Uit de pers
Over mensen gesproken
Deze week is de Boekenweek 1999 van start gegaan (10-20 maart). Het thema is dit keer: Familie-album. Hoe gaan mensen met elkaar om? In families en gezinnen. Welke plaats heeft dat thema in de literatuur gekregen? Daar hebben we het verder niet over dit keer. Als ik dit schrijf, duurt het nog even eer genoemde week van start gaat. Wel liep ik al bladerend in verschillende periodieken aan tegen verhalen die het menselijk (samen)leven tot thema hadden. Echt vrolijk word je daar niet altijd van. Er worden soms bizarre visies op tafel gelegd. In De Wekker van 26 februari 1999 haakt dr. J. Schipper in op de in Engeland fel gelaakte uitspraken van (intussen) ex-voetbalcoach Glenn Hoddle en op de in ons land tot veel rumoer geleid hebbende visie van ene dr. Rietdijk. Beiden lieten zich tamelijk bot uit over onze gehandicapte medemens.
'Enkele weken geleden werd de coach van de Engelse voetbalbond, Glenn Hoddle, ontslagen. Dat is geen nieuws waar een Wekkerlezer wakker van ligt. De reden van zijn ontslag is daarentegen alarmerend. In een interview beweerde hij dat mensen met een handicap het aan zichzelf te wijten hebben dat ze misvormd zijn. Blijkbaar hebben zij in hun vorige leven een zware schuld op zich geladen en daarom zijn zij nu zo. "Wat je zaait", zegt Hoddle, "moet je ook oogsten."
Vorige week kwam de cultuurfilosoof Rietdijk in het nieuws met de bewering dat het leven van kinderen die "geestelijk en lichamelijk onvolwaardig" zijn, door middel van abortus of euthanasie beëindigd zou moeten worden. Rietdijk vindt het volkomen gerechtvaardigd om bijvoorbeeld "mongooltjes" te doden. Zodoende wordt ruimte geschapen voor "hoogstaande en begaafde mensen", wordt veel geld bespaard en wordt voorkomen dat ouders eronder lijden. Een moeder die in een radioprogranuna op deze uitspraken reageerde, vertelde dat zij die week niet met haar gehandicapte kind over straat durfde gaan. "In feite geeft die man mij de schuld, omdat ik mijn kind in leven heb gehouden."
De uitspraken van Hoddle en Rietdijk zijn schokkend. Gehandicapten hebben alle ellende aan zichzelf te danken. Als ouders een gehandicapt kind hebben, dan is dat hun eigen schuld. Ik beschouw hun uitspraken als stemmen uit de afgrond, voorboden van een heidendom dat zich als een olievlek over Europa verspreidt.
…vrijgesproken
Hoe anders spreekt de Heere Jezus over wat wij mensen zo gemakkelijk "eigen schuld" noemen. Als de discipelen een blindgeboren man zien, gaan zij er zondermeer vanuit dat hijzelf óf zijn ouders gezondigd hebben. Zo zijn wij mensen. Wij maken ons eerder druk over de zonden van anderen, dan ons zorgen te maken over onze eigen schuld. Christus is anders. Die man is blind, zegt Hij, "opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden" (Johannes 9 : 3b). Christus gunt en schenkt de blinde het licht in de ogen. Zodat eenieder die in Hem gelooft, zal zien dat Hij het "Licht der wereld" is. Zodat ook van ieder mens die Hem volgt, gezegd kan worden: gij zijt het licht der wereld".
Een leven in hét Licht, dicht bij Jezus, is niet vrijblijvend. Wie Hem liefheeft, is geroepen tot daadwerkelijke liefde, aandacht en zorg voor zijn naaste, inclusief mensen met een handicap. Hier gaan de wegen uiteen. Waar de "Rietdijken" in onze samenleving geconfronteerd worden met het lijden van mensen, wordt het lijden bestreden door de lijdende mens zelf te elimineren. Maar als een christen geconfronteerd wordt met lijden, zal hij zich inzetten om dat leed te verzachten. Om de eenvoudige reden dat hij niet anders kan en mag handelen dan de grote Heelmeester in wiens voetspoor hij treedt. Er is voor de schuld van mensen maar één geneesmiddel: Jezus.'
