De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Liefde tot Christus en Zijn gemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Liefde tot Christus en Zijn gemeente

10 minuten leestijd

De eerste vereiste voor een dienaar van het Woord van God is dat hij Christus vurig liefheeft. Onlosmakelijk daaraan verbonden is dat we de gemeente van Christus vurig liefhebben. Dat is een onvoorwaardelijke voorwaarde om Christus in het midden van Zijn gemeente te dienen. 'Heb Christus lief, en weid Zijn schapen', klonk bij uw en mijn bevestiging.

Christus heeft haar zo intens liefgehad dat Hij Zich voor haar tot in de dood gaf. Vandaag heeft Hij haar overigens niet minder lief. In onze belijdenis staan diep vertroostende dingen. Wij zouden het bijna vergeten, maar onze belijdenis vertroost ons. Ik noem u twee zinnen uit artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: 'Want er is niemand, noch in de hemel, noch op de aarde, onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus', en 'wie zouden wij kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, Die Zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij Zijn vijanden waren?'
Deze liefde van Christus voor Zijn gemeente hier onder woorden gebracht in onze belijdenis loopt als een rode draad door de Schriften heen.

Vanmorgen spreek ik met u over Christus' gemeente omdat we als broeders in Zijn gemeente geroepen zijn. Zij heeft het zwaar, zij gaat door de branding in deze tijd. Zij leeft in een a-theïstisch tijdperk. Het Westen schijnt het christelijk geloof achter zich te laten. Het is verleden tijd. En de gemeente heeft het in die tijd moeilijk. Zij ervaart de zuigkracht van de wereld om zich heen, ze gaat door de crisis van het postmoderne denken waar over 'een laatste waarheid' geen zinnig woord te zeggen valt, zegt men. Ze gaat door de crisis van de verkilling door de uitholling van de liefde. Het christelijk bolwerk wordt gesloopt, de rijke gereformeerde wereld holt uit en wat er van over is, is hopeloos verdeeld. Is er hoop voor de gemeente van Christus' toekomst, perspectief? Of vergaat het haar als de gemeenten uit Klein-Azië?

Ik zoek met u vanmorgen naar haar fundamenten, juist omdat we op de laatste stellingen worden teruggeworpen.
In de Schriften stuiten we op het machtige, onnavolgbaar diepe geheim van de trinitarische fundering van de gemeente. Vanuit theologisch uitgangspunt is zij: het volk van God. Vanuit christologisch uitgangspunt is zij: het lichaam van Christus. Vanuit pneumatologisch gezichtspunt is zij: de tempel van de Heilige Geest.

Theologisch uitgangspunt
Zij is volk van God. Diverse keren in het Nieuwe Testament deze grondlijn getrokken. '… en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn' (2 Korinthe 6 : 16). En in Openbaring 21 : 3 'en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen, en hun God zijn'.
Dat is ten principale anders, dieper en hoger, dan dat de gemeente kerk-volk is. Ze is door God uitverkoren. Ze is aangenomen tot Zijn volk. Dat is haar hoge positie. Tegelijk impliceert dat haar vernedering in deze wereld, zij is niet meer dan haar Koning! Zij is hier een vreemdeling. Al heeft ze om Gods wil, de wereld niet lief! Immers: heb de wereld niet lief! En toch heeft ze de wereld in bewogenheid ook wél lief, anders lief, omdat Hij haar liefhad.

Ze is uit de wereld geroepen, ek-klesia, en er tegelijk weer middenin gezet. Apart gezegd door God Zelf. Zij is geen volk onder de volkeren, maar een volk uit volkeren, uit de volkeren uitverkoren. En ze is daarom het eigendom van God Zelf. Was ze slechts kerk-volk, ze was er allang niet meer geweest, maar ze is als volk van GOd, naar Zijn Naam genoemd, en door Hem gedragen in Zijn trouw. Tussen God en haar was de relatie verbroken, hopeloos. De zonde trok en trekt diepe scheuren en brede sporen. Maar, het wonder van Gods genade is dat Hij door middel van de confrontatie van het kruis de relatie in genade herstelt.

