De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nieuwe aandacht voor aloud belijden: Jezus Kurios!*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nieuwe aandacht voor aloud belijden: Jezus Kurios!*

13 minuten leestijd

Opvallend is de laatste tijd de grote aandacht voor de christologie, de leer aangaande de Persoon en het werk van Christus. Dr. H. M. Kuitert heeft door zijn weinig nieuws brengende, maar toch geruchtmakende boek Jezus – nalatenschap van het christendom daaraan verder bijgedragen. Onlangs verscheen opnieuw een lijvig boekwerk over dit kernpunt van het christelijk geloof. De Leidse dogmaticus prof. dr. A. van de Beek voltooide het eerste deel van een door hem geplande reeks boeken over dogmatische onderwerpen. In tegenstelling tot zijn voorganger wijlen dr. H. Berkhof wil Van de Beek geen handboek schrijven, maar kiest hij voor een serie (vergelijk de Dogmatische Studiën van G. C. Berkouwer). Het is opmerkelijk en veelzeggend dat niet, zoals gebruikelijk in de geloofsleer, met de leer aangaande God wordt begonnen, maar met de leer aangaande Christus (dus: de christologie). Iedere andere start ziet Van de Beek als een omweg. Door ons te bezinnen op wie Christus is, zijn we direct met het hart van de theologie bezig. Er is ook geen andere God dan de God die zich in Christus heeft geopenbaard. Ik moet het om in de lijn van zijn boek te blijven nog scherper formuleren: er is geen andere God dan Christus! Waar Kuitert en velen in-de moderne theologie met hem zich fel keren tegen de gedachte dat Christus God op aarde is geweest, is juist die overtuiging de rode draad die door dit boek loopt. Van de Beek kan zich heel goed vinden in de uitspraak van de Romeinse bisschop Zephyrinus (die leefde van 198/99 tot 217): 'Ik ken één God, Christus Jezus en buiten Hem geen ander die geboren is en geleden heeft'. Of ook in wat Luther zei: 'een andere God dan die welke voor mij gestorven is, neem ik niet aan.' Op blz. 91 lezen we: 'Vanaf het begin heeft de kerk beleden dat in Jezus God zelf gekomen is. De populaire idee dat de gewone mens Jezus van Nazareth in een proces van enkele eeuwen geleidelijk aan gehelleniseerd is tot God, met het concilie van Chalcedon als eindpunt, is onzin… Het is veeleer de vraag of Hij echt mens is. De hele hoofdstroom van de kerk, ketters of niet ketters, van de tweede eeuw gaat van de godheid van Christus uit.' Dat geldt trouwens niet alleen voor de tweede eeuw, maar ook voor de eerste generaties christenen, zoals uit het Nieuwe Testament blijkt.

Het getuigenis van de kerkvaders
Diepgaand behandelt Van de Beek de christologische discussie van de vroege kerk. Het is daarbij goed merkbaar dat de auteur uitvoerig bronnenonderzoek gedaan heeft naar wat de kerkvaders over de Persoon van Christus hebben geschreven. Dat komt de nuancering en de levendigheid van de beschrijving ten goede. Meer dan aan de hand van de gebruikelijke typeringen in handboeken leren we nu inzien wat de verschillende deelnemers aan de discussie bewoog. Een enkel voorbeeld: hoe begrijpelijk is de schrik van Nestorius toen hij als pasbenoemde patriarch van Constantinopel geconfronteerd werd met de verering van Maria als 'moeder Gods'. Zijn waarschuwende preek hiertegen werd hem door het volk bepaald niet in dank afgenomen. Te zeggen dat God uit Maria werd geboren, vond Nestorius echter te ver gaan. Er dient nauwkeuriger te worden onderscheiden: een menselijke persoon werd uit de maagd Maria geboren waarmee vervolgens de goddelijke Logos, het eeuwige Woord, zich heeft verbonden. Daar staat de theologische motivatie van zijn tegenstanders, zoals Cyrillus van Alexandrië, tegenover: het gaat om de ene Christus als de echte God. God neemt het mens-zijn aan. 'Wat niet aangenomen is, kan niet verlost worden.' Wie geen God is, kan niet verlossen. Omdat God zelf het menselijk bestaan draagt, kun je zeggen dat Hijzelf geboren werd uit Maria.
De orthodoxie is verbonden met de laatstgenoemde benadering en ook Van de Beek kiest daarvoor nadrukkelijk. Wij mensen moeten gered worden en we zijn zo grondig verloren dat we onszelf niet verlossen kunnen. Het is niet voldoende dat een geïnspireerde figuur ons namens God de weg wijst. Wij hebben nodig dat God één van ons wordt. God redt ons leven door het met ons te delen.
'Gods handen zijn menselijke handen van vlees en bloed, die de melaatse aanraken en die aan het kruis met spijkers worden doorboord' (blz. 26). Dat is de overtuiging van Irenaeus en van Athanasius en met hen van de hoofdstroom van het christendom door de eeuwen heen. Ook een nieuwe generatie gelovigen zal toch in haar belijden dezelfde grondtrekken dienen te vertonen, want het gaat om dezelfde God (zoals de auteur in zijn Woord vooraf stelt).

