Paasgeloof ten tijde van de aartsvaders en in de psalmen
‘Zijn dag van verre gezien’
Abraham
Wie het opschrift boven dit artikel leest en in de Bijbel wat thuis is, denkt onmiddellijk aan het gesprek van de Heiland met de joden over Abraham, weergegeven in Johannes 8 vanaf vs. 30, heel in het bijzonder de verzen 52-59.
Verwonderd en ongelovig vragen de joden hoe het mogelijk is, dat Hij, Jezus, nog maar zo jong Abraham persoonlijk heeft ontmoet? Maar in hun vraag, en let u daar wel op, keren ze om wat Jezus getuigd heeft. De Heiland had zojuist gezegd, niet dat Hij Abraham had gezien, maar dat Abraham Hem, Zijn dag, met vreugde heeft gezien.
De uitdrukking 'Mijn dag', dat is de dag van Christus' komst, behoeft niet te worden beperkt tot de dag van Zijn geboorte, maar kan breder betrokken worden op heel Zijn werk, inclusief ook Zijn verheerlijking op Pasen. Heel het gelovig uitzien van deze eerste aartsvader tijdens zijn leven op aarde werd tot zijn diepe vreugde vervuld in de persoon en in het werk van de Messias. Die vervulling kwam al aanvankelijk in de wondere geboorte van zijn zoon Izak.
Terug naar het paradijs
Velen van de lezers zullen als kind op de zondagsschool of op de chr.lagere school de bekende tekst. Genesis 3 : 15 hebben geleerd. Deze tekst spreekt van de strijd van het vrouwenzaad tegen de slang, let wel, niet tegen het slangenzaad! De slang, die slang die verleidde, is de manifestatie van de Gode-vijandige macht van de zonde, van de dood, van de totale ontwrichting van het leven. En tegen deze slang komt op het zaad van de vrouw. Vaak wijst het woord zaad in collectieve zin op een hele nakomelingschap maar vaak ook op een, persoon, zoals blijkt uit Gen. 4 : 25, 21 : 13, 1 Sam. 1 : 11 e.a. Op de slang wordt de overwinning behaald door een enkele Persoon! De slang zal eraan gaan, door Hem. De anti-goddelijke macht wordt niet verslagen door een mens, maar door God, Die toch..zaad der vrouw is, mens wordt. Daarmee is aan het gevallen mensenpaar in het paradijs de komst en het werk van de Verlosser aangekondigd. Deze verbrijzelt de slangenkop, doodt hem dus, maar niet zonder Zelf pijn te lijden, de slangenbeet in de hiel op te lopen. Hier begint de lijn al die door de eeuwen heen, ook getrokken in de geschiedenis van de aartsvaders en bezongen in de psalmen, uitloopt op Christus. En de belofte van Zijn komst en werk gaat mee vanuit het paradijs en vraagt niet meer en niet minder dan geloof.
Via Noach en Sem naar Abram
Door het oordeel van de zondvloed heen ontstaat een nieuwe mensheid uit Noachs gezin. Dat zou om zo te zeggen verdronken zijn in de vloed van mensverheerlijking en krachtvergoding, van veelwijverij en geweldenarij had God dat niet verhoed door de wereld te verdrinken. En uit dat gezin komt Sem, die met Jafeth deelt in Gods zegenwoord. In Genesis 11 loopt de lijst via Sem naar Abram. De gewijde schrijver haast zich eigenlijk naar deze aartsvader toe. In die lijst staat Sem achteraan, niet uit minachting, maar uit hoogachting voor Gods weg door de tijd en de geschiedenis heen.
God deed Abram gaan door hem te isoleren van zijn land, familie en gezin, met de belofte van land en nakomelingschap. Hij vlecht daar de belofte voor de volken doorheen die in Jezus Christus werkelijkheid wordt.
Paasgeloof bij Abraham
De vraag is wel gesteld of Abram altijd in Gods beloften heeft geloofd. Volmaakt heeft geen mens op aarde geloofd. Alleen van de Heiland wordt gezegd dat Hij de Voleinder van het geloof is, Hebreeën 12 : 2. Daar waren momenten van mismoedigheid. Maar toch heeft hij zich in de regel vastgeklampt aan wat God had gezegd. In Genesis 15 : 6 wordt verhaald dat Abraham 'geloofde in de HEERE'. De werkwoordsvorm geeft aan dat we mogen lezen 'hij was gewoon te geloven'! Het was maar niet op dat moment dat God opnieuw verzekerde van de waarheid van Zijn woord. Voortdurend stelde Abraham vertrouwen in God. Dat was Paasgeloof. Paulus tekent dat in Romeinen 4 : 19-23. Want Abraham was oud, en Sara kon geen moeder meer worden, de moeder was in haar verstorven. Maar de aartsvader zag dat niet aan! Hij geloofde door alles heen dat God machtig was te doen wat Hij beloofd had. En dat was God zeer welgevallig. Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Want de inhoud van dat geloof was Gods genadige belofte, verwezenlijkt in Zijn Zoon.
