De Augsburgse Confessie (3)
Erfzonde
Nadat art. 1 in samenstemming met het klassieke Niceense dogma de Drieëenheid heeft beleden en antitrinitarische ketterijen heeft afgewezen, vertolkt de Augustana in het tweede artikel het reformatorische gevoelen omtrent de erfzonde. Alle kinderen van Adam worden in zonde ontvangen en geboren. Dat betekent 'dat zij allen van de moederschoot af vol kwade begeerte en neiging zitten en van nature geen ware godsvrucht en waar geloof in God kunnen hebben'. Deze aangeboren zonde stelt onder het oordeel van Gods eeuwige toorn allen die niet door de doop en door de Heilige Geest herboren worden. Meteen wordt de opvatting van de pelagiaansgezinden verworpen, die van mening zijn dat de gevallen mens door zijn natuurlijke krachten tot vroomheid kan worden gebracht. Het slot van dit artikel brandmerkt deze visie als een 'smaad voor Christus' lijden en verdienste'.
De toonzetting van de Augustana moge dan (meestal) niet scherp polemisch zijn, met deze ondubbelzinnige belijdenis van de radicaliteit van de zonde en de al even klinkklare verwerping van het Pelagianisme, is een positie ingenomen die een niet gering deel van de Romana regelrecht in het hart trof. Vooral de geciteerde zinsnede uit het slot van het artikel is veelzeggend. Hier treedt het solo Christo (door Christus alleen), waaromheen de bekende drie sola's geschaard liggen, als een allesbeheersend motief aan het licht. Het reformatorische belijden kent een radicale zondeleer, onafscheidelijk verbonden met de leer van de verzoening die uitsluitend door Christus' lijden en verdienste is aangebracht.
God de Zoon
Het derde artikel belijdt Christus als één Persoon, in twee ongescheiden naturen. Die in de wereld kwam teneinde het offer te brengen voor de zonde en om Gods toom te verzoenen. Opgestaan en opgevaren is Hij om voor eeuwig over alle schepselen te regeren en om allen die in Hem geloven te heiligen, reinigen, sterken en troosten door de Heilige Geest, hun ook het leven en allerlei gaven en goederen uit te delen en hen te beschermen tegen duivel en zonde. De christocentrische inzet van art. 2 krijgt hier dus zijn nadere ontvouwing. Precies zoals later in de NGB (1561) en de Heidelberger (1563) valt bij de betekenis van Christus' komst op aarde alle nadruk op Zijn verzoeningswerk.
Afgezien van de Schriftuurlijke achtergrond hiervan, wordt deze benadering te meer duidelijk wanneer men bedenkt tegen welk front Melanchton zich richt. In de theologie en de kerkelijke praktijk van de Romana viel het hoofdaccent nogal eens op Christus' voorbeeldige leven. In de vroomheid stond dan ook veelal de navolgingsgedachte centraal, waardoor Jezus' plaatsbekledend verlossingswerk in de schaduw dreigde te raken. Van deze heilloze gewichtsverschuiving is in de Augustana geen sprake. Christus is vóór alles offer: offeraar en offerlam. Zonder twijfel vernam Melanchthon hierin de hartslag van het Evangelie. Daar wist hij de krachtigste troost voor het bange geweten voorhanden.
In hetzelfde teken van genadige troost zet hij eveneens het werk van de verhóógde Christus. Koninklijk regeert Hij alle creaturen (dus ook keizers, koningen en prelaten!) en even koninklijk vernieuwt en vertroost Hij Zijn gelovigen, doet Hij hen in Zijn genadegaven delen en biedt Hij hun een schuilplaats in de strijd met zonde en duivel. Als het om en over Christus gaat, groeit de confessie uit tot een loflied!
Rechtvaardig door het geloof
Kort maar geladen is de belijdenis van de rechtvaardiging door het geloof (art. 4). Vergeving van zonde en gerechtigheid voor God kan niemand verwerven door verdienste, werk en genoegdoening. Wij worden vóór God gerechtvaardigd dóór God, namelijk uit genade, om Christus' wil, door middel van het geloof. Dit geloof is dan ook geen verdienstelijk werk. Het 'doet' niets. Het draagt niets aan. Het gelooft alleen. Het gelooft dat Christus het heeft gedaan: dat Hij voor ons geleden heeft en dat ons om Zijnentwil de zonde wordt vergeven en ons gerechtigheid en eeuwig leven wordt geschonken. Dit geloof rekent God ons immers tot gerechtigheid, zoals Paulus leert.
Het komt dus aan op dit ontvangende geloof. Maar hoe komt men daaraan? Om zulk geloof te verkrijgen – leert art. 5 – heeft God het predikambt ingesteld, het Evangelie en het sacrament gegeven, waardoor Hij middellijkerwijs de Heilige Geest verleent. Die 'waar en wanneer Hij wil' het geloof werkt in degenen die het Evangelie horen. Geloven staat dus niet in onze macht. Het geloof is louter te danken aan de vrijmachtige en vrijwillige werking van Gods Geest.
