Exegese (5)
Correctie
In mijn vierde bijdrage dient voor 'De Gereformeerd-Vrijgemaakte ds. W. van den Brink' te worden gelezen: 'De Nederlands Gereformeerde… (ds. Van den Brink is later namelijk 'buiten verbander' geworden, nadien Nederlands Gereformeerd geheten, K.A.G.).
Jesaja 42 : 3-4
'Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen op Zijn leer wachten.'
In 1941 schreef dr. A. H. Edelkoort (1890-1956) zijn hoofdwerk De Christusverwachting in het Oude Testament (Veenman, Wageningen). Hij was toen predikant te Amsterdam. In 1945 werd hij hoogleraar (Oud-Testamentische vakken) te Utrecht. 'Bij zijn academisch onderwijs vergat Edelkoort nooit dat zijn studenten voor het overgrote deel a.s. predikanten waren. Zo gaf hij ook preekschetscollege over oudtestamentische teksten. Als hoogleraar kon hij het pastor-zijn niet verloochenen.' (dr. A. de Groot)
'(…) het geknakte riet zal hij niet verbreken,
noch de dovende pit uitblusschen,
naar waarheid zal hij het recht uitdragen.'
Menigeen hoort uit deze woorden een kostelijke vertroosting, vooral, als hij ze rechtstreeks op Jezus toepast. Dan zou hier gezegd zijn, dat de Heiland, dien de profeet verwachtte en dien de gemeente belijdt, de zielen, die wanhopen aan zichzelf, en wier geestkracht gebroken is, zal sparen en dat hij hen, wier geestelijk leven veel gelijkt op een walmend pitje, niet geheel daarvan zal berooven.
Hoe gevoelig men dit nu ook moge voordragen, bij nader beschouwing blijkt deze gedachte toch onhoudbaar. Ten eerste wordt hier alleen gezegd, wat de Knecht niet zal doen; het ware troostrijker geweest, als gezegd ware, wat hij wél zal doen: het geknakte riet verstevigen en de doovende pit aanwakkeren. Maar ten tweede is dat geen bijzondere deugd van den Knecht, dat hij aan wanhopige, bekommerde zielen den genadeslag toebrengt. Wie zou dat wel willen doen? Dat zou barbarenwerk zijn! De troost, dien de gemeente zoo dikwijls uit deze woorden meent te hooren, is dus wel van een zeer bedenkelijk gehalte.
H. Gressman, K. Elliger en E. Sellin houden het ervoor, dat onder de beelden van het geknakte riet en de doovende pit de Knecht zelf wordt voorgesteld. Dat noopt hen ertoe het onderwerp van den zin te veranderen en voor 'hij' te lezen: 'Ik'. Dan zouden wij hier een woord van God hebben, die verzekeren zou, dat Hij den Knecht zou sparen, ook al was het er met hem nog zoo treurig aan toe, zóó treurig, dat hij er bijna onder dreigde te bezwijken. Sellin vermoedt, dat de Knecht – dat zou dan de profeet zelf zijn – in de uitoefening van zijn ambt verhinderd werd, hetzij door ziekte, hetzij door een spreekverbod. Men merkt hieruit, dat deze verklaring van den tekst samenhangt met een bepaalden kijk op de liederen van den Knecht des HEEREN, dien wij later als de autobiografische opvatting zullen leeren kennen en beoordeelen. In elk geval is de eigenmachtige en door niets gesteunde tekstverandering van 'hij' in 'Ik' tegen deze exegese een ernstig bezwaar. Een schijn van grond vindt zij in het begin van het volgende vers:
hij zal noch gebluscht noch verbroken worden,
totdat hij op aarde het recht zal hebben besteld.
Doch ook niet meer dan een schijn van grond. Immers daar gaat het wel over den Knecht, maar ten eerste is daar degeen, die hem zou kunnen verbreken en uitblusschen, stellig niet God, maar het zijn de menschen. En ten tweede kan hier een prachtige woord-parallellie gebezigd worden, zonder dat daarom over dezelfde zaak behoeft gehandeld te worden.
Dat is ook inderdaad niet het geval. De bedoeling van vs. 3, in samenhang met vs. 2 is een gansch andere. Het geknakte riet en de doovende pit zijn beelden voor het Nieuw-Babylonische rijk, dat op het punt stond van onder te gaan, en dat zich daarmee uitnemend het vergelijken. Welnu, de Knecht zal geen politieke daad verrichten; hij zal geen moeite doen dat rijk den genadeslag toe te brengen; hij zal het laten voor wat het is, want het zal vanzelf wel te gronde gaan. De Knecht heeft betere taak en hoogere opdracht: hij moet het recht uitdragen, bestellen. Zoo verstaan, is vs. 3 het regelrechte vervolg op vs. 2.
Wat is nu bedoeld met het uitdragen van het recht? (St. Vert.: voortbrengen', KAG) J. J. Ph. Valeton denkt aan gewoon, menschelijk recht; de Knecht des HEEREN zal aan het onrecht een einde maken, d.i. hij zal Israël redden, dat in het exil (= uittocht, KAG) van dat onrecht zoo zeer te lijden had. M. Haller ziet in het recht de leering der profeten; deze zal de Knecht verkondigen, waartoe hij met Gods Geest is toegerust. Men moet het waarschijnlijk nog wat breeder zien. 'Recht (des HEEREN)' is in 2 Kon. 17 : 27; Jer. 5 : 4; 8 : 7 de aanduiding voor wat wij de religie zouden noemen, maar dan religio objectiva, de samenvatting van alle geboden en inzettingen en beloften Gods. Dat alles zal de Knecht verkondigen.*
Hij zal daarvoor een gewillig gehoor vinden:
Op zijn onderricht zullen de eilanden wachten (vs. 4).
* Vergelijk Spr. 29 : 11; Pred. 5 : 1; Jer. 51 : 10, waar in het Hebr. hetzelfde werkwoord gebruikt wordt, dat wij hier met 'uitdragen' vertaalden.
a.w., blz. 385-387.
K.A. Gort, Putten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's