Nog sterker functioneerde dat paasgeloof toen de aartsvader stond voor de opdracht van God om zijn zoon, aan wie nu alles hing, Izak, te offeren. Abraham geloofde dat God machtig was hem uit de doden te verwekken, en eigenlijk kreeg hij Izak als uit de doden terug, Hebreeën 11 : 18-19.
Want wat is paasgeloof? Dit, dat geloofd wordt dat God alleen leven kan geven, als het moet zelfs uit de dood en dwars door de dood heen. Het paasgeloof ziet en belijdt de levende God als de levensGever en de levensBehouder. De aartsvader geloofde bij dreigende dood. Maar het paasgeloof was volkomen in zijn Grote Zoon, Jezus Christus, Die in volkomen vertrouwen op God de dood inging en overwon.
Paasgeloof bij Izak
Lijkt de wat verstilde, tweede aartsvader bij zijn vader Abraham en bij zijn zoon Jakob achter te blijven, ook Izak heeft paasgeloof gekend. Dat uitte zich vooral in de zegen die hij uitsprak over Jakob en Ezau. Weer is het de Hebreeënbrief, die toont hoe 'hij zegende aangaande toekomende dingen door het geloof' Hebr. 11 : 20. Hij beschikte in deze zegen over toekomende dingen, ver na zijn dood ook, alsof hij deze in zijn bezit en voor het uitdelen had! paasgeloof weet het nageslacht te zegenen en ziet al gelovende de Belovende God aan het werk.
Paasgeloof bij Jakob
Ook bij deze derde aartsvader zouden we kunnen stilstaan bij zijn zegenspreuken uitgesproken tot zijn zonen de beide kleinzonen van Jozef. Maar zo heel bijzonder licht het paasgeloof bij hem op als hij schier met stervende lippen jubelt 'op Uw zaligheid wacht ik, o HEERE' Genesis 49 : 18. Zomaar tussen de spreuken door, vlak na het vreselijk woord over Dan, ziet hij uit naar de eeuwige verlossing door God. We kunnen hier zelfs van 'eschatologisch paasgeloof spreken dat uitgaat boven verwachting van heil voor Jakob terstond na zijn heengaan.
Calvijn wijst erop dat 'Jakob niet van de zaligheid meldt als hij kort tevoren de komst van de Heilskoning uit Juda voorzegt. Maar hij was toch ook vader, die de vele en ontelbare gevaren en slagen voor zijn nakroost ziet komen. In zijn droeve zorgen plaatste hij daarvoor het schild des geloofs. Hij zelf kon de zaligheid niet bewerken. Van Jakob was er geen zaligheid te verwachten, maar van God wel. Bij zijn laatste ademtocht, en als het ware midden in de dood, klemde Jakob zich vast aan het eeuwige leven'. Nu, als dat geen paasgeloof is…!?
Paasgeloof in de Psalmen
Er is wel beweerd, dat het Oude Testament geen verwachting van een leven na dit leven kennen zou en 'diesseitig' gericht zou zijn, op dit leven, hier en nu, aan deze zijde van dood en graf. Eerst het Nieuwe Testament zou 'jenseitig' gericht zijn, op het leven straks, na de dood en over het graf heen. We wijzen dit als veel te eenzijdig en onjuist af.
Zeker, en dat is ook bevrijdend, de boodschap van het Oude Testament wil laten zien hoe de zegen, van het dienen van God reeds hier en nu tot uiting komt. De aardse zegeningen zijn niet maar verpakkingsmateriaal om het eigenlijke, het geestelijk heen, maar spreken van Gods genadige bemoeienissen in dit leven met Zijn mensen. Wat dat betreft corrigeert het Oude Testament veel overgeestelijk denken en mystieke bespiegelingen.
Maar Godlof, ook het Oude Testament weet van en verspreidt het licht van het leven in het donker van de dood. Ook in de Psalmen, 'door God bewerkte antwoorden van mensen op Zijn openbaring en tegelijk deel ervan', zoals wijlen dr. H. Bout kernachtig kon zeggen, tintelt het leven en klinkt het levenslied.
Paasgeloof in Psalm 49
Paasgeloof breekt door in Psalm 49 : 16, waar de dichter stelt en bezingt wat hij persoonlijk voor zichzelf verwacht tegenover het getekende lot van de goddelozen: 'Maar God zal mijn ziel verlossen..' Sommige exegeten denken bij deze woorden aan bescherming tegen dreigend doodsgevaar, anderen, onder wie Calvijn, horen het toekomstig leven bezongen. Troosteloos is het lot van hen die Israëls God niet kennen. Graf en sjeool zijn hun woonplaats, ze worden vergeleken met vee, dat wordt afgemaakt. Daartegenover staat zijn lot. Dat is geen troosteloos levenseinde maar integendeel, ontrukt worden aan de macht van de onderwereld. En dan die slotwoorden: 'Hij zal mij wegnemen'! Henoch en Elia werden weggenomen zonder de dood te hebben gezien. Maar ook wordt wel vertaald 'Hij zal mij opnemen'. Dat klinkt nog hoopvoller.
