Exegese (3)
Psalm 48 : 15
'Want deze God is onze God eeuwig en altoos; Hij zal ons geleiden tot de dood toe.'
We schrijven Anno Domini 1680. In de pastorie te Ouderkerk aan den IJssel ligt ds. Egbertus Janzonius op zijn sterfbed.
Hij werd in 1628 geboren: '(…) door een zeldtzame opvoedinge, wonderlyke omwentelinge van zaken, en verscheidene Voogdyschappen' (Boekzaal, maart 1746) was hij er toe gekomen voor predikant in de Gereformeerde Kerk te gaan studeren.
In 1651 werd hij te Ouderkerk aan den IJssel tot predikant bevestigd. Tijdens zijn ambtsbediening was hij 'een zeer geëert en bemint Leeraar/ in de bloeiende gemeinte te Ouderkerk aan den Yssel', aldus getuigde zijn zoon ds. Johannes Janzonius later. Hij was gehuwd met Magdalena van Hakendoever (of Haakendoever of Van Halen Doever) (1626-1702), 'beide te Rotterdam geboren van Eerlyke en Burgerlyke Geslagten'.
Zij schonk haar echtgenoot zeven kinderen, waarvan Johannes de middelste was; behalve één dochter, Jannette, die ongehuwd bleef, zijn de andere kinderen alle jong gestorven.
De naam Janzonius (of Janssonius, ook wel Jansonius) komen we in de geschiedenis van onze Hervormde Kerk verschillende malen tegen. Het is echter soms moeilijk te bepalen of er verwantschap is en zo ja, tussen welke geslachten. Met ds. Egbertus Janzonius hebben we evenwel te maken met een afzonderlijk geslacht.
Johannes was nog student toen hem zijn vader ontviel. Het sterven van zijn vader, waar hij bij tegenwoordig was, heeft veel indruk op hem gemaakt.
In zijn 'De Vyfde Uitspanninge: Van de Overzyde des Doods, Ps. XLVIII : 15' geeft hij zijn lezers het volgende door:
'Ik was een jongeling van omtrent twintig jaren/ toen het den Opperbevelhebber van leven en dood behaagde/ myn Vader af te lossen van zyn post in dit ellendige tranendal/ en uit deze woestyne van Arabie/ over te brengen in 't gezegende Kanaän. Hy had al eenige dagen/ op den smallen weg des doods gewandelt/ maar behielt tot het laatste verhevene denkbeelden van de eeuwigheid/ en van het toekomende leven. Het geschiedde nu in de laatste nagt voor zyn ontbindinge/ dewelke daar op in de vroege dageraad volgde/ dat hy eenige oogenblikken sluimerde/ dog schielyk ontwakende/ my vraagde; 'of ik wel met aandagt gelezen hadde, de laatste woorden van den XLVIII. Psalm?' En dewyl ik een weinig haperde/ zoo ging hy knaphandig voort/ hoewel met een stervenden mond en bestorve lippen: 'Daar zult gy vinden, 'Hy zal ons geleiden tot'er dood toe!' Maar in 't Hebreeuwsch staat: 'Hy zal ons geleiden boven de dood!' Hoe, (zeide de stervende man/ die nog in de ure des doods betoonde/ zeer wel ervaren te zyn/ in de heilige Taalkunde)/ nu heeft de Verbondsengel my al reeds geleid, 'tot'er dood toe': Maar hy zal my verder geleiden, 'boven de dood', aan de overzyde des doods, en tot daar en toe, dat de dood t'eenemaal zal verslonden zyn tot overwinninge.' En kort daar aan/ als hy dat gezegt hadde/ zoo boog hy zig een weinig, en hy is zaliglyk in den Heere ontslapen.'
Heilige Uitspanningen, om den Geest te verlustigen ofte Aanmerkingen over eenige Plaatzen van de Heilige Schrifture, voornamentlyk, de Taalkunde, en de Oudheden rakende: begrepen in twee boeken, door Johan. Janzonius, Bedienaar van 't H. Evangelium, te Moordregt.
Gebruikt is de tweede druk: 'Te Gouda, By de Wed. J. vander Kloes, Boekverkoopster, MDCCXXXLI' (= 1731); tweede deel (de beide delen zitten, in één band), blz. 57-58.
