De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

De goede oude tijd, bijvoorbeeld in de 'Gouden Eeuw' hier te lande, vraagt altijd weer om relativering. In een recent verschenen boek 'Fryslân, staat en macht 1450-1650' (uitgave Verloren, Hilversum) staat een lezenswaardige bijdrage van W. Bergsma, als historicus verbonden aan de Fryske Akademie te Leeuwarden, over 'Kerk en staat in Friesland na 1580'. Hier volgt wat hij schrijft over de 'doorgaans slaafse mentaliteit bij de mannen op de kansel':

'"De Kerk van haar kant verzette zich", zoals Huizinga in 1941 opmerkte, "nadat eenmaal de strijd om de rechtzinnigheid was uitgevochten, volstrekt niet tegen de uiterlijke praal van voornaamheid der regenten; zij vermeide er zich veeleer in, aan de wapenborden in de kerken, de grafschriften en rouwdichten voor de heeren mee te werken."
Wanneer de predikanten een beroep deden op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dan kregen zij doorgaans nul op het rekst. De overheid en de predikanten vormden dan ook geen eenheid. De door H. A. Enno van Gelder benadrukte tweedeling van tolerantie, erasmiaanse regenten en onverdraagzame predikanten, wier furor theologicus door die regenten werd beteugeld, is eenzijdig, maar het is wel zeker dat de bestuurders in Friesland, al waren zij lidmaat, doorgaans niet geneigd waren de bestaande godsdienstige pluriformiteit op verzoek van de gereformeerde predikanten te verminderen. (…)
Vele decennia lang kampte de gereformeerde kerk met een gering aantal lidmaten. Omstreeks de Dordtse Synode van 1618-1619 was niet meer dan 10% van de totale bevolking lidmaat van de publieke kerk. Dat had ook consequenties voor het vinden van goede bestuurders. De leden van de Staten van Friesland en de stedelijke bestuurscolleges waren immers bij voorkeur lidmaat van de gereformeerde kerk. Soms was het moeilijk om geschikte bestuurders te vinden voor de magistraat. Stadhouder Ernst Casimir heeft in de jaren twintig een rapport laten samenstellen over personen die al dan niet geschikt zouden zijn voor een plaats in de magistraat. Uit dat rapport van 1621 blijkt dat de stadhouder bij voorkeur bemiddelde, vrome lidmaten, goede patriotten en mensen van onbesproken gedrag wilde benoemen. Toch zijn tal van personen godsdienstig niet voldoende gekwalificeerd, zoals uit Ernst Casimirs rapporten blijkt.

In Sloten was Feytte Rienx met een "papistische frau getraut" en was Inthe Schouts "geen lidmaet, maar compt somtijt in die kerck, was geen liefhebber van der religie". In Staveren is Dauwe Simes "geen lidmaat, mar gaet ter kercken", Claes Allerts is "een lidmaat van den gemeente, is monster commissaris geweest, een rou gast… nit al te fast in der religie", Andres Andrissen is "geen lidmaat maar gaat ter kercken, een heel goet patriot, van grote middelen". In Bolsward wordt ons een mooi kijkje achter de schermen gegund: "Tiardt Lewes is een goed patriot, is van de factie van Timen Frantzen, is een schlecht persoon, der religie niet sonder toegedaen, een draver, is voor een jaer erst lidmaet worden, een olt man mit cleene middelen". Over Jacobus wordt vermeldt dat hij "een droncken gesel, so nit dierlick creatür van S." is. In Harlingen is Dirck Willems "suspect in der religie", want hij is in het gezelschap van papen gesignaleerd. Een zekere Hendrix is "een grooten dronckardt, der religie wenig toegedaen, idem drinckt sich so dronken dat hij op de straten liggen blift".
Drie jaar later is de situatie evenmin rooskleurig. In Dokkum blijkt dr. Hottinga een groot spotter van de religie, hij brengt de stad in rep en roer Johannes Thomas is een arminiaan en is "sinds Petrus" niet ter kerke geweest. Peter Dionysius, een broer van de secretaris, is eveneens een arminiaan. Beter zijn de papieren van Fopke Sietz.: "een man van goude borgerlicke gouderen", lid van de kerkenraad geweest, volmacht op de Landdag en heeft "goede eenichheydt met sin wif, is ock geen drinckerdt". Reiner Wolters, een zwager van de overleden burgemeester komt soms in de kerk, maar is geen lidmaat en "maekt ock wenich staet van den religie". Ritske Jansen was lidmaat, maar is na de afzetting van de beide Dokkumer predikanten niet meer in de kerk geweest. In Harlingen wordt van Brun Gisberts gezegd dat hij niet gedoopt is; hij bekent zelf arminiaan te zijn. De slager Arien Reiners gaat niet naar de kerk en wordt verdacht van arminianisme. Beter gekwalificeerd zijn Pibe Bauckes en Harmen Telmers, beiden lidmaat en respectievelijk diaken en ouderling.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's