De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

'Hoezo millennium'? vraagt Piet de Moor in Hervormd Nederland. Wanneer zullen we echt de drempel overschrijden naar het derde millennium, in het jaar 2000 of 2001? Hier volgt zijn beschouwing over tijdrekening 'Na Christus':

'Samen met de christelijke jaartelling van Gregorius is dus ook internationaal de conventie gestandaariseerd om te spreken in termen van voor en na Christus. Dat gebruik dateert uit de zesde eeuw toen Dionysus Exiguus of Denis de Korte in opdracht van paus Johannes I een nieuwe chronologie opstelde. Dionysus stelde een compromis voor, zodat wereldlijken en geestelijken de jaren á la carte konden tellen. Hij berekende dat Jezus geboren was op 25 december 753 AUC (ab urbe condita, wat "sedert de stichting van Rome" betekent). Maar het begin van zijn tweede, religieuze jaartelling liet hij een paar dagen later vallen op 1 januari 754 AUC. Dat was niet op de geboorte van Christus, maar op het feest van de besnijdenis, op de achtste dag van Jezus' leven en, niet toevallig, op nieuwjaarsdag volgens de Romeinse kalender. Hij noemde deze datum 1 januari van het jaar 1 AD (Anno Domini, het jaar des Heren), hoewel het eigenlijk het jaar nul had moeten zijn. Het cijfer nul was destijds echter nog onbekend. Pas in de achtste of de negende eeuw werd het door Arabische wiskundigen in Europa ingevoerd. Dat is de reden waarom we nog steeds niet goed weten of het jaar 2000 het laatste jaar van de twintigste of het eerste van de eenentwintigste eeuw is.
Het is dus pas vanaf de zesde eeuw dat bij de christelijke volken van Europa het besef kon gaan groeien in welk christelijk jaar ze leefden. Misschien gedroegen de vroeg-middeleeuwse mensen zich daarvoor een beetje als de Oost-Afrikaanse Nuer, die volgens J. Goudsblom geen kalender kenden. Ze waren zich alleen bewust van tijdseenheden in de vorm van opeenvolgingen zoals dag en nacht of de jaarlijkse afwisseling in droge en natte seizoenen. Volgens de historicus Damian Thompson in The end of time had zelfs in het jaar 1000 de bevolking in Europa nog geen idee welk jaar het was, een mening die wordt tegengesproken door millennium-deskundige Stephen Skinner, die in zijn Millennium prophecies schrijft:
"Een paar korte maanden in 999 konden mensen over niets anders meer praten dan over de Jongste Dag. In Europa brak overal een soort van massahysterie uit naarmate het jaar zijn einde naderde. Die sfeer leidde tot onvoorstelbare gebeurtenissen. Mannen scholden elkaar schulden kwijt, echtparen bekenden elkaar ontrouw, gevangenen werden uit de gevangenis ontslagen, stropers gooiden het op een akkoordje met hun leenheren… In december bereikte het fanatisme een nieuw hoogtepunt toen men overal de goddelozen uit hun gemeenschap probeerden te verwijderen." '


Bij uitgeverij Verloren te Hilversum verschenen in een reeks 'Verloren Verleden' een deeltje over 'De geschiedenis van het rampjaar 1672' ('Redeloos, radeloos, reddeloos') en een deeltje over 'De opstand der Bataven' tegen de Romeinen onder leiding van de eenogige Julius Civilis ('Claudius Civilis'). Uit beide deeltjes een fragment.

• De grote brand van Bodegraven in 1672
'Door de traagheid van de Fransen kon de Waterlinie dus stand houden. Lodewijk XIV was in zijn opmars gestuit. De Hollanders konden zich veilig wanen achter hun muur van water. Helemaal waterdicht was dit verdedigingswerk echter ook niet en dat zou in de winter blijken. De Utrechtse edelvrouwe Margaretha Tumor (1613-1700), die uit het bezette Utrecht naar Den Haag was gevlucht, bracht op 2 januari 1673 verslag uit aan haar man van het grote gevaar dat de onneembaar geachte linie bedreigde:

Daer op kreechge wij snachts hier den alarm dat de vijant overt ijs van achteren bij boodegraef was ingebroocken… alles was in sulcken roer dat het mij niet licht vergeeten sal… ick was t enden raet en wist niet wat ick doen sou. Doch moet noch segge dat godt almachtich ons op een bijsondere manier sijn genade heeft getoont door een seer schielijcke en viemente doeij, waerdoor den vijant niet voort noch te ruch en kost.
Een paar dagen later waren de Franse troepen genoodzaakt zich weer helemaal terug te trekken omdat ze ingesloten dreigden te raken door de Staatse legers. Bij de terugtocht lieten ze een spoor van vernielingen achter, zo schreef Margaretha:
't is zeer droefvich te sien so hier ontrent alles geruwineert wort… de dorpe boodegraef en swamerdam sijn so afgebrant door den vijant datter geen ses huijse sijn gebleefve… wat is dit een ruwineusen oorlooch, int harige vande winter so veel mensen verjaecht, och ons liefve vaderlant is wel in een seer droefvigen staet…
Later kijkt ze nog eens terug op het gebeurde en dan komt ze tot de conclusie dat "die schielijcke doeij seer wel te pas quam, sonder deselfve waeren wij alle om hals". Maar zover was het in juni 1672 nog niet, al was de paniek er niet minder groot om.'

• Dichters over de Bataafse opstand
'Wien Neêrland's bloed door d'aren vloeit, van vreemde smetten,

En andr' infecties vrij, en die gedwee 's lands wetten,
Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; hij wiens borst
(Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst,
Die eere hem, die van de grooten kamp de ziel is:
Het hoofd der Batavieren, Claudius Civilis.
Van afkomst Batavier – Romein naar burgerrecht,
Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht.
Want daartoe was het al in Nero's tijd gekomen;
Gestadig was de onderdrukking toegenomen, De bondschap was ontaard in bitt're slavernij…
Toen trad Civilis op. De redding was nabij.'

Aldus Charivarius (pseudoniem van G. J. Nolst Trénité) in 1927 over het begin van Civilis' opstand. Om de rest van het verhaal te vertellen had hij nog eens honderdvijftig verzen nodig.
Bertus Aafjes was sneller klaar:

'Toen liet zich ook de Bataaf
Niet meer kennen als een slaaf;
Neen, hij toonde hoe zijn ziel is:
Onder Claudius Civilis
Sloeg hij de geweldenaar.
Zeventig is nu het jaar.
De Romeinse heerschappij
Was hierdoor nog niet voorbij;
Neen, zij duurde met elkaar,
Nog wel minstens honderd jaar.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's