Heilshistorie in het Oude Testament (5)
Een vorig keer maakte ik een begin door aan te tonen dat Christus niet alleen het Oude Testament aanvaardde, maar het ook alle gezag toekende.
Ik wil daarvan nog een paar voorbeelden geven. Ik denk aan de geschiedenis van de verzoeking van Jezus door de satan. In het evangelie naar de beschrijving van Markus wordt ons dit gebeuren meegedeeld, evenals in Mattheüs en Lukas, maar daar uitvoeriger. Steeds opnieuw – tot drie keer toe – weerstaat de Heere de verzoeking van de satan met een beroep op de Schrift. Hij houdt de satan voor: 'Er staat geschreven'.
Het zal ons wel eens opgevallen zijn bij het lezen van deze geschiedenis dat ook de satan een beroep doet op het Woord van God. Want als satan Jezus op de tinne (het uiterste puntje) van de tempel heeft gesteld, zegt hij tot de Heiland: 'Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen aangaande U bevelen zal, en dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot'.
Wanneer de duivel deze woorden gesproken heeft, wordt door Jezus aangetoond dat hij deze woorden uit zijn verband heeft gerukt. De Heere, onze God, mag niet verzocht worden.
Les in het heden
Uit deze geschiedenis valt veel te leren. En dan denk ik niet alleen aan het gezag dat het Oude Testament heeft en dat door Jezus volledig wordt erkend. Maar ik denk niet minder aan het feit dat de Schrift altijd in de verbanden gelezen móét worden waarin iets staat geschreven. Ik wil hiermee zeggen dat een tekst nooit los gelezen kan en mag worden van de omgeving waarin deze is gezegd of geschreven. Daarom moeten wij er goed op letten of wat satan ons voorhoudt uit de Schrift niet uit zijn verband is gerukt. Ik durf eigenlijk wel met zekerheid te zeggen dat dit altijd het geval is.
Er wordt wel eens gezegd dat de satan de Schrift goed kent. Wie dit zeggen, geef ik niet helemaal ongelijk. Maar als dit zo is, en het is zo, dan doen wij er goed aan de Schrift nauwkeurig te lezen en te onderzoeken. Tot op de naad en de draad na te gaan wat er in de Schrift staat geschreven. De teksten in zijn verband te lezen en ze te laten staan in de context. Dan zal men in navolging van Jezus zeggen wanneer de satan ons een uit zijn verband gerukte tekst voorhoudt: 'Er staat geschreven'.
Werkelijk, het is geen verloren tijd om ons veel met de Schrift bezig te houden. Ik zeg dat niet alleen met het oog op satan die ons meer dan eens aanvalt met een tekst die hij 'zomaar' uit de Schrift geplukt heeft, maar ook ben ik er diep van overtuigd dat wij steviger in onze schoenen tegenover allerlei dwaalleer staan, naarmate de Schrift door ons beter wordt gekend.
Wij hebben een Woord voor de wereld! Jazeker, maar wij hebben ook het Woord tegen allerlei dwaalleer waarmee niet alleen wij, maar ook onze kinderen en kleinkinderen veelvuldig in aanraking komen.
Natuurlijk kan men zeggen dat de Heere wakker zal zijn over Zijn eigen Woord. Wie dat zegt, krijgt van mij voor de volle honderd procent gelijk. Dat sluit echter ons wakker zijn over het Woord niet uit. Ook wij zullen wakker zijn! Anders gezegd: ook wij zullen waakzaam zijn, opdat wij in de boze dag het Woord laten spreken. Niet laten buikspreken, maar spreken. Het Woord alleen…!
Het zal duidelijk zijn dat ik in het bovenstaande 'uitstapje' sterke nadruk heb willen leggen op het thuis-zijn en ons thuis-voelen in het Woord van God. Hoe meer wij in het Woord thuis zijn, des te meer voelen wij ons erin thuis. De Heere laat het thuiszijn in Zijn Woord niet ongezegend.
Geschillen
Tussen de Heere Jezus en de satan bestond een groot geschil. Maar ook van een geheel andere kant waren er geschillen. Ik noem de Farizeeën en de Sadduceeën. Wat hebben zij getwist met de Heiland tijdens Zijn omwandeling op aarde. Wat een geschillen ontstonden er. Het ene geschil was nog niet voorbij of het andere diende zich aan.