In het 'Voorberigt aan den Lezer' staat: 'Gegeven te Moordregt, den 2. January, 1719'.
Dr. Brinkman zegt in zijn verklaring: 'De vertaling van de laatste uitdrukking van deze psalm levert veel discussie op. Daarbij gaat het niet alleen over de vraag of deze woorden erop duiden dat de dichter gelooft in een 'leven na de dood'. Ook taalkundig zijn er allerlei vragen. De MT (= Mas(s)oretische tekst, KAG) beschouwt haar als twee woorden: 'over (de) dood'. De meeste vertalingen nemen deze woorden over, maar geven het woord dat doorgaans met 'over' wordt vertaald, hier weer met 'tot', zo NBG (= Nieuwe Vertaling, KAG): 'tot de dood'; Gerhardt/Van der Zeyde: 'tot over de dood'. De vertalers van de LXX (= 'zeventig', KAG) beschouwen de Hebreeuwse uitdrukking als één woord dat ze als 'eeuwigheid' lezen. In onze vertaling hebben we dit overgenomen, mede omdat het goed aansluit bij het parallellisme in vs. 15, en bij de opbouw van de psalm als geheel, zoals die in het 'scharnier-vers', vs. 9, wordt aangegeven. Sommige uitleggers zijn van mening dat de uitdrukking bij het opschrift van de volgende psalm, Ps. 49, hoort. Met een kleine wijziging in de MT komen ze tot de uitdruklang 'op meisjes', die ook in het opschrift van Psalm 46 voorkomt.'
Prof. dr. Joh. de Groot – zijn naam viel eerder – schreef: De psalm eindigt met een korte lofprijzing op God, de eeuwige, die als een Herder leidt. De woorden 'tot de dood toe' of 'over de dood heen', geheel aan het slot, behoren waarschijnlijk bij het opschrift van psalm 49 (die over tweeërlei lot na de dood handelt) en moeten vertaald worden: 'Over de dood'.' De Psalmen – Verstaat gij wat gij leest?, Baarn 1960 (tweede druk, bezorgd door prof. dr. A. R. Hulst), blz. 141. (Eerste druk: 1942)
Dieter Schneider noteert in een voetnoot (vrij vertaald): Het slot luidt naar de Hebreeuwse tekst: tot de dood; misschien is er echter een Hebreeuws woord uitgevallen; dan kan het, zoals in Psalm 46 : 1, een Psalmopschrift zijn en zo in samenhang met Psalm 49 : 1 gezien worden.
Prof. dr. J. Ridderbos in zijn bijdrage aan de serie Commentaar op het Oude Testament – De Psalmen – deel II (1958) – komt tot de conclusie: 'Het meest aannemelijk achten wij de conjectuur, die leest 'alamoot al' (getranscribeerd, KAG) en dit dan verbindt met 49 : 1.'
Ten slotte volgen nog enkele vertalingen:
– Franz Dehtzsch (1894) vertaalt: 'Daß ein solcher ist Elohim unser Gott auf ewig – Er wird uns führen.'
– Martin Buber gemeinsam mit Franz Rosenzweig (1954-1962): 'Ja, dieses ist Gott, unser Gott ists in Weltzeit und Ewigkeit, er wird uns lenken über den Tod.'
– J. Ridderbos (1958) leest: 'dat hier God is, eeuwig en altoos; Hij zal ons geleiden.'
– Artur Weiser (1959): 'Daß dies Gott ist, unser Gott immer und ewig; er wirs uns führen über den Tod hinaus.'
– Nic. H. Ridderbos (1973): 'waarlijk, zo is God, onze God, voor eeuwig en altijd; Hij, Hij zal ons leiden tegen de dood.'
– N. A. van Uchelen (1977): 'inderdaad, dit is God, onze God voor eens en altijd; ja, Hij leidt ons voor alle tijden.'
– Dieter Schneider (1995): 'Ja, dieser ist Gott, unser Gott für immer und ewig, er wird uns leiten.'
– J. M. Brinkman (1997): 'Zeker: zo is God! Onze God, eeuwig en immer. Hij is het die ons blijft leiden, voor eeuwig.'
K. A. Gort, Putten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's