Uit de pers
Gods own country
Amerikanen zien er niet tegen op hun deel van de wereld zo te noemen: Gods eigen land. Chauvinisme is hen niet vreemd. De Verenigde Staten van Amerika hebben aantrekkingskracht op mensen wereldwijd. Mij viel het onlangs op in familie- en kennissenkring dat er op vakantie gegaan werd en nog wordt naar dit 'Promised land'. Mijn aandacht werd gevestigd op een aantal spraakmakende schrijvers en boeken uit de VS afkomstig. Het christelijk cultureel tijdschrift Icarus (7e jrg. nr. 1) besteedt veel aandacht aan het Noorden van Amerika met als thema een Ander Amerika. Wat de redactie daarmee bedoelt, valt in het Redactioneel te lezen in typeringen als: 'We ontmoeten een Canadese schrijver (Douglas Coupland van de Generatie X) die de ironie van zijn generatie overstijgt, christelijke filosofen die de impasse doorbreken waarin de Europese filosofie verkeert (Alvin Plantinga en de derde weg), christenen die kennelijk iets hebben wat wij missen (o.a. Willow Creek) en musici die hun eigengereide boodschap koppelen aan uitzonderlijke kwaliteit (Over the Rine)'. Verder een gesprek met Amerika-deskundige Naarten van Rossem.
Van Rossem stelt dat er op vele niveaus in onze cultuur sprake is van een blijvende, fascinatie voor de VS. Hij verwijst daarvoor naar de televisie, de muziek, het literaire Amerika, de academische sector en niet te vergeten Internet (verzonnen door het Pentagon). Hij meent verder dat door de thans wereldwijd werkende massamedia en de elektronische revolutie er een soort mondiale massacultuur is ontstaan, vandaar genoemde fascinatie.
In God we trust
Die bekende woorden staan te lezen op elk dollarbiljet. Gerben Nooteboom schrijft een bijdrage onder de titel De hypocrisie van een wereldmacht? Hij biedt een bewerking van een lezing van prof. Willemien Otten over 'Boegbeeld en zelfbeeld van het Westen' gehouden voor het congres 'The American dream'. Uit dit verhaal citeren we enkele interessante delen. Recent zal ons de affaire-Lewinsky niet ontgaan zijn en de rol daarin van de Amerikaanse president Clinton.
'President Clinton erkende ten overstaan van het hele Amerikaanse volk zijn schuld tegenover God en vertelde met tranen in zijn ogen dat hij Hem vergeving had gevraagd voor zijn affaire met Monica Lewinsky. Graag laat hij zich filmen als hij geconcentreerd zit te luisteren tijdens de zondagse kerkdienst. Toespraken sluit hij het liefst af met een vrome bede om goddelijke bijstand en een "God bless you all".
Geen enkele Europese regeringsleider zal zich tegenwoordig nog in het hoofd halen om zo openlijk voor zijn geloof uit te komen, maar in de Verenigde Staten kan het. Sterker nog: het moet. De meerderheid van de bevolking stemt nog steeds op een presidentskandidaat die openlijk-godsdienstig is – iets waarop een gewiekst politicus als Clinton voortdurend inspeelt. In Nederland wordt een televisieserie waarin aan tafel gebeden wordt wat meewarig bekeken. Maar in talloze Amerikaanse soaps en films zijn het bidden, de kerkgang en het trouwen in de kerk heel normaal.
