De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wie is Jezus Christus? (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie is Jezus Christus? (4)

14 minuten leestijd

We vervolgen de bespreking van recente literatuur over de persoon en het werk van Jezus Christus. Dit keer schenken we weer aandacht aan een drietal studies op het terrein van de exegese.

Het vijfde evangelie
Bij onze bespreking van de uitgave van het Amerikaanse Jesus Seminar zagen we al dat men naast de vier kanonieke evangeliën ook het evangelie van Thomas heeft opgenomen. Het evangelie van Thomas is een geschrift, dat behoort tot de na de oorlog ontdekte bibliotheek van Nag Hammadi. Het geschrift bevat een bloemlezing van spreuken van Jezus. De aanhef van dit evangelie luidt: Dit Zijn de geheime woorden, die Jezus, de Levende heeft gesproken en die Didymus Judas Thomas heeft opgeschreven. Volgens vele geleerden gaat het hier om een apocrief geschrift van een auteur die geboeid is door de gnostiek. Het geschrift zou ons dus meer leren over de inzichten onder bepaalde stromingen in de Vroege Kerk dan dat het ons informatie verschaft over de historische persoon van Jezus. Anderen, waaronder de bekende historicus Jacob Slavenburg, zijn van mening dat we hier te maken hebben met een geschrift dat ons pas werkelijk bij de echte Jezus zou brengen. Het evangelie van Thomas zou ouder zijn dan de vier canonieke evangeliën en stelselmatig door de heersende stromingen in de kerk onder de tafel zijn gewerkt. De laatste decennia is er onder invloed van New Age denkers in allerlei populaire tijdschriftartikelen propaganda gemaakt voor de 'echtheid' van dit evangelie van Thomas. Pas dit evangelie zou mensen in aanraking brengen met de echte woorden van Jezus, 'die de mens in beweging zetten om hem naar zichzelf te voeren en van daaruit weer naar de wereld', aldus Jakob Slavenburg en hij voegt eraan toe: 'Het gaat in deze woorden om de verlossing die de mens in zichzelf kan bewerkstelligen. Geen verlossing van buitenaf, zoals de latere theologie dat de mens leerde, maar een verlossing van binnenuit'. Het zal duidelijk zijn dat hier veel op het spel staat. Als Slavenburg gelijk zou hebben zou de hele kerkelijke theologie een grote vergissing en leugen zijn. Maar serieuze bestudering van dit Thomas-evangelie voert tot een andere conclusie. Zo betoogt prof. dr. T. Baarda in een recent geschrift Het evangelie van Thomas van de hand van een aantal auteurs (deel V in de serie VU-Segmenten, 96 blz., Meinema Zoetermeer 1999) dat we weliswaar in dit geschrift met een belangrijk historisch document te maken hebben, maar dat we het bepaald niet te vroeg moeten dateren. Baarda zelf plaatst het tussen 140/150 en 200. Baarda meent dat de gedachte dat we in dit geschrift met de echte Jezus in contact komen meer is ingegeven door de behoefte aan een ander type Jezus – een behoefte die gevoed is door het nieuwe tijdsdenken – dan door betrouwbare historische conclusies. Eerder gaat dit evangelie terug op oudere bronnen, waaronder de synoptische evangeliën en zijn die oudere bronnen door de auteur in de geest van zijn gnostieke opvattingen geredigeerd. De opstellen in dit boekje vormen niet alleen een goede inleiding in de vragen rondom het Thomasevangelie, maar gaan ook in op de bonte wereld van de gnostiek en verwante stromingen.
De Amsterdamse dogmaticus C. van der Kooi geeft in het laatste hoofdstuk aan dat er ten aanzien van de visie op God en het kwaad, alsmede inzake de heilsopvatting diepingrijpende verschillen bestaan tussen christelijk geloof en gnostiek. Voor het christelijk geloof hebben kruis en opstanding fundamentele betekenis als het gaat om de vraag naar de inhoud van het heil. Daarvan getuigen de vier evangeliën. Het vijfde evangelie brengt ons wat dat betreft in een andere wereld. Het nieuwe tijdsdenken maakt nogal wat propaganda. En het beroep op een geschrift als dat van Thomas kan heel verwarrend overkomen. Daarom is het goed om kennis te nemen van dit geschrift, – en met name van het zorgvuldige artikel van Baarda – dat een goede aanvulling vormt op het nog altijd waardevolle boekje dat jaren geleden de nieuwtestamenticus R. Schippers publiceerde in de Boeket-reeks.

