De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De genoegzaamheid van de Heilige Schrift en de culturele context

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De genoegzaamheid van de Heilige Schrift en de culturele context

'Eén of meer bronnen?'

9 minuten leestijd

'Natuurlijk mogen wij in het gelovig denken over de Schrift haar ook vandaag de eigenschap toekennen van de genoegzaamheid. Als wij dan maar niet vergeten, dat deze genoegzaamheid onmiddelijk hangt aan het: aan God genoeg hebben. Daarmee is gezegd, dat de belijdenis van de genoegzaamheid van de Heilige Schrift ten diepste een geloofsbelijdenis van de eerste orde is. Het is een belijden, staande voor Gods aangezicht: Aan U heb ik genoeg! Daarmee is gegeven, dat wij allerminst genoeg hebben aan onszelf, aan de tegenwoordige en voorbijgaande gestalte van deze wereld, aan de uitingen (hoe verheven ook) van de menselijke geest, aan de prestaties van de techniek en van de cultuur.'

Dit citaat is ontleend aan het openingswoord van wijlen ds. G. Boer in januari 1969 op de predikantencontio van de Gereformeerde Bond te Woudschoten, dat hij hield onder de titel 'Eén of meer bronnen?' Genoegzaamheid van de Heilige Schrift is genoeg hebben aan God en aan Zijn gesproken en geschreven Woord. De ware profetie – zegt hij – wordt op haar tocht door de eeuwen vaak begeleid door de valse profetie. De ware overlevering van het pure Woord van God wordt vaak overdekt door inzettingen en geboden van mensen. Boer haalt daarbij een woord aan van Cyprianus, de bisschop van Rome, die zei: 'de gewoonte zonder de waarheid is de ouderdom van de dwaling'.


Ds. Boer keert zich in dit referaat allereerst tegen de twee-bronnen-leer bij Rome (Schrift en traditie), een leer die op het Tweede Vaticaans Concilie weliswaar onder kritiek stond maar die nochtans door persoonlijk ingrijpen van de paus werd gehandhaafd. Per decreet 'Dei Verbum' (1965) werd bepaald, dat 'Schrift en overlevering' 'met gelijke toeweiding, vroomheid en eerbied aanvaard en geïnterpreteerd' moesten worden.

Onzekerheid
Hier past ons geen farizese houding zegt ds. Boer vervolgens:
'Ook kunnen wij ons de vraag stellen met hoeveel vooringenomenheden en met hoeveel traditionele ballast in de kwade zin van het woord wij de Schrift lezen. Wie zal eigen hart doorgronden? De geloofsbelijdenis: de Schrift alleen, kan alleen volgehouden worden in de uiterste spanning van het geloof en in de gehoorzaamheid aan de roeping Gods…
Alleen in de levende verbinding met het zelfgetuigenis van de Schrift en in het getuigenis van de Heilige Geest is de mondigheid van de gemeente gegeven en bewaard.'

Wanneer er sprake is van 'heilsonzekerheid', zegt hij, gaat men gemakkelijk zijn toevlucht nemen tot 'tweede bronnen': het verstand, het gevoel, de wil. 'Zodra de direct toesprekende God van de kerk wijkt, komen de aarzelingen en de twijfelingen. Dan komen de behoeften op aan andere handgrepen en houvasten'.

Ds. Boer wijst erop hoe Jezus heeft gestreden tegen de leraren van Israël, 'die door de inzettingen van de ouden en door de toevoegselen niet meer in staat waren het pure, naakte Woord van God te horen'. En Paulus kon 'schelden' tegen eigenwillige inzettingen, die van het Evangelie vervreemdden.
De genoegzaamheid van de Schrift wordt dan ook bereigd van twee kanten. Enerzijds door de nadruk op 'de gecompliceerdheid van het leven' en anderzijds door 'de heilsonzekerheid'.