Schril contrast
Tegelijkertijd lijkt het geloof in praktijk geen grote rol te spelen in Clintons leven. Als er één ding zal blijven hangen van zijn presidentschap, dan is het de eindeloze rij van affaires, leugens en financieel geknoei. En er mag dan kerkgegaan en gebeden worden, de rest van de soap en film staat in schril contrast met de bijbelse normen en waarden. En wat te denken van de Amerikaanse samenleving? Godsdienst op elke straathoek, maar in veel opzichten is Amerika gewelddadiger, harder, meedogenlozer en immoreler dan enig ander westers land. En zelfs fanatieke christenen bedienen zich van niet christelijke middelen als moord en doodslag in hun anti-abortusstrijd. Een talkshow als die van Jerry Springer lijkt metaforisch te zijn voor Amerika: er wordt gesmuld van de grootste intimiteit en schunnigheid, maar er mag geen "fuck" of "damn" te horen zijn. ledere kijker wéét wat er gezegd wordt, maar dat geeft niet, zolang dergelijke woorden maar weggecensureerd worden met nette bliepjes. En als Springer de uitzending dan besluit met een televisiedominee-achtige, moraliserende uitspraak, is alles helemaal oké.
In Europa is zo'n openlijke hypocrisie volstrekt ondenkbaar. Wij lossen de spanning tussen overtuiging en levenspraktijk op door een strikte scheiding van publiek en privé. En geloven hoort duidelijk in de privé-sfeer. Praten over je persoonlijke geloof, zeker als dit met onbekenden gebeurt, wordt door veel Europeanen als ongepast en ongewenst beschouwd. En wie niet werkelijk gelooft, houdt al helemaal zijn mond over God, vergeving of goddelijke zegen.
De Britse cultuurcriticus Os Guinness wordt geciteerd die de Amerikaanse cultuur er een van oppervlakkigheid noemt (fit bodies, fat minds). Alles moet amusementswaarde hebben, zelfs religie. Daarom ligt er zoveel accent op de verpakking. Godsdienst moet leuk zijn en geen onplezierige gevolgen hebben voor je doen en laten en vooral goed in je eigen straatje passen. Dit alles gaat hand in hand met een steeds groter individualisme: je moet zelf met je eigen geloof uit de voeten kunnen. Ook de evangelicals hebben hierin een grote rol gespeeld: nadruk op individuele bekering en een persoonlijke relatie met Christus.
'Bruinsma stelt dat de kerk dan makkelijk een club van gelijkgestemde individuen wordt, die er baat bij hebben om geregeld bij elkaar te komen om de vlam van hun geestelijk leven brandende te houden. Het toenemende gemak waarmee velen switchen van de ene kerkgemeenschap naar de andere, past ook in het patroon waarin de kerkganger als consument het product zoekt dat hem persoonlijk aanspreekt. Religie als shopping item dus, niet als iets waaraan je je onvoorwaardelijk overgeeft. De kerk speelt hier handig op in. Amerika is sinds de Tweede Wereldoorlog zo'n beetje verslaafd geraakt aan counseling en therapie. Ook steeds meer gelovigen verwachten niet alleen meer dat de kerk een plaats is waar ze God kunnen ontmoeten, maar vooral dat daar wordt ingespeeld op hun persoonlijke behoeften. Kerken doen hun best om het imago van een friendly church, of een caring church te verwerven. En kerken beconcurreren elkaar in strijd om een zo groot mogelijk marktaandeel. Dit heeft, volgens Bruinsma, ook tot een theologische verschuiving geleid. Zonde wordt een probleem dat langs therapeutische weg verholpen moet worden. Zonde is niet de oorzaak van de breuk met God die verzoend moet worden door Christus, maar een persoonlijk falen dat zelf overwonnen moet worden. Het individu komt centraal te staan. Het Amerikaanse christendom is daarmee een doe-het-zelf christendom geworden. Zoiets als een "absolute waarheid" bestaat echter nauwelijks meer, zelfs niet voor actieve kerkgangers. Ieder heeft nou eenmaal zijn eigen behoeften.'
In onze ogen klinkt dit allemaal nogal negatief en oppervlakkig. Terecht wordt er in het hier geciteerde artikel ook een andere kant belicht en daarin komt uiteraard ook Willow Creek aan de orde.