Wie met deze ogen naar de gemeente kijkt, krijgt haar intens lief om Gods wil. En dat geldt zowel voor de restgemeenten in de stad als voor de volkskerkachtige gemeenten op het platteland. Soms kun je de gemeente intens liefhebben ondanks al haar zonden en ongeloof waardoor ze aan haar adelstand niet beantwoordt. En toch is zij een volk en dan nog wel het volk van God. Daarin ligt ook haar eenheid in het feit dat ze een volk is, meer nog in het feit dat ze het volk van God wordt genoemd. Daar ligt ook het geheim van de gemeente.
Restgemeenten in de stad, volkskerkachtige gemeenten zijn ten diepste veilig gesteld. Niet kerkordelijk, dat moet ook gebeuren. Ze zijn veilig op veel hoger plan, in Gods hand, de poorten van de hel zullen Gods gemeente niet overweldigen. Hij is als God van het verbond Zijn gemeente, Zijn volk trouw door haar diepte en dood heen. Zijn trouw betekent, theologisch gesproken, ten diepste dat hij Zichzelf trouw blijft! Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Maar dat betekent ook: Indien wij Hem verloochenen. Hij ons ook verloochent. Dat is de trouw van God aan Zichzelf in Zijn heiligheid en in Zijn liefde.
Hier ligt ook de liefde van de dienaar van het Woord van God verankerd voor de gemeente van God. Hij heeft haar lief en is om haar bewogen en preekt haar het heil en de genade om Gods wil, en strijdt in liefde én bewogenheid om haar behoud en om haar heiligheid en reinheid voor God in deze wereld.
Omwille van God Die u en mij riep uit de duisternis en riep in Zijn dienst, om Hem te dienen en in Hem Zijn volk te dienen. Waar deze liefde niet de grondtoon vormt zijn we weg. En daar is de gemeente in onze handen, en onder onze staf niet langer veilig.

Christologische fundering
Christus is haar Hoofd, de gemeente is Zijn lichaam. Hij representeert de Vader bij het volk en het volk bij de Vader, Hij God en mens in één persoon. De mens Jezus is tevens Immanuël, God met ons. En Zijn gemeente is gemeente geworden omdat Hij haar aanneemt als Zijn lichaam. Er zouden op dit christologisch niveau ook andere beelden gebruikt kunnen worden, zoals de bruid van Christus, de kudde van de goede Herder. Ik kies voor het beeld van het lichaam om de éénheid tussen Christus en Zijn gemeente te benadrukken. De meest fundamentele uitspraak over de gemeente op het niveau van de christologie is: dat zij in Christus is. Zo is ze meebetrokken in Zijn weg over het kruis en door de dood tot op de morgen van Pasen (Romeinen 6) en zélfs tot in de hemel (Efeze 2 : 6). Hoewel Zijn weg door dood, graf en hel de weg van de plaatsvervanging was.

Als lichaam van Christus kent de gemeente een hoge adelstand. Om haar vurig lief te hebben. Alleen deze adelstand zien we slechts onder de schijn van het tegendeel hier. Ze gaat gebroken haar weg door de geschiedenis. En daarin vertoont ze de gestalte van haar Koning. En ook in die gebrokenheid kun je haar, om Christus' wil, vurig liefhebben, om en in Hem! In haar gebroken gang door de geschiedenis vertoont zij de trekken van de Man van smarten, haar Zaligmaker en Hoofd.