Overvragen
Met betrekking tot 'de gecompliceerdheid van het leven' merkt ds. Boer op, dat we de Schrift kuimen óver-vragen. Letterlijk: 'Wij mogen zeggen dat de Schrift alles weet en toch niet alles wil weten. De Schrift weet alles wat tot Gods eer en tot onze zaligheid strekt, maar wil niet alles weten wat b.v. met het wereldbeeld samenhangt. Ook dit overvragen kan afbreuk doen aan de genoegzaamheid van de Schrift, voor ons en onze kinderen.
Hier noemt ds. Boer als 'tweede bron' de 'dynamiek van onze tijd'. Niet de traditie muilkorft dan het Woord Gods maar de tijd, haar vragen, haar verbluffende problemen geven de pas aan voor de kerk en overwoekeren het Woord Gods. We kunnen dan – zo heet het – niet met oude antwoorden volstaan maar alles moet vernieuwd en veranderd worden om zo antwoord te geven op die verbluffende problemen.
'Worden wij dan nooit wijzer' – vraagt hij – 'zodat, wanneer wij de ene ineenstorting net achter de rug hebben, wij weer een andere gaan voorbereiden? Zijn wij dan zo verblind, dat wij de tekenen der tijden niet meer kunnen onderscheiden?'

Cultuur
Ds. Boer onderkende het grote gevaar, dat de cultuur als 'tweede bron' de genoegzaamheid van de Schrift naar achteren zou dringen. Hij sprak deze woorden toen in de Hervormde Kerk de discussie over het ambt in volle hevigheid was losgebarsten. De predikantenconferentie stond in dat jaar – met drie referaten – helemaal in het teken van die discussie. 'Waar komen wij terecht met het ambt, om maar te zwijgen over de vrouw in het ambt?', vroeg ds. Boer.


Ik heb dit referaat van ds. Boer nog eens voor het voetlicht gehaald, omdat zich vandaag de discussie van die dagen lijkt te herhalen, nu dan binnen de Gereformeerde Gezindte, in zowel de Geref. Kerken (vrijg.), de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken alsook in hervormd gereformeerde kring. Hoe dwingend of dringend zijn de eigentijdse vragen voor het verstaan van de Schrift?
Recent werd een studiedag belegd naar aanleiding van het boek 'Vrouwen op een zij-spoor', dat door schrijvers uit onderscheiden kringen van de Gereformeerde Gezindte werd uitgegeven. Aangezien de verslagen van die dag in Trouw en het Nederlands Dagblad enerzijds en het Reformatorisch Dagblad anderzijds nogal ongelijksoortig uitvielen, wil ik me liever niet wagen aan een reactie aan de hand van die verslagen. Het gaat me om de zaak zelf. Daarom heb ik nog eens tevoorschijn gehaald de bespreking van het boek zelve in een paginagroot artikel van ds. C. den Boer in het Reformatorisch Dagblad (8-8-1998). Ds. J. M. Aarnoudse (Chr. Geref.) is van oordeel, aldus ds. Den Boer, dat wij in onze geheel andere cultuurwereld Paulus niet meer kunnen volgen in wat hij schrijft over de man-vrouw verhouding, omdat die daaraan een 'eigentijdse cultureel bepaalde invulling' gaf. Bovendien meent Aarnoudse, dat het niet gewenst is om hetzelfde spoor te bewandelen als Paulus, omdat deze in zijn omgang met de Schriften er een 'rabbijnse' manier van doen op na blijkt te houden. Andere auteurs sluiten daarbij aan. Hier gaat het dus om meer dan exegese. Ds. Den Boer acht het 'een kwalijke verzoeking' om de inhoud van de boodschap van Paulus – de man, die toch op de weg van Damascus werd bekeerd?! – te verstaan door diens uitspraken te lezen tegen de achtergrond van wat hij op de school van Gamaliel had geleerd.

Twee bronnen?
Niet zonder reden zegt ds. C. den Boer, dat onder gereformeerd gezinden wat hem betreft dit boek 'tot op de bodem doorgespit' moet worden: 'Laat de onderste steen boven komen'. Ik sluit me daarbij gaarne aan.
Enerzijds gaat het om de vraag of, met betrekking tot de positie van de vrouw, altijd wel echt aan de Schrift is recht gedaan. Den Boer schrijft: 'Ik weet hoe gemakkelijk in de praktijk van het (kerkelijk) leven met een beroep op scheppingsordeningen de gelijkwaardigheid van man en vrouw in de doofpot is gedaan en – heel venijnig -–de baas is gespeeld over de vrouw'. Gewoonten, hoe scheefgegroeid ook, kunnen ook hier over de Schrift heersen.
Maar anderzijds is het hoogst ernstig te noemen wanneer ook in de Gereformeerde Gezindte nu de cultuursituatie als het ware een tweede bron lijkt te worden om de Schrift te (kunnen) lezen, zoals bij Aarnoudse het geval is. Want dan gaat het om meer dan (de vrouw in) het ambt. Gestrande schepen zijn hier bakens in zee.