Jezus’ persoon vanuit de joodse traditie
Het nieuwtestamentisch onderzoek let altijd weer op de context waarbinnen de evangeliën en de brieven geschreven zijn. Hierboven kwamen we in aanraking met een poging om Jezus te verklaren vanuit de gnostieke gedachten. Een heel andere kant gaat dr. W. S. Duvekot uit. Hij doet een poging om, zoals de ondertitel van zijn boek Wie is toch deze? (196 blz, ƒ 35,–, Boekencentrum, Zoetermeer 1998) luidt Jezus' persoon te belichten vanuit de joodse traditie. Duvekot schrijft niet vanuit een ivoren, wetenschappelijke toren. Gegrepen door de betekenis van de ontmoeting tussen kerk en synagoge, geïnspireerd door denkers als Plusser en Lapide, en verontrust door de wijze waarop de kerk haar joodse wortels verloochent, beschouwt hij het als een heilige opdracht (blz. 9) Jezus te tekenen als een jood die we alleen maar op de goede manier verstaan als we Hem zien met joodse ogen en afscheid nemen van het Griekse dogma van de twee-naturen leer en de drie-eenheid. De leer van de triniteit wordt door hem op blz. 178 als onbijbels getypeerd. Dat Jezus God zou zijn botst immers met het joodse belijden aangaande de eenheid van God, zoals verwoord in Deuteronomium 6. Dat is, gelet op het belijden van de wereldkerk, een verstrekkende en ingrijpende conclusie. Eerlijk gezegd vind ik het ook een schokkende constatering. Het is overigens frappant, dat iemand als Wright die niet minder de joodse traditie wil laten gelden tot een diametraal tegengestelde conclusie komt, zoals ik bij de bespreking van zijn boek over Paulus liet zien.

De Messias als Gods gevolmachtigde
Toch wil Duvekot geen modernistisch theoloog zijn die aan de betekenis van het werk van Jezus Christus afbreuk wil doen. Ook voor hem is Jezus een unieke Persoon. Ik stip enkele momenten uit zijn betoog aan. We dienen evangelisten en apostelen te verstaan vanuit de joodse manier van omgaan met de bijbel. Het nieuwtestamentisch spreken over Jezus is geënt op de joodse voorstelling van de plaats van de Messias in Gods omgang met de wereld. De Messias is Gods Gevolmachtigde, die als zijn dienaar Gods opdrachten uitvoert. De Messias is dus een menselijke gestalte. Wel heeft de Here voordat de schepping realiteit werd zijn verlossingsplan uitgedacht. De naam van de Messias, soms ook zijn persoon, is dan ook preëxistent (= voortbestaand, namelijk voor de schepping van de wereld. Maar in de joodse visie wordt dat ook gezegd van de thora en de tempel. Om het spreken van het Nieuwe Testament te verstaan moeten we ook letten op de joodse hypostasenleer. Een hypostase is een werkelijkheid die bij God hoort en op een bepaalde wijze in ons midden concreet is. Die werkelijkheid manifesteert zich in Jezus. Ook de Geest, de heerlijkheid, de naam, de stem, de wijsheid worden beschouwd als hypostasen. Ze gaan van God uit en hebben een zelfstandige betekenis. 'Dat betekent eveneens dat deze zelfstandige wezens zó namens de Eeuwige zelf optreden, dat zij zeer dicht bij Hem staan. Van een wezensgelijkheid met God is absoluut geen sprake. Dat is reeds uitgesloten vanuit de intense beleving in het jodendom van de eenheid en de grootheid van God' (blz. 151). Voor de visie op Jezus betekent dit dat het tegen de geest van de joodse auteurs van het Nieuwe Testament is om Jezus, de Zoon als eenswezens met de Vader te zien en ook dat er van een Drie-enig wezen geen sprake kan zijn. En het doopbevel (Matth. 28 : 19) of de apostolische zegen (2 Kor. 13 : 13) dan? zal de lezer vragen. Voor Duvekot is het zo, dat hier wel van een drieheid sprake is, maar niet van een drieënheid. Jezus is Gods Gevolmachtigde. Duvekot legt allerlei passages die in de bezinning op de Persoon van Jezus altijd weer genoemd worden, zoals Mattheüs 1 : 18vv, 11 : 25vv, Filippenzen 2 : 5vv, Kolossenzen 1 : 16, maar ook de gegevens uit het Johannes-evangelie en de Hebreeënbrief op deze wijze uit. Daarbij doet hij zijn best om de uiterst diepe verbondenheid met God, die elke andere binding van mensen met de Here naar zijn mening overstijgt, te beklemtonen. Maar die verbondenheid betekent nooit wezensgelijkheid. Jezus blijft Gods dienaar, Gods Gevolmachtigde, hoe hoog het Nieuwe Testament ook over Hem spreekt. Dat Paulus op enkele plaatsen Christus God noemt moeten we zien als een spontane jubel die we niet in een dogmatisch systeem moeten persen. Dat aan Christus de Naam boven alle naam gegeven is, betekent dat Jezus' naam uitgaat boven die van de Romeinse keizers, maar is geen belijdenis van zijn God-zijn.