Ik lijd, als dienaar aan haar zonden, ik lijd aan haar ongeloof, ik lijd aan de verzoekingen waar ze doorheen gaat en zich in mee laat sleuren. Ik lijd aan haar zonden evenzeer als aan de mijne. Bovendien haar zonden zijn ook de mijne. Daarom schrijf ik haar niet af in haar weerbarstigheid, maar bid voor haar, tot haar Hoofd. Ik heb haar lief ook in deze setting. Ik heers niet over haar maar verlang haar te dienen! Anders ben ik als dienaar van Christus geen cent waard en draag ik de naam 'dienaar van Christus' tot oneer van de Koning. Hij was in het midden als Eén die diende. 'Heb Christus lief, en weid Zijn schapen,… niet als heerschappij voerend over het erfdeel van de Heere, maar als een voorbeeld van de kudde', als een vriend van de Bruidegom.

In deze liefde voor Hem, voor Zijn lichaam, weet ik van koren en ik weet van kaf, ik weet van leven en van dood. Ik verkondig, dat wil zeggen ik lok en ik vermaan. Het evangelie is een reuk ten leven én ten dode. In deze liefde voor Hem draag ik zorg voor haar, in haar verscheidenheid, in haar moeiten, in haar worsteling met de geest van de tijd. Als dienaar van Christus zoek ik haar eenheid in verscheidenheid, haar groei in de genade, opdat ze een gemeente is die belijdend en getuigend in deze wereld staat.

Pneumatologische fundering
Dat de gemeente uit de genade van Christus leeft, betekent tegelijk ook dat Christus leeft in de gemeente. Dat is ten volle de pneumatologische dimensie. Daarom heeft naast de heilshistorie (de weg van Christus) ook de heilsorde (de weg van de Heilige Geest) Zijn plaats. De gemeente, de leden van de gemeente worden juist door de Heilige Geest volstrekt betrokken bij Christus' weg en werk en door Hem bij de genade en ontferming van de Vader. Terwijl Zijn gemeente slaapt, treedt Christus alleen de wijnpers, dat is de fundamentele eenzaamheid van de Middelaar. De slapende gemeente moet echter ook wakker gemaakt worden en dat gebeurt door het werk van de Heilige Geest. Terwijl de mens christologisch wordt uitgeschakeld, wordt hij door de inwoning van de Geest juist ingeschakeld (P. F. Thoron – de Kerk als kosmisch-eschatologisch teken). Met Pinksteren kwam de Geest wonen in de gemeente als in Zijn tempel. En zo is ze voorbode van, teken van Gods Koninkrijk waar God in het midden van Zijn volk woont en Zijn volk bij Hem woont. De gemeente heet daarom 'de woonstede Gods in de Geest'. Daar vindt de eredienst plaats, de dienst van de verzoening, offers van schuld vinden we daar, een verbroken hart, een verslagen geest, offers van aanbidding en dankzegging voor verzoening én verlossing. In de gemeente wordt schuld beleden als de Geest werkt, vindt rechtvaardiging plaats door het geloof, wordt Christus gevonden en aanbeden, worden de sacramenten bediend waarbij we ook verlegen zijn om de Geest, wordt God geloofd, wordt gebeden, beleden en getuigd. Op vlees wilde en wil de Geest wonen, daar deed en doet Hij Zijn werk in de gemeente, Zijn woonstede. En als de Geest er wil wonen en werken kan ik als dienaar er dienen. Soms in eenzaamheid, met zorg en moeite, en toch met vreugde en blijdschap.
In Zijn woonstede moet ook mijn leven en werken er aan toegaan op de wijze van de Geest, in de kracht van de Geest, dragend de vrucht van de Geest. Dat vraagt van mij als dienaar een voortdurende toetsing van mijn hart, mijn leven, mijn werken. Biddend om de volheid van de Geest.
Handen van knechten die kinderen zijn neemt Hij in de Zijne. En harten van knechten die kinderen zijn maakt Hij vol. Met liefde voor Christus én liefde voor Zijn gemeente.

G. D. Kamphuis

Openingswoord ds. G. D. Kamphuis predikantenconferentie G.B. op 6 januari te Driebergen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Liefde tot Christus en Zijn gemeente

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's