Terug naar de bronnen
Het tweede hoofdstuk van het boek behandelt onder de titel 'Ad fontes', 'naar de bronnen', het nieuwtestamentisch spreken over Jezus als de Kurios, de Heere. Zoals bekend is 'Jezus Kurios' de vroegste en meest kernachtige christelijke belijdenis: Jezus is Heer! Maar datzelfde woord 'Kurios' is ook de vertaling van de Naam van God, Jahwe (HEERE). Van de Beek geeft aan dat de vroegste gemeente Christus heeft vereenzelvigd met God. Er wordt over Hem gesproken zoals over God wordt gesproken in het Oude Testament, goddelijke macht en heerlijkheid worden Hem toegekend en in een aantal teksten wordt Hij zelfs uitdrukkelijk God genoemd. Jezus is één met de Vader in wil, in werk, in eer, in volmacht, in oordeel. 'Het Nieuwe Testament geeft een trinitarisch godsbeeld, waarbij de Zoon volledige presentie van de Vader is en de Geest volledige presentie van de Zoon en daarmee dus evenzeer van de Vader' (blz. 121). Van de Beek wil bij het beschrijven van het leven van Jezus niet achter de evangeliën terug: hier vinden we de betrouwbare overlevering hoe de Heiland werkelijk heeft geleefd. Daarbij blijven de wonderen als wonderen staan. Neem bijvoorbeeld de wijze waarop hij schrijft over de maagdelijke geboorte van Christus: 'Maria werd zwanger vanwege de Geest van God, die het leven schiep in haar schoot… God doet vreemde dingen en daar hebben we maar rekening mee te houden. Dat moge ook het hart onrustig maken van hen voor wie de maagdelijke geboorte net zo vanzelfsprekend is als tegels van het trottoir' (blz. 144).
Heel mooie en diepe dingen lezen we in dit boek over Christus' lijden onder Pontius Pilatus, aan het kruis als gevloekte. Bijvoorbeeld deze dieptepeiling: 'het wezen van de vloek en de zonde sterft op Golgotha. De gekruisigde God betekent in de Paulinische opvatting van het kruis: de gevloekte God. En daarmee staat de Hebreeënbrief toch weer heel dicht bij Paulus' (blz. 154). Dat is heel andere taal dan we bij mensen als prof. dr. C. J. den Heijer horen!
Wat de opstanding van Christus betreft: het begon met het lege graf. Dat vormt het negatief van het paasverhaal. Daartegenover staan de verschijningen als het positief. We mogen deze niet vergeestelijken, want het gaat om heel concrete lichamelijkheid. Jezus is opgestaan met de print van zijn ervaringen in zijn lichaam (blz. 167), Hij is over de dood heen in het eeuwige leven. De opwekking van Christus betekent dat zijn leven en dood als verzoening zijn aanvaard. Het heilsfeit van de Hemelvaart wijst op de intronisatie, de troonsbestijging van Jezus. Vanuit de belijdenis van het koningschap van Jezus staan de gelovigen kritisch ten aanzien van alle machten die zich breed maken op aarde. Jezus de Kurios komt als de eschatologische Rechter. Verschillende afzwakkingen van de realiteit en betekenis van de komst van Christus worden van de hand gewezen. De dag van het laatste oordeel is reële toekomst. Deze dag is ook de dag van (het wonder van de) genade. Schemert hier de alverzoening door?