Kritische vragen
Ik wil de ernst en de bewogenheid van de auteur graag honoreren. Het gaat ook hem om het heil in de Messias Jezus. Ik deel zijn verontrusting over de wijze waarop, nog altijd, over Israël gesproken wordt door christenen. En ik wil me door hem laten waarschuwen voor anti-joodse uitleggingen die geen recht doen aan de Schrift. Toch kan ik in de afwijzing van dogma van de kerk met de auteur niet meegaan. Niet alleen, omdat daarmee een streep gehaald wordt door een eeuwenoude traditie, dat is voor een reformatorisch theoloog nooit een laatste argument, maar omdat ik ernstige twijfels heb bij de uitleg van Duvekot. Vooreerst is me ook nu weer niet helder wat ik me moet denken bij de joodse traditie? Is dat het Oude Testament? Is dat de literatuur uit de periode voorafgaande aan onze jaartelling? Is dat de rabbijnse overlevering? Of het Chassidisme? Of het jodendom uit latere tijd? Dat wordt me uit het boek niet helder. Loopt Duvekot niet gevaar de bijbelse gegevens te persen in een van tevoren geconstrueerd beeld ten aanzien van wat joods is. Dat Jezus geleefd en gewerkt heeft bij wet en profeten is wat anders dan dat Hij in alles overeenstemt met dé joodse traditie. In de tweede plaats krijg ik het gevoel dat allerlei uitspraken over de Goddelijkheid van Jezus op een minimalistische manier worden uitgelegd, zodat ze passen in het door de schrijver geconstrueerde stramien. Ik denk bijvoorbeeld aan zijn uitleg van het vierde evangelie, aan de wijze waarop de Kurios-titel wordt verklaard. De Naam boven alle naam is toch de naam JHWH en dat gaat toch nog wel wat verder dan dat Jezus de Romeinse keizers in heerlijkheid te boven gaat. Ik denk ook aan de uitleg van Johannes 5 : 18. Vergelijken we dit woord met de felle aanvallen van Israels leiders op Jezus in Johannes 8, maar ook in de andere evangeliën, dan valt moeilijk vol te houden dat hier niet het God-zijn van Jezus in het geding is. Waarom zouden de joodse leiders zich zo verzet hebben als Jezus niet meer was dan Gods Gevolmachtigde? Ook plaatsen als Mattheüs 11 : 25 en Kolossenzen 1 : 16 zeggen m.i. meer dan Duvekot waar wil hebben. En de preëxistentie zoals we die o.a. in 1 Petrus 1 : 20 vinden is toch meer dan dat alleen de naam van de Messias bij God bekend is. De geef direct toe, dat we nieuwtestamentische teksten niet in een strak systeem mogen gieten, maar we mogen de belijdende uitspraken bij Paulus die Jezus God noemen (ook Joh. 20 : 28) niet wegexegetiseren. Leidt juist de leeswijzer van de auteur niet aan systeemdwang? In de derde plaats blijf ik het frappant vinden dat de schrijver nauwelijks ingaat op de joodse ergernis tegen een gekruisigde Messias of op de conflicten in Handelingen rondom de prediking van kruis en opstanding. De gedrevenheid waarmee de auteur schrijft, maakt het lezen van dit boek tot een spannende zaak. Zijn integriteit is boven alle twijfel verheven. En er valt van zijn benadering ook veel te leren. Wel vind ik het jammer dat zijn gedrevenheid hem tot een m.i. onbillijke waardering van het dogma van de kerk brengt. Ik geef toe, dat de Griekse terminologie in het gesprek met Israël de zaak niet makkelijker maakt. Ook voor hedendaagse gemeenteleden is de taal van het dogma moeilijk te volgen. Maar we moeten wel zeggen dat het dogma van de triniteit nooit bedoeld is om Jezus als een tweede God te beschouwen. De kerkvaders waren daar wars van. Maar hun motief was veel meer om de nieuwtestamentische boodschap, dat God zelf in Jezus tot ons gekomen is om ons te redden en dat we, Jezus ziende, mogen zeggen: Zie hier is Uw God!, vorm te geven. Bij Duvekot blijft Jezus Christus als het helemaal puntje bij paaltje komt toch een menselijke figuur. Zijn visie doet me op dat punt sterk denken aan de Christologie van Berkhof. Maar kun je dan nog recht doen aan het volstrekte genadekarakter van het heil? Wij belijden Hem toch als Immmanuël, met ons is God, God geopenbaard in het vlees?

