Bidden in en met de Psalmen (3)
In het vorige artikel stonden we stil bij een aantal genres gebeden in de Psalmen: het vraaggebed, de verootmoediging, de onschuldbetuiging en het wraak- of vloekgebed. Ik kom nu tot de vijfde soort gebeden die we in het Psalter tegenkomen, te weten de voorbede. Met name de gebeden voor de koning springen hier in het oog. Geef de koning Uw rechten en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning, zo wordt in Psalm 72 gebeden voor Israels vredekoning Salomo (vs. 1). In de voorbede voor de heersende vorst opent zich meer dan eens een messiaans perspectief, zodat de voorbede zich ook richt op de grote Koning die zal komen ter verlossing, de Vredevorst bij uitstek, voor Wie alle koningen der aarde zich zullen buigen en door Wie zelfs de bergen vrede zullen dragen. Naast de voorbede voor de koning treffen we ook Psalmen aan, waarin gebeden wordt voor het volk als geheel (Ps. 28 : 9), voor de armen (Ps. 10 : 14) of voor de ellendigen (Ps. 9 : 13). In de voorbede gaan de vensters van de binnenkamer open. De nood van de ander komt in het vizier. Iemand zei: oor de voorbede mogen de gelovigen met God meeregeren. Van die grote betekenis van het intercessiegebed zijn de psalmisten diep doordrongen geweest.
Dankpsalmen
De dankpsalmen vormen doorgaans het spiegelbeeld van de vraaggebeden. Niet zelden treffen we in één en dezelfde Psalm zowel het gebed om verlossing als de dank voor de ontvangen uitredding aan. Soms ook wordt God bij voorbaat gedankt en geprezen om Zijn toekomstige ondersteuning, waarop de bidder meent te mogen rekenen. De meest voorkomende opening van een dankpsalm luidt: 'Ik zal de Heere loven' (Ps. 34) of : 'Ik zal de Heere liefhebben' (Ps. 18 : 2). En vervolgens volgt dan een opsomming van wat God voor de dichter gedaan en betekend heeft. 'Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte. De riep de Heere aan. Die te prijzen is en werd verlost van mijn vijanden'. De dichter van Psalm 18 komt woorden te kort om uit te zeggen welke zegeningen hij uit Gods hand heeft mogen ontvangen. Behalve Psalm 18 en 34 behoren ook de Psalmen 9, 30-32, 107, 116 en 118 tot de individuele dankpsalmen. Daarnaast treffen we gebeden aan, waarin het volk collectief haar dank verwoordt. Daarbij kan gedacht worden aan de Psalmen 66, 67, 124 en 135. In deze Psalmen worden de grote daden van God beleden en bejubeld, waaraan Israël haar bestaan en voortbestaan te danken heeft.
Aanbidding
De laatste categorie gebeden die we in het Psalter aantreffen, wil ik typeren met het woord aanbidding. In deze Psalmen gaat het niet zozeer om de dank voor wat God gedaan heeft voor individu of volk, maar om wat Hij is. Zijn majesteit en goedheid worden uitbundig geloofd en geprezen. God wordt glorie toegebracht vanwege Zijn deugden, vanwege de heerlijkheid van Zijn schepping en om de grootheid van Zijn wijsheid. Psalm 113 en Psalm 135 zijn schitterende voorbeelden van zulke hymnische gebeden. 'De Naam des Heeren zij geprezen, van nu aan tot in eeuwigheid. De Heere is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid. Wie is gelijk de Heere, onze God? Die zeer hoog woont, Die zeer laag ziet. (Ps. 113). In de hymne vindt het psalmgebed ongetwijfeld zijn absolute climax. Bij aanbidding moet ik onwillekeurig denken aan de imposante gotische kathedralen, die op veel plaatsen van ons continent te zien zijn: alle lijnen wijzen naar omhoog. Hoger dan in de aanbidding kan een mensenkind in zijn omgang met God niet opstijgen. Gods majesteit en macht, Gods grootheid en goedheid overweldigen hem zozeer, dat hij zijn God alleen nog maar kan grootmaken en verheerlijken.