Het zal me benieuwen hoe de rechter zal oordelen over de uitspraken van dhr. Rietdijk nu de Gehandicaptenraad een aanklacht tegen hem heeft ingediend. Als het om het discrimineren van medemensen gaat, mag er gelukkig niet veel in dit land.
Over kerkmensen gesproken
Onder gelovigen bestaat helaas nog altijd de aanvechtbare gewoonte elkaar in vakken in te delen en met etiketten te beplakken om zo jezelf het idee te geven dan verder niets meer met elkaar van doen te hebben. Die kwalijke gewoonte heeft al heel wat mensen verwond. Wat nog erger is: van God en kerk doen vervreemden. Een voorbeeld daarvan las in in Opbouw van 19 februari 1999. Dhr. H. Algra merkt op dat reizen per trein soms tot interessante gesprekken kan leiden. Maar een gesprek kan ook uitmonden in een theologische discussie. Lezend in een boek met de prikkelende titel 'Oorlog in de kerkbanken', begint een medereiziger daarop te reageren en te vertellen wat hij allemaal heeft meegemaakt: die hele Pinksterbeweging kan mij gestolen worden.
'"Ik was gereformeerd, maar dat beviel me niet. Het was allemaal zo koud, zo lauw, zo afstandelijk. Mijn eigen geloof leed er onder. Ik werd zelf ook lauw, ik raakte daar de Heer kwijt. En dan kom je in aanraking met een Volle Evangeliegemeente. Kent u die gemeenten? Fantastisch! Wat een meeleven met elkaar! Dat was wat ik zocht! Ik heb me laten uitschrijven bij de Gereformeerde Kerk. Nooit meer wat van gehoord. En ik heb me laten dopen door onderdompeling.
Twee jaar geleden ontmoette ik een vrouw. Ik heb haar bij de Heer mogen brengen. Maar we zijn niet getrouwd. Zijn we wel van plan, hoor. Maar zij had zó'n huurschuld, dat ik zei dat ze bij mij in mocht trekken. Nou, wat je dan allemaal over je heen krijgt. Daar lusten de honden geen brood van. De oudsten kwamen op bezoek. Ik leefde samen met een vrouw en dat kon zomaar niet. Bovendien was die vrouw ook nog eens gescheiden. Nou, meneer, ze mochten de slaapkamer zien, we slapen echt apart. Maar ja, er deugt niks meer van me. Ik leefde in zonde tegen het zevende gebod.
Voortaan werd ik totaal genegeerd en afgeschreven. Ik hoorde er niet meer bij. Ze hebben me uit de kerk gegooid. Dat is nou oorlog in de kerkbanken! En dan gaan je de ogen opeens open, hè? Meneer, ik kan u zoveel ellende vertellen over die gemeente. Kent u die gemeente?" Die gemeente zegt me niets, mijn medereiziger woont in een andere woonplaats. "Oh, gelukkig maar, dan komt u niet in de verleiding om daar de samenkomst te bezoeken. Bent u trouwens kerkelijk aangesloten?"
Menselijke tradities
We komen met elkaar in gesprek over de vraag wat de kern is van het Evangelie. "Niemand minder dan Jezus Christus", zegt hij. "En daarom begrijp ik het niet. Ze leggen allemaal menselijke normen aan. ledere keer weer loop ik daar tegenaan. Ze bemoeien zich met de kleding van jongeren. Een oorbel in je oor en je hoort er niet meer bij. De ene na de andere jongere verlaat de gemeente, omdat ze geen ruimte krijgen. Wat zou Jezus daarvan gezegd hebben?"
"Dat is een belangrijke vraag", antwoord ik. "Maar de kerken bestaan uit mensen en die mensen hebben de neiging om naar menselijke maatstaven te meten. We kijken soms meer naar de buitenkant dan naar de binnenkant. Een traditie wordt – als we niet uitkijken – na een tijdje gelijk gesteld met de Bijbel. Daar gaat dit boek ook een beetje over. Maar gelukkig: het kan ook anders."
Oorlog in de treinbanken
"Waar bent u eigenlijk lid?" vraagt mijn overbuurman opeens. "Ik hoor bij de Here Jezus", antwoord ik. Dat bedoelt hij niet. Hij wil nu het naadje van de kous weten. Dus vertel ik waar ik op zondag naar de kerk ga.