Historische zoektocht naar Jezus
Al enkele malen noemde ik de naam van de Anglicaanse bisschop Paul Barnett. Hij behoort tot de evangelicale vleugel evenals McGrath, Marshall, Carson, Fee en Wright, geleerden die op het gebied van het Nieuwe Testament belangrijke boeken geschreven hebben. In de serie 'Evangelicale Theologie' is een van zijn boeken in vertaling verschenen, te weten Historische zoektocht naar Jezus (170 blz., ƒ 29,50, Boekencentrum, Zoetermeer 1998). Barnett wil laten zien dat de kloof die door het moderne bijbelonderzoek wordt aangebracht tassen de historische Jezus van het wetenschappelijk onderzoek en de kerkelijke prediking aangaande Christus niet echt bestaat, maar het resultaat is van de scepsis van Schriftkritische theologen. We kunnen zijn boek dus een apologetisch geschrift noemen. Maar ik moet er dan direct bijzeggen dat het bepaald niet betweterig geschreven is. De auteur plaatst wel vraagtekens achter allerlei 'stelligheden' die door kritische geleerden geponeerd worden. Ik meen, dat zijn boek daaronti goede diensten kan bewijzen aan mensen die door de moderne visie in verwarring worden gebracht en zich afvragen: Heb ik het dan altijd verkeerd gezien? Waar gaat het Barnett om in zijn wetenschappelijk bezig-zijn met de geschriften van het Nieuwe Testament? Hij hecht grote waarde aan de historische informatie ten aanzien van Jezus in de evangeliën, maar ook in het boek Handelingen en de brieven. Het christendom steunt immers op Gods openbarend handelen in de geschiedenis. Daarbij houdt historisch onderzoek zich niet zozeer bezig met 'dingen die er zijn' (zoals de sociale wetenschappen), maar met gebeurtenissen en veranderingen in het leven van mensen en volken. De vraag die dan direct bovenkomt is: maar heeft het historisch onderzoek niet laten zien dat we over de historische Jezus weinig weten? Barnett bestrijdt die conclusie. De Romeinse reactie op de beweging van het christendom laat zien, dat de christenen een andere koning verkondigden dan de keizer. Voor mensen in de eerste eeuw stond het bijzondere en unieke van Jezus dus vast. Ook de brieven laten zien, dat de Christus die de apostelen verkondigen geen andere is dan de aardse Jezus. Voor pastorale doeleinden gaven zij terloops als het ware allerlei inforrnatie over Jezus door. Van een joodse rabbi die later tot Christus zou zijn geëvolueerd, weten zij niets! Een ruwe schets van de gegevens uit de brieven is van belang om de evangeliën te toetsen. De Jezus uit de brieven, die stierf voor de zonden, die zich er van bewust is dat Hij de 'Zoon' van Abba is, die bidt en die de Schriften vervult, bevestigt overtuigend de integriteit van de evangeliën.
Barnett wijst ook op de verschillende vormen van de oerchristelijke zending. Het waren ook de jaren van interne spanningen naar aanleiding van de zending van Paulus onder de heidenen en zijn judaïserende tegenstanders. In de evangeliën wordt die discussie over de waarheid van het evangelie, zoals we daarvan lezen in Galaten 2, niet aan de orde gesteld. Dat wijst er eveneens op, dat de evangelisten Jezus geen woorden in de mond gelegd hebben om zo de discussie in de oergemeente te beïnvloeden.
Er zijn twee factoren die ons kunnen helpen om de oorsprong en het ontstaan van de evangeliën te begrijpen. In de eerste plaats is dat de rabbijnse overleveringscultuur ten tijde van Jezus om het onderwijs van de Leraar door te geven op een betrouwbare manier. In de tweede plaats laten de evangeliën zich goed vergelijken met het antieke literaire genre van de bios, de biografie. Wel moet daarbij aangetekend worden dat de evangelisten schreven vanuit het perspectief van het geloof in de gekruisigde en opgestane Jezus. De evangeliën staan aan het eindpunt van een traditieproces, waarin de hand van de evangelisten speurbaar is. Maar hun creativiteit, aldus Barnett, wordt begrensd door de ontvangen overlevering en de apostolische prediking.
Barnett schreef een boeiend en belangwekkend boek. Niet altijd zijn zijn argumenten even overtuigend, en ze zullen zeker diegenen die van andere vooronderstellingen uitgaan, niet overtuigen. Ik vraag me ook af of je zo sterk kunt spreken van een biografie, als de schrijver doet. Maar dat neemt niet weg dat hij ons overtuigend laat zien dat er geen reden bestaat om vraagtekens te zetten achter de betrouwbaarheid van de evangeliën. Zijn boekje bevestigt wat ten onzent door Ridderbos, Baarlink en Versteeg is geschreven over de evangelisten als getrouwe doorgevers van wat zij ontvangen hebben.

A. Noordegraaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Wie is Jezus Christus? (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's