Godswoorden
Wie zijn er in de Psalmen aan het woord? Op het eerste gehoor lijkt die vraag eenvoudig te beantwoorden. Wie de opschriften van de Psalmen nagaat, ontdekt dat de meeste tefillim worden toegeschreven aan David, een twaalftal aan de opperzangmeester Asaf, een even groot aantal aan de levitische zangers uit de kinderen van Korach, twee aan koning Salomo, twee aan de musici Heman en Ethan, die behoorden tot de gilden der musici (1 Kron. 25 : 1-6; 2 Kron. 5 : 12) en één aan Mozes. Hun leven is het dat hier getekend wordt, hun hart is het dat voor ons opengelegd wordt, hun vreugden en verdriet, hun aanvechting en overwinning, hun klacht en jubel die stem krijgen. Maar is daar alles mee gezegd? Gaat het hier werkelijk alleen om mensenwoorden? Goedbeschouwd is het toch verbazingwekkend dat gebeden van mensen in het Woord van. God terechtgekomen zijn. Ook van dit bijbelboek geloven we immers dat het is geïnspireerd door de Heilige Geest. Daarom moeten we niet alleen zeggen dat mensen hier aan het woord komen, maar dat God Zelf het woord neemt door Zijn Geest. De Hebreeënbrief zegt dat ook met zoveel woorden: 'Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort' (3 : 7). Het woord uit de mond van de dichter van Psalm 95 wordt toegeschreven aan de Heilige Geest. Bonhoeffer legt er in zijn prachtige boekje over het bidden met de Psalmen alle nadruk op dat in de Psalmen van David, Davids grote Zoon, Jezus Christus aan het woord is. Met een verwijzing naar Hebreeën 2 : 12 en 10 : 5 horen we deze Duitse theoloog zeggen: 'Dezelfde woorden dus als David, sprak in hem de toekomstige Messias. De gebeden van David werden door Christus meegebeden of, beter gezegd: Christus Zelf bad ze in Zijn voorloper David'.
Mensenwoorden
Dat neemt natuurlijk niet weg dat we in het Psalter mensen van vlees en bloed ontmoeten. Verschillende mensen in diverse omstandigheden laten ons getuige zijn van hun gesprek met God. Dat spreken staat evenwel niet op zichzelf, maar veronderstelt een bijzondere relatie, een nauwe band, die de psalmdichters met God onderhouden. Het vernemen van Gods stem, het reageren op wat Hij ons te zeggen heeft, kan slechts onder voorwaarde van de gemeenschap met de Heilige. Het is zoals de berijming van Psalm 25 zo prachtig zegt: Gods verborgen omgang vinden zielen, waar Zijn vrees in woont (Ps. 25 : 7). Het intieme gesprek met God kan er slechts zijn, wanneer God ook gekend wordt.
Dat kennen van God wordt in het Oude Testament weergegeven met het begrip 'jada'. Dat wijst enerzijds op het kennen van het geopenbaarde Woord, de Thora, zoals daar in Psalm 119 over gesproken wordt. Maar tegelijkertijd is het kennen van God iets dat veel en veel dieper gaat. Ik hecht zelf nog altijd aan het woordje 'bekennen', waarmee de Statenvertalers het Hebreeuwse 'jada' vertalen. Het is een kennen dat zo intiem is, dat het alleen maar te vergelijken valt met de relatie tussen man en vrouw in de huwelijksgemeenschap. Zo vertrouwelijk, zo gemeenzaam gaat het er ook aan toe tussen God en de gelovige bidder. Overigens gaat het hier niet om eenrichtingsverkeer. Er is hier sprake van een wederkerig kennen, van een kennen over en weer. Er is een kennen van God uit. De Heere kent de weg van de rechtvaardigen, zegt Psalm 1 : 6. Al biddend is de dichter van Psalm 139 er diep van doordrongen dat de Heere hem doorgrondt en kent, weet van zijn zitten en opstaan en van verre zijn gedachten verstaat. Dat God de gelovigen kent, impliceert dat Hij naar hen omziet, met hen rekent, een relatie met hen wil onderhouden, hen beschermt en voor hen zorgt. Op hun beurt 'kennen' de biddende gelovigen God ook. Dat spreekt niet vanzelf. Dat is pure genade, dat hebben zij niet aan zichzelf te danken, maar alleen aan het feit dat de God van Israël de God van het verbond is. Dankzij het feit dat zij God mogen kennen, durven zij ook bij Hem aan te kloppen en te rekenen op antwoord. De dichter van Psalm 9 verwoordt dat zo: 'En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij Heere, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken' (vs. 11). En in Psalm 91 horen we God Zelf zeggen: 'Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam' (vs. 14).
Verzoende relatie
Zo zien we dat het gebed in de Psalmen niet losgemaakt mag worden van de innige persoonlijke band aan God. Gebed veronderstelt een verzoende relatie, een verhouding van liefde, die haar initiatief en grond vindt in de chèsed, de goedertierenheid van God. Daar horen we de psalmisten dan ook telkens weer om vragen. 'Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart', bidt David in Psalm 36. Zo'n gebed kan ik als christen alleen maar meebidden met het oog op het kruis. In Christus is Gods goedertierenheid vlees en bloed geworden. Door Hem mag ik God leren kennen en kind bij Vader thuis worden. Hij nam alle nood en schuld die in de Psalmen worden uitgezegd op Zich en droeg ze aan het kruishout. Daarin is ook mijn nood en mijn schuld begrepen. In de weg van Zijn lijden en sterven opende Jezus de toegang tot de troon van de genade. Daarom is het helemaal waar wat Bonhoeffer opmerkt: 'De Psalmen zijn ons gegeven om ze in de Naam van Jezus Christus te leren bidden'.
M. van Campen, Waddinxveen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's