Eigentijds
Het valt niet te ontkennen, dat elke tijd eigen specifieke vragen heeft. Het valt ook niet te ontkennen, dat onze tijd wel zeer turbulente ontwikkelingen te zien geeft, zodat terecht gesproken wordt over een cultuuromslag. Het wordt tijd, zegt C. den Boer terecht, dat er heldere en schriftuurlijke antwoorden komen op de vragen van onze tijd, 'opdat niet de praktijk het van de theorie langzaam maar zeker wint'. En ds. G. Boer zegt, dat van ons wordt gevraagd met geheel onze inzet, 'zonder onszelf en anderen te ontzien' het hoge Woord Gods te spreken 'in de situatie van nu'. 'Wanneer de gaven en krachten van de Heilige Geest naar de belofte Gods over ons loskomen, zullen ketenen doorbroken worden en zullen wij jong en fris het Woord gezagsvol ook in deze tijd weten te spreken.'


Met de gewoonte of de traditie komen we er niet. Die zal een rietstaf blijken te zijn, die de hand doorboort. Maar we kunnen ook zo onder de indruk geraken van de problemen van onze tijd, van de ons omringende cultuur en de cultuuromslag, dat de Schrift wordt gelegd op het procrustusbed van die cultuur en de zelfgenoegzaamheid van de Schrift wijkt.
Onze cultuur heeft nog maar net, ook in de theologische doordenking, de revolutie- en bevrijdingsideologie gehad. Daarin werd afgerekend met zo machtig veel wat is overgeleverd. Normen en waarden, die naar het Gebod zijn, gingen overboord. En met veel traditie (kleine letter) ging in de kerken ook veel van de grote Traditie (hoofdletter) mee. De ene steen, die werd losgewrikt, nam soms de andere mee. Daarom kan de cultuur onze leermeester niet zijn, hoe spiritueel geëngageerd (New Age) die vandaag ook moge zijn. Daarom kan de cultuur onze 'tweede bron' niet zijn. De Schrift alleen is ook vandaag genoegzaam voor de zaligheid van de mens. Is deze ook niet genoegzaam om er profetisch mee in te gaan op een cultuur, die meer en meer godloos is geworden? We hebben het profetische Woord, dat zeer vast is en we doen wel daar acht op te geven als op een hcht, dat schijnt in duistere tijden en op duistere plaatsen.
De vraag is maar of het Woord voor ons nog is het heilige spreken Gods en de genoegzaamheid van de Schrift voor ons is het genoeg hebben aan God.

Twee gevaren
Het schip van de kerk kan op twee klippen vastlopen. Enerzijds op het gewoonterecht. De traditie wordt dan een tweede bron naast de Schrift en de zelfgenoegzaamheid van de Schrift wordt overwoekerd. Het Schriftberoep weegt dan niet meer op tegen wat 'men' gelooft of tegen wat altijd zo geweest is.
De tweede klip wordt gevormd door de overweldigende vragen van de tijd en de ontwikkelingen in de cultuur, die een tweede kenbron vormen, waardoor eveneens de genoegzaamheid van de Schrift terugwijkt. Op deze klippen zijn in het verleden schepen vast gelopen. Als we ons niet vergissen doemen deze klippen op dit moment binnen de Gereformeerde Gezindte op, waarbij actie en reactie als de schering en de inslag zijn.


Twijfel en onzekerheid, ook heilsonzekerheid, kunnen enerzijdsdeze klippen oproepen. Anderzijds kunnen 'gewoonte' en 'cultuurgerichtheid' op hun beurt die twijfel en onzekerheid oproepen. We zijn dunkt me gewaarschuwd. Door profetische stemmen in het verleden en door ontwikkelingen in het heden.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De genoegzaamheid van de Heilige Schrift en de culturele context

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's