Dit correspondeert volledig met wat art. 18 leert over de vrije wil. Van een vrije wil kan alleen 'enigermate' sprake zijn voor zover het de keuzevrijheid in uiterlijke, aardse zaken betreft. Maar God van harte vrezen en Hem geloven, dat kan niemand zonder genade en zonder de hulp en werking van de Heilige Geest, Die door het Woord geschonken wordt. Het is deze visie waarop art. 5 al vooruitgrijpt. De wérkzaamheid van het geloof is, naar de vaste overtuiging van de reformatoren, al evenzeer aan vrije, kosteloze genade te danken als de inhoud van het geloof. Wij zijn aangewezen op de Heilige Geest. En Die laat zich niet commanderen of manipuleren.
Woord en Geest
Meteen neemt Melanchthon echter afstand van de doperse opinie dat de Geest 'zónder het hoorbare Woord van het Evangelie door eigen voorbereiding, gedachten en werken' wordt ontvangen. Hiermee haalt de Augustana de band tussen de Geest en het Woord strak aan. Vereenzelvigen wil Melanchthon ze echter niet en evenmin sluit hij de Geest in het Woord op. De Geest is immers God. Hij werkt soeverein, waar en wanneer het Hem behaagt.
Terwijl de predestinatie in de Augustana (evenmin als in onze Heidelberger) afzonderlijk ter sprake komt, treedt in deze gedachte de vrijmacht van Gods welbehagen toch markant aan het licht. Dit wordt nog versterkt door de verwerping van de doperse idee dat een mens zichzelf zou kunnen voorbereiden op de ontvangst van de Geest. Maar tevens en vooral staat de afwijzing van de doperse scheiding tussen Woord en Geest er borg voor, dat Gods vrijmacht ons zou doemen tot lijdelijk fatalisme. Wie de Geest ontvangen wil, die moet zich onder de Woordbediening voegen. Dat is het van God verordende oord en vooral het door Hem geautoriseerde gebéuren waar de Geest ons wordt uitgereikt. Daaraan gaat geen eigenmachtige voorbereiding vooraf. De enige 'voorbereiding' komt van Hogerhand. Het is het geschieden van de prediking zelf, waarmee God ons voor is.
Naar mijn mening wordt hier op een bevrijdend ontspannen manier het evenwicht bewaakt tussen de soevereiniteit van de genade en de welgemeende heilsbedoehng van de Evangeliebediening. Het geloof dat is vereist, is niet van eigen makelij, maar voluit geschenk van God. Hij geeft wat Hij vraagt. En Hij geeft het waar en wanneer Hij wil. Met dit laatste wordt de bedoeling van de prediking allerminst dubbelzinnig en onbetrouwbaar, maar wordt de prediking vanwege de band van Woord en Geest juist verheven tot het trefpunt waar welbehagen en Woord elkaar raken en waar God ons Zijn Geest wil verlenen. De bijwoorden van plaats en tijd ('waar en wanneer) die men als vraagwoorden en zelfs als vraagtekens zou kunnen opvatten, ontvangen hun beantwoording in de prediking. Daarin wordt het 'waar en wanneer' omgezet in 'hier en heden', omdat bij uitstek daar waar het Evangelie schalt, de welaangename tijd (de gelegenheid van het welbehagen) en de dag der zaligheid is aangebroken. Daar daalt de Geest in het hart, wordt geloof ontvangen en vergeving verkregen.
Boetvaardigheid
Deze vergeving – zo leert art. 12 – geschiedt niet slechts eenmaal, maar telkens wanneer men er in boetvaardigheid over de zonden om verlegen is. Echte boetvaardigheid is volgens de Augustana niets anders dan leedwezen over de zonden, waarbij men nochtans gelooft In de vrijspraak van het Evangelie die door Christus is verworven. De echtheid en oprechtheid van de boete blijkt dus uit een zondebesef dat wegvlucht uit eigen moerasgrond en heenvlucht naar de hoger gelegen, veilige bodem van het Evangelie. Door dit toevlucht zoekend geloof, dat zich op het Evangelie van genade verlaat, wordt het hart weer vertroost en tot vrede en vernieuwing gebracht. In dit verband rekent de Augustana opnieuw af met hen die beweren dat de mens niet door het geloof tot (hernieuwde) vergeving komt, maar door eigen genoegdoening. Zo wordt de wacht betrokken bij het sola fide.
Heiliging en goede werken
De realiteit van de heiliging en de noodzaak van de goede werken vormden in de Reformatietijd niet alleen een aangelegen, maar ook een aangevochten punt. Schamper klonk het verwijt dat de leer van de rechtvaardiging-door-geloof-alleen de christelijke levenspraktijk ondermijnde en dat ze zorgeloze mensen teweegbracht. De hervormers hadden op deze aantijging hun weerwoord paraat. Zo ook de Augustana, geheel in Luthers spoor. Waar komt toch het fabeltje vandaan dat Luther de heiliging niet ernstig zou hebben genomen? Dat deed hij voluit. Maar wat hij evenzeer serieus nam is de (drievoudige) vraag, hoe men de waarde van de goede werken inschat, uit welke bron ze voortkomen en waaruit ze bestaan.
