander? Dit was blijkens het tekstverband echt de twijfelvraag van deze discipelen en niet van Johannes (zo Calvijn, Luther, J. C. Ryle, kanttekeningen Statenvertaling, e.a.). Niet dat Johannes niet zou kunnen twijfelen. Ook in het hart van grote en sterke gelovigen kunnen twijfel en aanvechting toeslaan. Maar hier gaat het duidelijk om de tegenstelling tussen de discipelen van Jezus (vs. 1) en die van Johannes (vs. 2). Waarom volgen zij Jezus niet, terwijl Johannes Hem toch steeds zo heerlijk heeft aangewezen als Degene Die komen zou? Calvijn zegt: Door hen tot Jezus te zenden wil hij hun traagheid-in het geloven een krachtige stoot geven.

'En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder hetgeen gij hoort en ziet: de blinden worden ziende en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd en de doven horen; de doden worden opgewekt en de armen wordt het Evangelie verkondigd' (VS. 4, 5).

Zo moeten zij aan Johannes rapporteren wat zij zelf moeten opmerken: Hij is het! Hier worden de profetieën vervuld: Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden en der doven oren zullen geopend worden. Alsdan zal de kreupele springen als een hert' (Jes. 35 : 5, 6). 'De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen' (Jes. 61 : 1). 'Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis' (des doods) (Jes. 42 : 7). 'Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam; zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij die in het stof woont; en het land zal de overledenen uitwerpen' (Jes. 26 : 19).

Genoeg?

Welnu, zijn deze tekenen niet genoeg? Moet Hij nog méér tekenen doen om deze twijfelaars te overtuigen?

Terwijl de eigen bloedverwanten van Jezus niet in Hem geloven (Joh. 7 : 5) zijn er velen uit de scharen die in Hem geloven en zeggen: wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook méér tekenen doen dan die welke Deze gedaan heeft? (Joh. 7:31) Met andere woorden: Gezien de tekenen moet Deze toch wel de Christus zijn. Hij is het. Die komen zou!

Zo gaan de discipelen terug naar Johannes. Zijn ze nu waarlijk overtuigd? We weten het niet, want de Schrift zwijgt er verder over.

Blijft ook voor ons echter de vraag: Is Hij Degene Die komen zou, of verwachten' wij een ander? Wat zien wij in het Kind van Bethlehem? Wat zien wij in de Man van Nazareth? Wat zien wij in Hem, Die geen gedaante had dat wij Hem zouden begeerd hebben?

Het jodendom heeft Hem nog niet erkend als de Messias. De islam ziet in Hem niet meer dan een profeet. De vrijzinnigheid erkent Hem niet in Zijn goddelijke natuur. Om niet te spreken van het ongeloof dat over Jezus de schouders ophaalt.

Ook in onze tijd is de God-mens Immanuël opnieuw een omstreden Persoon. Men zegt dat de kerkleer van Hem alleen maar gemaakt heeft wat eeuwenlang is geloofd. Door de evangelieschrijvers is de eigen visie van de gelovigen betreffende Jezus aan de Man van Nazareth, aan de zoon van Jozef, opgelegd. Want zo is de eigenlijke Jezus nooit geweest. Maar, als dat waar is, dan is Hij niet God-geopenbaard-in het vlees. Dan is Hij niet meer Degene Die het geen roof geacht heeft Gode evengelijk (dat is: Godzelf) te zijn en Die Zichzelf vernietigd heeft (= tot een 'niet' gemaakt), de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende. Dan wankelt de leer van de vleeswording des Woords en daarmee heel het geheim van de verzoening. Dan is Hij niet meer Degene Die komen zou, maar moeten wij een ander verwachten. En de kerkvader Athanasius heeft het toch wel verstaan als een. levende geloofswerkelijkheid waar heel zijn heil aan hangt, wanneer hij van deze dingen belijdt: Wie dit niet getrouw en vast gelooft, die kan niet zalig worden!

Heil

Of zien wij toch met ogen van geloof juist in het Kind van Bethlehem, in de Man van Nazareth, ons heil en ons hoogst geluk? Werd Zijn verachtelijkheid voor ons juist de hoogste schoonheid? Zien wij in Zijn vernedering juist Zijn hoogheid? In Zijn vervloeking onze verzoening? Maria in haar lage staat en ook Zacharias hebben Hem zó gezien en Hem zó bezongen in hun lofzangen. En wij in onze lage staat van schuld en zonde en rampzaligheid? Komt, laten wij aanbidden! 'O, Heer Jesu, God en Mensche, Die aanvaard hebt deze staat, geef mij dat ik door U wensche, geef mij door Uw kindsheid raad!'

Zijn Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst. Dat is het wonder van genade voor verloren zondaars. Hij lost het zielenraadsel op: goddelozen worden gerechtvaardigd. In goddelijke kracht vermorzelt Hij de kop van satan en brengt vrede op aarde door het bloed des kruises. In Hem is al mijn heil, mijn hoop, mijn lust.

Gode zij dank. Hij is het Die komen zou en wij verwachten geen andere! Onze verwachting is van Hem, Immanuël, Godmet-ons.

Zingen wij daarom op het kerstfeest met Luther:

'Men had Hem eeuwenlang verwacht
en toen Gods tijdperk was volbracht
zond Hij ons van Zijn hoge troon
HET HEIL DER WERELD, ZIJNEN ZOON.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1998

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Is Hij Degene Die komen zou... of verwachten wij een ander?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1998

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's