"Nederlands Gereformeerd? Ja, die kerk ken ik wel een beetje, dat valt nog wel een beetje mee. Maar u bent dus niet gedoopt door onderdompeling?" "Nee, voor zover ik me kan herinneren ben ik niet gedoopt door onderdompeling", antwoord ik – een beetje de scherpte van zijn vraag omzeilend. "Maar het teken dat ik op die zondag na mijn geboorte mee heb gekregen is wel een prachtig gebaar van onze Vader in de hemel."
"Maar dat kán toch niet?" zegt hij. "U wekt de indruk dat u de Bijbel kent en u gaat aan zo'n opdracht voorbij!"
"Zou u me kunnen aanvaarden als lid van uw gemeente als ik niet opnieuw gedoopt word?" is mijn wedervraag.
"Nee", zegt hij, "dat kan niet. U gehoorzaamt niet! U weet dat er in de Bijbel staat dat u door onderdompeling gedoopt moet worden en u gaat maar gewoon zo door in het leven. Voor zulke mensen is er in de gemeente geen plaats."
"Waar hadden we het net ook alweer over?" vraag ik. "Wat is de kern van het chirstelijk geloof?"
"Dat je gehoorzaamt aan de Heer", is zijn antwoord. "En dat doet u kennelijk niet!"
Argumenten schieten me op dit moment niet te binnen. Ik heb ook geen zin in zo'n discussie. Eerlijk gezegd ben ik teleurgesteld. Ik dacht dat we elkaar konden vinden, maar dat blijkt bij deze man niet het geval. Hij sluit mij uit omdat ik een andere visie op de doop heb. Trekt hij geen grenzen waar Jezus ze niet getrokken zou hebben? Is er nu ook nog oorlog in de treinbanken? Ik zeg maar dat ik weer verder wil lezen in mijn boek.
Als mijn medereiziger over moet stappen zegt hij bij wijze van afscheid: "Ik hoop dat u de waarde van de doop door onderdompeling nog in zult gaan zien".
Ik kijk even opzij. De buurman aan de andere kant is in een diepe slaap verzonken. Een ander heeft een walkman op. Gelukkig maar. Het einde van dit gesprek lijkt me geen reclame voor het christelijk geloof.'
Oorlog in kerkbanken. Als je ergens oorlog verwacht, in kerken niet. Maar wie geen vreemdeling is in het kerkelijk Jeruzalem, weet dat Gods voetvolk lang niet altijd in gesloten gelederen onderweg is naar het Koninkrijk Gods. Soms al te makkelijk schrijven wij elkaar af. Gelukkig leren we de God van de Bijbel kennen als Iemand die zulk een gewoonte niet kent. Integendeel, Jezus' volgelingen komen uit kringen die werden afgeschreven door zijn tijdgenoten. Laten we in de omgang met elkaar, ook binnen kerkgemeenschappen en gemeenten meer zoeken naar wat bindt dan naar wat scheidt. Het is hoog tijd ons te concentreren op de hoofdzaak.
Mensen en overleven
Hoe blijven mensen op de been, soms onder de meest bizarre omstandigheden? Soms kom je mensen tegen die hun verhaal aan je vertellen tot in details. Wat een drama's, wat een verdriet. Stil verdwijn je naar huis.
Of, in nieuwsprogramma's of documentaires krijg je een blik geslagen in het leed dat voflcen op de aardbol trof en treft. Hoe houden mensen het vol om te blijven leven. In Hervormd Nederland van 27 februari 1999 schrijft prof. dr. Auke Jelsma in de februari-aflevering van Voorlopig daarover onder het opschrift Gewoon doorgaan.