Op de eerstgenoemde vraag gaat art. 6 in ('Over de nieuwe gehoorzaamheid'). Wij leren – zo wordt hier gesteld – dat het geloof vruchtdragen moet en om Gods wil en tot Zijn eer goede werken voortbrengen, maar dat men op die werken niet mag vertrouwen om daardoor genade voor God te verdienen. Want wij ontvangen vergeving en gerechtigheid door het geloof in Christus. Wij blijven bovendien met al wat wij doen onnutte dienstknechten. Zo worden de goede werken op de plaats gezet waar zij thuishoren en krijgen ze de waardering die hen toekomt: geen verdienstelijkheid, maar onbaatzuchtig dienstbetoon. De overige twee vragen komen in art. 20 ('Over geloof en goede werken') aan de orde. Melanchthon doet hier om te beginnen een uitval naar roomse boetepreken waarin allerlei kinderachtige en nodeloze praktijken worden voorgeschreven, zoals rozenkransen, heiligenverering, monnikendom, bedevaarten, vastentijden e.d. Gelukkig – zo voegt hij eraan toe – geven onze tegenstanders zelf de laatste tijd van dit soort nutteloze zaken ook al wat minder hoog op en krijgen zij oog voor de betekenis van het geloof. Maar daarmee is het euvel nog niet echt verholpen. Want in plaats van te stellen dat de mens door geloof-alleen gerechtvaardigd wordt, beweren ze: niet alleen door de werken, maar ook door het geloof.
Nu betekent deze aanvulling weliswaar een betrekkelijke correctie, maar ze is halfslachtig. Het is het geloof-alléén dat ons met God verzoent, omdat Christus – op Wie het geloof zich verlaat – de geheel enige Middelaar is. Wie dus denkt Gods genade mede door de werken te verwerven, die veracht Christus en gaat een eigen gekozen dwaalweg. En dat is heilloos, eenvoudigweg omdat het tegen het Evangelie indruist. Onze leer is derhalve niets nieuws, tekent Melanchthon nog eens aan. Ze ligt in het apostolisch getuigenis verworteld en wordt trouwens ook door het gezag van Augustinus gedekt. Dus: door het geloof alleen! Maar juist dit geloof blijft niet alleen, niet onvruchtbaar. Het is veeleer de bron van goede werken.
Met dit geloof bedoelt Melanchthon dan ook niet 'een geloof dat ook de duivel en de goddelozen hebben'. Die geloven slechts de 'historie'. Het ware geloof dringt door tot het persoonlijke nut van de historie, namelijk dat we in vertrouwen op God Zijn belofte omhelzen en door Christus genade en vergeving ontvangen. En wie zo gelooft, die kent God en roept Hem aan. Door dit geloof valt ons de Heilige Geest ten deel. Terwijl wij zo-even hoorden dat 9 het geloof ons door de Geest ten deelt valt, kan Melanchthon deze volgorde dus ook omdraaien, in een onbevangenheid die we precies zo bij Calvijn aantreffen. Men moet hierin geen tegenstrijdigheid willen lezen. Veeleer ontspringt deze tweeledige benadering aan de eerbiediging van een geheimenis, namelijk de samenhang van Woord en Geest, die zó nauw is dat zij samen tegelijk werkzaam zijn. Het is de Geest Die met en onder het gepredikte Woord het geloof werkt, maar het is evenzeer dit ontvangen en ontvankelijke geloof door welk kanaal de Geest wordt verleend. Het is beide tegelijk waar: de Geest komt mét geloof en Hij komt dóór geloof.
Waar het de Augustana in dit verband om gaat, is dat het geloof ons doet delen in de Heilige Geest en dat door deze Geest 'het hart bereid wordt gemaakt om goede werken te doen'. Voordat de Geest ons leven beheerst, zijn we 'in de macht van de duivel'. De Geest bevrijdt en maakt vruchtbaar, door het geloof. Zo vormt het geloof de bron van goede werken. En men proeft iets van de reformatorische vreugde en bevrijding, wanneer hierbij wordt aangetekend hoezeer deze leer te prijzen valt in plaats van te laken. De heiliging is niet langer een wettisch juk dat ons kwelt en beknelt, maar vrucht van genade en geloof. Het geweten kan immers nooit tot rust en vrede komen door de werken, maar alleen door de geborgenheid in de genadige God. En eerst uit deze bron zijn de goede werken goed; niet slaafs maar spontaan; niet om loon maar uit liefde.
Waaruit bestaan nu goede werken? Niet uit de beuzelingen die door mensen zijn bedacht, zoals we zagen, maar uit 'het aanroepen van God, geduld oefenen in het lijden, de naaste liefliebben, het van God gegeven beroep met ijver uitoefenen, gehoorzaamheid betrachten en kwade lusten vermijden enz.' Dit zijn de 'hoge en rechte werken'. Ze kunnen niet geschieden zonder Christus' genadige bijstand, zoals Hij Zelf sprak: 'Zonder Mij kunt gij niets doen'. Niet minder dan in de rechtvaardiging geldt ook in de heiliging: Christus alleen. Hij is de Bron en anders geen.
A. de Reuver, Delft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's