Zo heel treffend merkt Calvijn op: 'Uit dit uitnemend geloofsgetuigenis zien we dat de heilige Vaderen onder de Wet geleefd hebbend en gestorven zijnde niet bleven stilstaan bij het tegenwoordige leven, maar hun geest voortdurend hebben opgeheven in de hemel. De psalmist heeft dus op leven gehoopt in de dood, omdat hij uitgaande uit de duisternis van deze wereld, de ogen opgeheven heeft naar de schone morgenstond, die de eeuwige dag met zich brengen zou. Komt het tot sterven dan zal God zorg dragen voor mijn ziel, en haar bewaren zodat zij niet omkomt'.
Ziedaar, de dag, Zijn dag, Christus' Dag is van verre gezien met vreugde en met verlangen. Dat is puur paasgeloof.
Paasgeloof in Psalm 73
En zal ik nog verhalen van Asafs drieënzeventigste psalm? Wie van ons kent niet dat machtig getuigenis: 'en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen'. Het werkwoord 'laqach' staat hier op zich, absoluut, en doelt op 'wegnemen uit dit aardse leven'. Moeilijkheid geven de woorden 'kabood' en 'achar'. Bedoelt Asaf te belijden dat zijn wegneming 'met ere' zal zijn, op eervolle wijze? Verwachtte hij als Elia op te varen? Of moeten we lezen 'na ere', dus de uitgesproken verwachting dat God hem eerst zou wegnemen nadat Hij, na hem door Zijn wondervolle raad te hebben geleid, hem tot eer had gebracht? Diep vertroostend klinkt dan het werkwoord 'wegnemen'. Dan is de dichter na zijn dood bij God in veilige handen! Calvijn verbindt door het woord 'heerlijkheid' het leven op aarde met dat tot aan de voleinding, 'die wij wachten in de hemel'.
Paasgeloof in Psalm 16
In vers 10 wordt David eigenlijk profeet, die de opstanding van de Heiland voorzegt. Althans, Hand. 2 : 29-32 en 13 : 35-37 – met die woorden leidde destijds ds. L. Kievit onvergetelijk de rouwdienst van zijn vader in Baarn – passen de psalmtekst op de Heere Jezus toe. David was zich door de Geest van God daarvan bewust, in welke mate dan ook. Vandaar dat hij in vers 11 bezingt dat het uitdelen van het leven uit Gods rechterhand nimmer ophoudt en dat eeuwige levensvreugde het deel is van allen die deze God toebehoren. En juist omdat ik over Paasgeloof mag schrijven zoals dat ook in de Psalmen vertolkt wordt wijs ik op deze woorden. Nu zijn de genoemde psalmteksten niet de enige, waarin Paasgeloof beleden, bezongen wordt. Ik zou kunnen wijzen op de slotwoorden van Psalm 90 en 91 en weer Calvijn-citaten kunnen geven.
Laat echter deze sprekende teksten ons laten zien dat we geen woord te veel zeggen, wanneer we van 'Paasgeloof ook in de Psalmen' spreken.
Terug bij Abraham
Dit artikel begon met het woord van de PaasKoning tot de joden over de eerste aartsvader, die de dag van Christus zag, heel Zijn werk, ook de dag der opstanding dus.
Opmerkelijk, Abraham verheugde zich er uitbundig op – in het Grieks staat het verbum 'egalliasato' –, naar Jezus' getuigenis de dag van Hem, en bij het zien daarvan was hij vol rustige – het Grieks heeft nu 'echare ' – blijdschap. Heel de gelovige verwachting van Abraham werd tot zijn vreugde vervuld in de persoon en het werk van de Messias. Ter afsluiting kunnen we dus zeggen met dr. P. H. R. van Houwelingen:
1. 'De historische Abraham verheugde zich op de toekomstige vervulling van Gods belofte in de komst van de Lang Beloofde en
2. De verheerlijkte Abraham beleefde tot zijn diepe blijdschap het moment dat Hij daadwerkelijk verscheen en Zich als Messias deed kennen'.
In wel heel schril contrast staat dit geloofsvertrouwen tot het wantrouwen bij hen die beweren willen Abrahams kinderen te zijn. Dat paasgeloof van hun stamvader kenden zij niet! Wij… wel…?
W. Chr. Hovius, Apeldoorn
Tekst afbeelding:
De woonwijken van de vroegere grote stad Ur zijn slechts voor een klein gedeelte opgegraven. De straten en stegen worden geflankeerd door huisjes, die in veel gevallen om kleine binnenplaatsjes liggen, vaak ook op een ingewikkelde manier met elkaar verbonden zijn. Daartussen liggen werkplaatsen, winkels, kleine cultusplaatsen en heiligdommen, en er is zelfs een school gevonden. Hier heeft naar men vermoedt Abraham gewoond.
Uit: Werner Keller, En de Bijbel heeft toch gelijk, uitg. Elmar B.V., Rijswijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1999
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's