'Deze week viert mijn moeder haar zesennegentigste verjaardag. Onvoorstelbaar wat zij allemaal te verwerken heeft gehad. Als boerendochter opgegroeid in een klein Fries dorp. Water uit de pomp en de regenbak. Licht van een petroleumlamp. Vervoer over de zandwegen met paard en wagen. 's Winters samenhokken rond de ene kachel. Haar broer stierf jong aan een longontsteking. De drie zusters hebben allen één van hun zoons naar hem vernoemd: Auke. Door haar huwelijk met een onderwijzer kwam zij in Amsterdam terecht. Ze voedde zes kinderen op, terwijl twee wereldoorlogen de planeet teisterden; de kerk waartoe zij behoorde een scheuring onderging; televisie zich een plek veroverde; Indonesië zich vrijvocht; diersoorten uitstierven; mensen voet op de maan zetten en de wereldkaart veranderde. Maar wat haar vooral bezighield, verschilde niet echt veel van wat haar voorouders bezielde.
Er schuilt een hardnekkige onverstoorbaarheid in de mens, constateert John Updike dan ook in zijn laatste roman Toward the End of Time (1998). Het verhaal speelt in 2020. Inmiddels heeft de derde wereldoorlog plaatsgevonden. De bevolking is gehalveerd, de Verenigde Staten uiteengevallen, de infrastructuur volledig vernietigd maar in het renteniersdorp bij Boston gaat het leven redelijk normaal door. In plaats van belastingen betaalt de hoofdpersoon beschermingsgeld aan misdadigers. Als hij dat niet deed, zou het slecht met hem aflopen. Echt druk maakt hij zich er niet over. De lasten zijn minder groot dan wat de overheid voorheen via de belastingen van hem eiste. De mensen met wie hij verkeert, brengen hun tijd door met bridge, onderhoud van tuin en huis, en het contact met kinderen en kleinkinderen, "al die activiteiten die geen spoor nalaten". Zelf zit hij in over de geleidelijke aftakeling van zijn lichaam, vooral als eenmaal prostaatkanker is geconstateerd.
Af en toe mijmert hij over de absurditeit van de situatie. De helft van de wereldbevolking uitgeroeid. De samenhang weg. Dat overleeft de mensheid toch niet? Dus wel. De meest essentiële dingen gaan gewoon door. Hij trekt een vergelijking met de ineenstorting van het Romeinse Rijk. In de totale chaos roept de overlevingsdrift zelfs nieuwe krachten op. "Op simpele boerenbedrijven en in werkplaatsen deden zich technische vernieuwingen voor die de theoretiserende Romeinen in de slavenmaatschappij van weleer niet aangedurfd hadden. (…) Mensen sterven bij de vleet maar de mensheid is even taai als het woud dat kreunt en zucht bij mijn raam."
Misschien bedoelde de psalmdichter zoiets, toen hij schreef: "God is ons een toevlucht en sterkte. Daarom zullen wij niet vrezen, al verplaatste zich de aarde, al wankelden de bergen in het hart van de zee".
Mensen kunnen dus heel wat hebben. Geen taaier soort dan het menselijke ras. Je kunt hun bestaan omverwerpen, je kunt de grond onder hun voeten weghalen, je kunt hun levenspatroon ondersteboven gooien: ze slikken en gaan door. Natuurlijk moeten zij er een prijs voor betalen. Niet iedereen is tegen ontworteUng en chaos opgewassen. Natuurlijk vallen er slachtoffers. Maar de overlevenden gaan door met wat zij als de essentiële dingen van het leven ervaren: zij zoeken een partner, krijgen kinderen en zorgen voor de mensen die op hun weg worden geplaatst. Getuigt dit van wijsheid of van een tekort aan inlevingsvermogen? Miljoenen Armeniërs, joden, Hutu's en Tutsi's vermoord; miljoenen kinderen misbruikt; een aarde doordrenkt met bloed; de lucht zinderend van de angstschreeuw van de onderdrukten. Diepe sporen in de menselijke geschiedenis, tegelijk niet meer dan rimpels in de vijver van het individuele bestaan. De meeste mensen leven immers bij de dingen die, zoals Updike schreef, geen spoor nalaten. Een beetje bizar.'
De verbeelding zet soms helder neer wat er aan de hand is. Dit keer via het boek van Updike verwoord door prof. Jelsma. Het menselijk ras in zijn taaiheid en overlevingskracht. Het incasseringsvermogen van mensen lijkt tot grote hoogten te stijgen. Tegelijk beseffen we dat God wereld en mensheid in Zijn Vaderhanden draagt. Een troost als we daar persoonlijk in verdriet en moeite ons in begrepen weten.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's