Culturen en religies
Boeiend is het gedeelte dat gaat over 'inculturatie': dat God in Jezus tot ons gekonien is, zal elke cultuur in haar eigen taal en leven tot uitdrukking moeten brengen. Het gaat dan om een eigen, bij de tijd en cultuur passende, vorm van belijden en van christelijk leven. Christus is gekomen tot elke cultuur en staat tegelijk kritisch jegens elke cultuur. Van de Beek bespreekt kritisch een aantal voorbeelden van inculturatie in vroeger dagen (onder andere in de verzoeningsleer van Anselmus) en in onze tijd (bijvoorbeeld Pannenberg).
Over de verhouding van het christendom tot andere religies geeft de auteur een boeiende beschouwing. De eigenaardigheid van het christendom is gelegen in de persoon van Jezus. Een christologie waarin de historische persoon van Jezus de enige waarachtige God is, zet het gesprek onder grote druk. Toch mag die belijdenis daarom niet opgegeven worden. De belijdenis van de godheid van Christus verdraagt zich niet met het pluralisme. Van de Beek kiest voor 'unicisme': het gaat in het christelijk geloof om de unieke relatie met een unieke persoon. In deze historische persoon ontmoeten wij God. Er is een bijzondere relatie tussen christendom en islam, maar er liggen juist rond de belijdenis 'Jezus is Kurios' ook grote spanningen. Dat God mens wordt, is voor het christelijk geloof het hart van het belijden en voor de islam godslastering (blasfemie). De islam kent ook geen plaatsvervangend dragen van de schuld. In het christendom heeft God geen schone handen (2-75). Allah wordt zelf op geen enkele wijze betrokken in het lijden en in de schuld. Wat de verhouding tussen Jezus en het volk Israël betreft: een christologie is niet voltooid als niet over Israël gesproken is. Hij is de Messias van Israël. Van de Beek stelt hierover een afzonderlijke studie in het vooruitzicht, 'die echter uitdrukkelijk in eenheid met dit boek moet worden gezien'. Het doet wat merkwaardig aan dat iemand enerzijds een dik boek over christologie kan schrijven zonder nog op de verhouding met Israël in te gaan en anderzijds toch stelt dat die verhouding essentieel is voor het verstaan van de persoon van Jezus!

God verantwoordelijk voor de schuld?
Rond de tendens naar alverzoening die in dit boek onmiskenbaar aanwezig is, liggen mijn belangrijkste kritische vragen. Kun je inderdaad zeggen: 'God neemt alle verantwoordelijkheid voor ons mensen op zich. Daartoe is God mens geworden: om zichzelf te vervloeken' (155)? Van de Beek gaat op dit punt heel ver. Hij noemt één en andermaal God verantwoordelijk voor de schuld van de mensen. Enkele citaten: 'Paulus doet de laatste stap: God neemt niet alleen de verantwoordelijkheid voor het lijden van mensen, maar ook voor hun schuld. Hij erkent die als zijn eigen schuld' (155). 'Het is terechte verantwoordelijkheid. Hij is de Almachtige, Schepper van hemel en aarde. God legt de diepte van het conflict openlijk op tafel en zegt dat Hij daarvoor verantwoordelijk is. God neemt de schuld der wereld op zich en daarmee uit.' (156) 'Je moet leven met een God die geen schone handen heeft, maar zich volledig verantwoordelijk stelt voor deze wereld, met alles wat daarin gebeurt, gebeurd is en gebeuren zal' (157).
Dit spreken over God als (mede)verantwoordelijk voor het lijden en de schuld is mijns inziens grensoverschrijdend. Het hangt mijns inziens samen met het gegeven dat in het denken van de auteur de zondeval geen rol speelt, althans zeker niet de rol die deze altijd heeft gespeeld in de gereformeerde geloofsleer. Er wordt wel verwezen naar Irenaeus die stelde dat Adam en met hem alle mensen zijn geschapen als een klein kind. Ze zijn niet in staat verantwoordelijkheid te dragen (41). Of ook naar een andere schrijver uit de vroege kerkgeschiedenis, Hippolytus: Adam 'bezat niet het grootste verstand'. Wel wordt op blz. 261 gesproken van een radicale breuk in de wereld en tussen de wereld en God als één van de fundamentele gedachten, van het christelijk geloof. Maar als die breuk er is doordat de mens kennelijk van begin af aan niet met de mogelijkheid was uitgerust om het kwaad te weerstaan en het goede standvastig te doen, kunnen we inderdaad de schepper verantwoordelijk stellen voor de zonde! Is de mens echter, zoals de gereformeerde theologie altijd op bijbelse basis heeft geleerd, goed en naar Gods evenbeeld geschapen in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid, dan blijft de absurditeit van de zonde voluit staan en is God daarvoor op geen enkele wijze verantwoordelijk. Groot is juist dan het wonder dat Hij in Christus de gevolgen van de zonde en zelfs de zonde en schuld zelf op zich heeft willen nemen om zo plaatsvervangend de straf te dragen die de zonde verdient.

