Exegese (6)
Lucas 10 : 41'Martha, Martha, gy bekommert u ende ontrust u met veel dingen; Maer een dingh is noodigh.'
'(…)
Nu kan ick niet nalaten, of ick moet een woort noch spreken over dese text: te meer, dewijle ick deselvige nu en dan hebbe bygebracht, en bemerckt hebbe, dat mijn meyninge niet wel is te verstaen, en qualijck wort misduydt.
Ick meyne dan, onder verbeteringe, dat door die woorden, maer een dingh is noodigh, niet anders wordt verstaen, als eene schotel. Dit dunckt sommige lieden vreemt: maer vooraf wensche ick, dat my getoont wordt wat dat eene noodigh zy! Dit eene is by de uytleggers tot vele geworden. Hierdoor verstaet men; De vereeninge met Godt: de gemeynschap met Christo: de betrachtinge van de eere Godts: het soecken van de saligheyt: de oeffeninge van de Godtsdienst: het geloove: de vreese Godts: de liefde: het hooren van Godts woort, etc. Dit zijn alle noodige dingen, en konnen hier wel verstaen worden: met den Text accordeert best, dat men versta het hooren van Christi woort; doch dit wort niet verstaen door dat eene noodige, maer door de volgende woorden, vers 42, Maria heeft het goede deel uytverkoren.
Indien alle voor-oordeel wat ter zijden sta; het sal klaerlijck blijcken: Martha wilde den Heere Jezus wel tracteeren, en ontvingh Jesum in haer huys, vers 38. Hier toe was sy besigh met vele dienens, om spijse te bereyden, ende was moeijelijck op Maria, datse haer alleen dan haert liet besorgen, gelijckse versocht dat Jesus daer over Maria wilde bestraffen. Seght, seytse, datse my helpe, vers 40. Jesus achtende dat het beter ware, dat Martha soo veel spijze niet gereet maeckte, en datse wat tijts nam om sijn Predicatien te hooren, seyde tot haer, vers 41. Martha, Martha, gy bekommert ende ontrust u over vele dingen, vers 42. maer een dingh is noodigh. Wie en siet niet dat dit eene dingh wort gestelt tegen die vele dingen, ende alsoo getoont, dat niet vele, maer een dingh maer noodigh was? Die vele dingen waren veel potten of schotelen daer Martha mede besigh was om Jesum wel te tracteeren, soo moet door dat eene, indien de tegenstellinge sal goet zijn, oock een soodanigen dingh verstaen worden, en het blijckt dat Jesus niet vele, maer eene schotel alleen begeerde. Dit is te meer klaer, dewijle daer noch volght een woort van afsonderinge, doch Maria heeft het goede deel uytverkoren, als of de Heere seyde, als gy al besigh zijt na mijn ordre in het tijdelijcke, soo weet, dat 'er noch wat beters te doen is, 't geen Maria doet: Godts woort te hooren ware beter als soo besigh te zijn, om my met vele spijse te tracteeren: Indien door dat eene noodige het geestelijcke wiert verstaen, dan moest de Heere niet geseyt hebben, doch, maer, ende, als verklarende welcke dat eene noodige was.
Meyne derhalven dat de Heere hier heeft een soete lesse tot matigheyt, en dat men sich door spijse te bereyden niet moet laten ophouden met veel Tafel-sorge: Het is te quaetwilligen misduydinge, dat mijn meyninge soude wesen, dat men maer een schotel spijse op tafel soude mogen setten: De Heere spreeckt niet van 't gene magh zijn, maer van het gene noodigh is: Dit is nu immers de waerheyt, dat niet meer als eene schotel spijse noodigh is om te leven: dat Jesus met vele spijze niet is te dienen geweest, maer dat hy sich geringh heeft laten genoegen: Ende daer het hier bysonderlijck op aen komt: dat maer eene schotel noodigh is als men het woort Godts sal gaen hooren, ende als men om veel schotelen te bereyden van de Predicatie soude moeten af blijven, gelijck dese gevallen op dezen Text slaan.
Indien yemant noch voorts dese verklaringe mochte mishagen, ick sal niemant benijden dat hy by sijn gevoelen blijve, en meer kan sien in dat eenige noodige, dan ick tot noch toe hebben konnen doen.
(…).'
Franciscus Ridderus, in 'Voorspraeck Aen (tot) den Leser' in zijn 'Drie-Weecksche VOORBEREYDINGE, Tot de Tafel des HEEREN. Gestelt in t' SAMENSPRAEK Tusschen Lazarus, Maria en Martha' – De tweede Weke. Over de Staet eens Lidtmaets Christi, ten opsichte van de plichten ontrent Godt –, t'Amsterdam, By de Wed: van Gijsbert de Groot, Boeckverkoopster op den Nieuwen-dijck / 1715.
De in Middelharnis geboren ds. Franciscus Ridderus (geb. 1620 (1621?)) was predikant te Schermerhorn (1644), Brielle (1648) en Rotterdam (1656-overl. 11 januari 1683). Te Rotterdam werd hij vooral bekend als Voetiaans Oranjegezind predikant.
Zie over hem verder: Christelijke Encyclopedie voor het Nederlandsche volk, Kok, Kampen 1925-1934 – deel 4 –, + Christelijke Encyclopedie, Kok, Kampen – deel 5 (1960).
K. A. Gort, Putten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's