'De negatieve kenmerken van de Amerikaanse godsdienstigheid hebben ook positieve aspecten. Het individualisme kan uitmonden in relativisme en egocentrisme, maar legt ook nadruk op het belang van persoonlijke bekering. De "marktgerichte" houding van kerken kan consumentisme in de hand werken, maar zorgt er ook voor dat kerken oog hebben voor de behoeften en noden die bij mensen leven. En dat de kerk voor veel Amerikanen vooral een sociale functie heeft, neemt niet weg dat het gemeenschapsgevoel er vaak beter is ontwikkeld dan binnen Nederlandse kerken. "In Amerika zien en benadrukken veel kerken hun taak in de samenleving," aldus Kamsteeg. "Ze houden zich bezig met hulpverlening, vrijwilligerswerk en dienstverlening voor de hele samenleving. Wij zien die taak ook wel, maar doen er niets mee en eigenlijk weten we ook niet hoe het moet. Nederlanders zijn namelijk veel cynischer en sceptischer als het over religie gaat."
Naast de mainstream-kerken zijn er dan ook geloofsgemeenschappen opgebloeid die juist uit die positieve aspecten hun kracht putten. Juist van die kerken kunnen wij in Nederland veel leren, menen zowel Kamsteeg als Otten. Als voorbeeld noemt Kamsteeg de Willow Creek Community Church van Bill Hybels in South Barrington, een voorstad van Chicago. Elke keer dat hij daar op bezoek is, raakt hij er diep onder de indruk.
"De mensen zijn er echt geboeid door God. God is voor hen iemand die de moeite waard is. Het geloof wordt er heel duidelijk en consequent toegepast op levensvragen waar iedereen, christen of niet, mee te maken heeft. Op persoonlijke problemen als eenzaamheid, angst, onzekerheid, stress en dood wordt heel praktisch de bijbel toegepast". Op het "vooruitgangsgeloof" mag dan een hoop af te dingen zijn, mede daardoor zijn Amerikanen wel veel praktischer en toekomstgerichter, meent ook Otten. "De vraag 'waar ga je naar toe?' staat centraal, terwijl het er bij ons om gaat waar je vandaan komt. Nederland is nog steeds een verzuild land en theologen houden zich alleen, bezig met de eigen groep. Ze schrijven voor eigen publiek en behandelen vaak oude leerstelligheden uit de belijdenisgeschriften, waarbij ze dan teruggrijpen op Calvijn en dergelijke. Ze hebben zichzelf buiten de maatschappij geplaatst. In Amerika is het debat veel dynamischer en het spreekt daardoor veel meer mensen aan. De religieuze discussies die er worden gevoerd, zijn veel fundamenteler dan bij ons."
Kamsteeg: "Bij ons wordt de bijbel veel theoretischer en dogmatischer gebruikt. Dat sprankelende zie je in Nederland bijna niet. Christenen in Nederland zijn erg introvert en traditioneel. Religie is hier met succes teruggedrongen naar kleine kerkgenootschappen. En christenen vinden dat ook wel best, we trekken ons graag terug in vertrouwde clubjes. Bovendien zie je in de meer traditionele kerken veel angst voor subjectivisme. Wij zijn bang voor ons gevoel en weten niet hoe we er mee om moeten gaan."
In feite is Willow Creek een tegenbeweging tegen oppervlakkigheid en algemeenheid. Kamsteeg: "De kracht van dergelijke kerken is dat ze de diepgang van het evangelie zoeken. In Willow Creek is duidelijk te zien dat de waarheid datgene is dat wérkt in ons leven. Niet vanuit een soort pragmatisme, dat we zelf uitzoeken wat bruikbaar is en de rest dan maar weggooien, maar vanuit een verlangen om jezelf heel concreet te toetsen aan God en de bijbel."
"Die zoektocht naar true religion is een typisch Amerikaans verschijnsel," meent Otten. "Wij voeren dogmatische debatten die moeten uitmaken of iemands geloof al dan niet juist is. In Amerika geldt een andere toetssteen voor 'waar geloof', namelijk de mate waarin het een waarneembaar effect heeft op iemands leven".
