Globaal bekeken
In een recent (bij uitgeverij Verloren te Hilversum) uitgeven 'Biografisch woordenboek Gelderland' – bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis – troffen we de levensbeschrijving van Klaas van Essen 0783-1867), schaapherder te Garderen. Hij ontsnapte tijdens de Franse overheersing uit de Scheveningse gevangenis en dook onder op de hei tussen Uddel, Garderen en Kootwijk. Hieruit de volgende passage:
'Door de nederlagen in Rusland begonnen de Fransen zich in 1813 terug te trekken uit Nederland tot ze uiteindelijk bij Waterloo werden verslagen. Op 30 november 1813 landde de zoon van Willem V, de latere Koning Willem I, in Scheveningen. Het grote nieuws bereikte ook Klaas, maar ondanks het vertrek van de Fransen voelde hij er weinig voor om zijn zwervend bestaan op te geven. Wat uit nood was geboren werd een vrijwillige keuze. Hij was nu echter niet meer alleen, maar hij trok over de heide met een kudde schapen. Hij vervreemdde wel steeds meer van de mensen. Als hij in de verte een herder met kudde zag aankomen, ging hij gauw de andere kant uit. Zelfs zijn familie, die hem vroeger had geholpen, zag hem nauwelijks. Het viel daarom des te meer op dat de weinige mensen waar
Klaas nog wel contact mee had niet tot de geringsten behoorden: de latere koning Willem III en zijn broer prins Frederik. Nu was het zo dat de bewoners van Uddel en omgeving, zo dicht bij Paleis Het Loo, nogal gemakkelijk contact legden met de Oranjes. Beide kanten werden nauwelijks gehinderd door een afstandscheppend protocol. Daarbij kwam nog dat de Van Essens altijd al aanhangers van het Huis van Oranje, Prinsgezinden, waren geweest. Schaapherder Klaas en de beide prinsen konden het zo goed met elkaar vinden, dat ze regelmatig uren met elkaar van gedachten wisselden in het plaggenhutje in het Speulder- en Sprielderbos. Bewonderden de prinsen het vrije leven van een schaapherder? Gaf Klaas – door eenzaamheid en stilte wijs geworden – hun een frisse kijk op het leven? Waren de gesprekken van Koning Willem III met Klaas een verademing, vergeleken bij die van de Koning met zijn ministers? Waar deze gesprekken over gingen is helaas niet meer te achterhalen.
Ook aan de omzwervingen van Klaas van Essen kwam een eind. Op 16 januari 1867 sloot hij voorgoed de ogen. Zijn graf in Garderen kan nog steeds bezocht worden. Het bestaat uit een liggende steen, omgeven met een ijzeren hekwerk. De erkentelijkheid van de Oranjes ging zo ver, dat Willem III drie jaar na het overlijden van Klaas de Zutphense steenhouwer Revelman opdracht gaf een grafzerk voor hem te maken. Op de steen staat gebeiteld: "Hier rust Klaas van Essen. Geb. 25 Februari 1783. Overl. 16 januari 1867. In leven schaapherder aan het Uddelermeer. De dankbare Prinsen uit het huis van Oranje, Z.M. Koning Willem III, Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden". Het onderhoud van het graf wordt tot op de dag van vandaag betaald door de koninklijke familie. De man die tijdens zijn leven niet wilde opvallen, valt nu op met zijn goed onderhouden "koninklijk" graf.
In de toespraak die ik hield op de buitengewone ledenvergadering van de Gereformeerde Bond op 19 december noemde ik aan het eind de cultuur-kriticus J. H. Huizinga, schrijver van 'In de schaduw van morgen' (1935) een vrijdenker. Een lezer, die zichzelf als 'doopsgezinde bonder' typeert, schreef mij, dat Huizinga in de doopsgezinde traditie stond. Hij stuurde een boekje toe van G. J. Heering, getiteld 'Huizinga's religieuze gedachten' (De Tijdstroom, Lochem, 1947). Daaruit het volgende:
'In de persoon van Huizinga leefden tezamen: de beschouwelijke historicus, de aesthetische mysticus en de ethische Christen; de laatste werd op den duur sterker. Zijn persoonlijk geloof was weinig belijnd; meer en meer heeft hij dit zelf als een armoede en zwakheid gevoeld, want belijning en bewustheid, indien zij niet naar doctrinarisme overslaan, geven zekerheid en kracht. Tegenover één van zijn vrienden liet hij zich zelfs het mismoedige woord ontvallen: "Och, dat water-en-melk-geloof van mij!" Dit is natuurlijk een boutade (en iets van die verzuchting kennen wij allen, als wij eerlijk omgaan met onszelven). Maar het teekent zijn zelfkennis en gevoel van gemis. (…) In de zware jaren der bezetting werd zijn geloof steeds positiever. Ik kan mij echter voorstellen, dat iemand, die Huizinga persoonlijk niet of oppervlakkig heeft gekend maar zijn werk heeft gelezen, vraagt: Was deze schrijver een Christen? Mijn antwoord zou luiden: Niet in den zin van belijder eener min of meer uitgewerkte confessie, maar hij was ongetwijfeld een Christen in den breederen zin van christelijke vroomheid (vooral eeuwigheids- en afhankelijkheidsbesef), van ethische levensrichting en van geloof in den heiligen wil van een almachtig God. Ongetwijfeld spreekt – theologisch gezien – uit zijn geschriften sterker Gods algemeene openbaring in Zijn wondere schepping dan Zijn bijzondere openbaring in Jezus Christus. Maar zonder het Evangelie is Huizinga's vroomheid niet te denken. De invloed van dat Evangelie werd in zijn leven steeds duidelijker merkbaar, en zijn gansche leven was hij zich bewust, te staan "op den rotsbodem van het Christendom".
• Genoemde lezer meldde nog in zijn brief, dat op een Makkumer bord de volgende Doopsgezonde 'geloofsbelijdenis' staat:
1. Doopen dat mondig is
2. Spreken dat bondig is
3. Vrij in het christelijk geloven
4. Daden gaan woorden te boven.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's