God en het lijden
Van de Beek wil niet de gedachte onderschrijven dat God alleen geleden heeft naar de mensheid van Christus. Dan zouden we de eenheid van de persoon van Christus verbreken. God zelf ondergaat volgens hem het op een werkelijk menselijke wijze ervaren lijden. Vergelijk hiertegenover de heldere onderscheidingen van de kerkvader Tertullianus: 'Niet de Vader heeft geleden, maar de Zoon. Niet de goddelijke natuur van de persoon heeft geleden, maar de menselijke'. Op die wijze is een dubbele zekering aangebracht 'tegen een verval van het goddelijke wezen in een menselijke geschiedenis.' De HEERE God blijft in zijn hartelijke bewogenheid met en betrokkenheid bij het menselijk lijden toch zelf boven het lijden staan en wordt er niet in meegezogen. Dat is naar mijn overtuiging een onopgeefbaar belijden. Anders dreigt het gevaar dat het lijden toch geaccepteerd wordt als behorend bij de schepping en bij de Schepper. De Schepper wil het lijden niet, Zijn oorspronkelijke schepping kende het lijden niet en op de nieuwe aarde zal het lijden uitgebannen zijn. Juist vanuit die overtuiging worden we gestimuleerd tot taai verzet tegen alle lijden. Van de Beek dreigt door zijn beschouwingen dat verzet zijns ondanks te ondermijnen.

Tweede kans?
Speculatief is Van de Beek als hij de gedachte oppert dat vele mensen uit de tijd van de zondvloed in de hel een tweede kans tot bekering hebben gehad toen Christus na Zijn dood aan hen is verschenen. Hij leest dit in de belijdenis 'nedergedaald in de hel' en in enkele nieuwtestamentische teksten (zie blz. 208 over 1 Petrus 3 : 19 en 4 : 6: de proclamatie aan de voorouders krijgt de gestalte van de evangelieverkondiging). God (Jezus) is naar de hel gegaan. Hij ontmoette daar een hele wereld van voor de zondvloed. Maar Hij zelf droeg hun lot van verlorenheid. Daarmee is de hel van karakter veranderd, net als de wereld van karakter veranderd is met de komst van Jezus. Hier worden de laatste machten, de duivel en de dood, verslagen. De beslissing is gevallen op Golgotha. Daarna gaat Jezus als bevrijder het eigen domein van het kwaad binnen. De hel wordt de eerste plek waar Pasen gevierd wordt (blz. 163). Ik zou dit Van de Beek zo bepaald niet na durven zeggen. Ligt in de Schrift niet veel sterker de nadruk op het allesbeslissende karakter van het heden der genade? Zou er voor het poneren van zo'n tweede kans na de dood niet een veel helderder bijbelse basis dienen te zijn?
Zo zijn er bij dit boeiende boek indringende vragen te stellen. Maar er is ook veel goeds uit te leren en we kunnen dankbaar zijn met het moedige getuigenis inzake Jezus de Kurios!

J. Hoek , Veenendaal

* Naar aanleiding van Dr. A. van de Beek, Jezus Kurios. De Christologie als hart van de theologie, uitgeverij Kok-Kampen, 1998, 320 blz., ƒ 45,–.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Nieuwe aandacht voor aloud belijden: Jezus Kurios!*

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's