Kamsteeg benadrukt dat bij mensen als Larry Crabb en J. I. Packer heel duidelijk Christus in het middelpunt staat. "Eerst moet Hij centraal staan, en vervolgens kijken ze wat Hij te zeggen heeft over ons leven. Dat is zeker geen pragmatisme!"
"Ondanks uitspraken als 'God bless America' is het vooral de figuur van Christus die tot de verbeelding spreekt", aldus Otten. "God kun je nog afdoen als een abstracte term, die zich makkelijk laat verenigen met een deïstisch geloof dat weinig verplichtingen stelt. Maar die abstractie vervalt als het om Christus gaat. Het is alsof de figuur van Christus via een indringend persoonlijk appèl de Amerikanen voortdurend oproept tot bekering. Die oproep is iets waar veel religieus onderlegde Nederlanders het moeilijk mee hebben – ikzelf als hervormde incluis. Men bekeert zich in Nederland maar zelden".
"Wat mij aan Amerikaanse kerken als Willow Creek opvalt, is dat er echt geleefd wordt vanuit een levend geloof", zegt Kamsteeg. "Het tintelt er, het is creatief en het boeit. Het gaat heel diep en het zoekt alsmaar de toepassing. Het is levend en concreet".'
Aad Kamsteeg vermoedt dat wij ons ergeren aan deze Amerikaanse radicaliteit en hen daarom haastig verwijten oppervlakkig te zijn, omdat dat ons de kans geeft beter voor de dag te komen en zodoende zelf buiten schot te blijven.
Alabama
In het Centraal Weekblad doet Ruth Peetoom elke week verslag van een reis die ze vier weken lang maakt door de VS op uitnodiging van het German Marshall Fund. Ik citeer twee fragmenten uit haar verslag over wat ze aantrof in de provincie Alabama.
'Montgomery (Alabama), 13 maart 1999. In het diepe zuiden van Amerika loopt de Bible Belt. Van de staat Texas tot en met North Carolina, een gebied van zo'n 2000 kilometer van oost naar west gemeten zijn de mensen op een andere manier gelovig dan in de rest van de Verenigde Staten. Zomaar wat ervaringen uit Montgomery, de hoofdstad van Alabama: een jogger met een walkman op en een grote gele vlag: "Jesus loves you". Bijbelteksten op het damestoilet van een restaurant. Grote reclameborden langs de snelweg met de aankondiging dat God de weg, de waarheid en het leven is. En in de krant een advertentie van de verzekeringsmaatschappij Baptist Health met daarin de oproep om op je hart te letten. God is in de straten van Montgomery overal zichtbaar aanwezig.
In Amerika zijn de statistieken wat betreft geloven voor ons Nederlanders, met onze geseculariseerde samenleving, opmerkelijk. Maar liefst 95 procent van de Amerikanen gelooft in God. Van de volwassenen zegt 47 procent dat het christelijk geloof voor hen van grote betekenis is. Bijna 50 procent gaat minstens één keer in de week naar de kerk, en als je de mensen die af en toe gaan erbij optelt, groeit het percentage kerkgangers tot 70 procent. Bijna 50 procent van de Amerikanen gaat er vanuit dat de Bijbel tot in alle details betrouwbaar is en 45 procent leest er eens in de week in.
Amerikanen praten ook vrijuit over geloof en over God. Bij de bushalte, in een broodjeszaak, in de taxi: spreken over God is heel gewoon. Amerikanen vinden de strenge scheiding tussen kerk en staat in hun staatsinrichting heel belangrijk. Maar waar het gaat om geloof en maatschappij ligt het anders: die zijn in Amerika nauw verbonden.'
Haar conclusie onder andere: geloof heeft alles met emotie te maken. Daar weten ze in Amerika wel weg mee, terwijl wij ons vaak veel onder koelder uiten. Peetoom is ook in een Methodistische Kerk geweest.
'Hier in Montgomery ben ik ook in een kerk. De Frazer Methodist Church was in 1980 een gemeenschap met 200 leden. Nu zijn het er 7000. Voorganger is John Ed Mathison, een grijzende man van ongeveer zestig jaar. We zitten in zijn kantoor. Aan de muur hangen naast een serie tennistrofeeën, talrijke onderscheidingen: zoals Friend of Montgomery, Man van het Jaar in 1992, een History Making Award en ook een prijs voor de Meest Eerzame Agrariër. Maar naast dat alles is John Ed, zoals iedereen hem noemt, voorganger van die immense kerkgemeenschap, met vier diensten per zondag (met in totaal 4800 mensen, en nog eens 298 miljoen (!) kijkers via de televisie) en talloze activiteiten.
Ook in de methodistische kerk, gesticht door John Wesley, wordt veel nadruk gelegd op de persoonlijke verhouding met God. Maar daarnaast is er veel aandacht voor morele en sociale gerechtigheid en oecumene. Eraser vertaalt dat onder andere in spreekuren waarin dokters in hun vrije tijd mensen behandelen die binnen het onmogelijke Amerikaanse gezondheidszorgsysteem nergens anders terecht kunnen. Tijdens weer andere spreekuren geven leden van de kerk met een juridische achtergrond rechtsbijstand.
Mathison formuleert het vertrekpunt van Fraser als het aanmoedigen van gewone kerkmensen om hun gaven en talenten te gebruiken. Wie zich aansluit bij Fraser, krijgt een dik formulier met het verzoek alle ervaring, opleiding en speciale wensen op te schrijven. Je wordt verondersteld wat te doen als je lid bent van de Frasergemeenschap: koken voor de wekelijkse gemeenschappelijke maaltijd (800 bezoekers), oppassen in de crèche (450 baby's en peuters elke zondag) of pastoraal werk. De tieners coachen in de basketbalclub, spelen in het professionele orkest of de Internetsite bijhouden (www.Frazerumc.org.). Ook ik word ogenblikkelijk ingezet: of ik het gebed wil doen bij de bewuste gemeenschappelijke maaltijd. Nog nooit eerder heb ik applaus gehad na het uitspreken van een gebed. En eerlijk gezegd voel ik me daar ook niet gemakkelijk bij.
Fraser is niet representatief voor een gewone methodistische kerk. Het gastgezin waar ik verblijf is ook methodistisch, maar dan op een manier die veel dichter ligt bij onze simpeler, meer ingetogen manier van kerk-zijn. Net zoals er binnen de hervormde kerk of tussen gereformeerde kerken onderling grote verschillen zijn, zo is dat ook hier in Amerika. Dé methodistische kerk bestaat niet, dé Amerikaanse christen bestaat niet. Het zijn juist de verschillen die mij in deze dagen bewuster maken van mijn gereformeerde identiteit en tegelijk van mijn hartgrondige oecumenische overtuiging.
Er zijn talloze manieren om God te dienen en Zijn naam te prijzen. Is dat niet een gave op zich? Blind kopiëren hoeft niet en kan niet. Elke gemeenschap is kerk op haar eigen manier. Maar wel is het goed om je aan elkaar te spiegelen. Te vragen naar het waarom, nieuwsgierig te blijven naar het hoe. En te leren van de diversiteit. Want Gods werkelijkheid heeft vele wegen.'
Boeiend inderdaad om kennis te nemen van Gods wereldwijde werk. Het bewaart voor engheid en starheid, alsof God slechts enkele kinderen heeft en dan vooral in eigen land. Over chauvinisme en oppervlakkigheid gesproken!
J. Maasland
P.S. Icarus is een uitgave van het Boekencentrum. Voor een proefnummer of abonnement: Antwoordnummer 10291, 2700 VB Zoetermeer, tel. 079-3628628. Het verschijnt 6x per jaar en kost ƒ 39,50.
Het geciteerde boek is van: Reinder Bruinsma 'Geloven in Amerika, kerken, geschiedenis en geloof van christenen in de VS, Boekencentrum 1998.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's