Een groot geschil bestond er met de Sadduceeën. De vijf boeken van Mozes kenden zij Goddelijk gezag toe. De andere boeken van wat wij nu het Oude Testament noemen, waren anders en minder van waarde. Zij hadden niet die autoriteit die de vijf boeken van Mozes wel bezaten. De Sadduceeërs geloofden niet in engelen noch in demonen. Ook leerden zij het volk dat er geen opstanding uit de doden was. Zij dwaalden en lieten het volk dwalen.
Jezus liet ze echter horen dat er wel sprake is van een opstanding uit de doden. De Heere toonde dit aan uit het boek Exodus.
Naast de Sadduceeën waren er de Farizeeën. Zij kenden aan het Oude Testament Goddelijk gezag toe. Met Jezus ontstond er echter een groot geschil, omdat zij zich meer dan eens beriepen op de mondelinge wet. Onder de mondelinge wet moet verstaan worden de inzettingen der ouden. Deze laatsten hadden hetzelfde gezag als de boeken van het Oude Testament. Aan de Traditie met een grote T werd hetzelfde gezag toegekend als de traditie met een kleine t. Wat dat betreft is er werkelijk niet zoveel nieuws onder de zon. Ook onder ons gebeurt het wel dat de Traditie en de traditie op een en dezelfde hoogte staan. Helaas komt het wel voor dat dé Traditie overvleugeld wordt door de traditie. Er zit ongetwijfeld iets waardevols in de traditie, in de inzettingen van de ouden. Maar let wel: zij hebben volstrekt niet het gezaghebbend karakter zoals dit aan de Schrift wordt toegekend. Daarom lopen wij het oude niet na omdat het oud is, maar wij hollen evenmin achter het nieuwe aan te hijgen omdat het nieuw is. Het gaat erom of iets waar(achtig) is.
Voorop staat de Traditie, d.w.z. de gehele Schrift. Zo was het óók bij de Heere Jezus. Het gezaghebbend karakter van de inzettingen van de ouden (de traditie) wees Hij van de hand. Juist door het gezaghebbend karakter dat eraan werd toegekend, werd het gebod van God krachteloos gemaakt. Daarom verwierp Hij de autoriteit die de Farizeeërs eraan gaven.
Paulus
Uit zijn brieven is ons bekend dat de apostel Paulus de leer van de profeten voor de volle honderd procent heeft aanvaard. Hij zou dit zeker niet gedaan hebben als hij er enige onvolkomenheid in had gevonden. In Handelingen 24 : 14 horen wij de apostel zeggen: 'Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, welke zij sekte noemen, de God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de wet en in de profeten geschreven is'. De apostel zegt deze woorden als hij voor de stadhouder Felix staat. Paulus weet zich afgezonderd tot het evangelie. En dat evangelie is tevoren verkondigd in de Heilige Schriften. Onder de Heilige Schriften hebben wij bij Paulus te verstaan het Oude Testament, zoals dit ons door de profeten en anderen is overgeleverd.
In I Korinthe 15 : 1-4 lezen wij dan ook dat dit evangelie alle artikelen van het geloof omvat, nl. dat Christus gestorven, begraven en opgewekt is naar de Schriften. Het valt op dat hij tot twee keer toe in de verzen 1-4 van I Korinthe 15 zegt 'naar de Schriften' (3 en 4).
Tegen Timotheüs wordt door de apostel gezegd dat hij van kindsbeen de Schriften heeft geweten. Hij wordt door Paulus vermaand om daarin te blijven, omdat de leer van het Oude Testament volkomen is.
Om kort te gaan: Het Oude Testament wordt door Paulus veelvuldig geciteerd. Wij vinden daarin het evangelie. En dan behoeven wij werkelijk niet alleen te denken aan Genesis 3 : 15 of Jesaja 53. Op vele andere plaatsen in deze geschriften is het evangelie aan te wijzen. Om met K. Schilder te spreken: 'Het gaat van de morgen naar de middag…! Van de schemer naar het licht…' Het Oude en Nieuwe Testament leren dezelfde drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Zij onderwijzen beide in dezelfde leer der zaligheid. Wat dit laatste betreft wordt in het Oude Testament geen andere leer en geen andere weg ons voorgehouden dan in het Nieuwe Testament. Of het moet zijn dat de leer en de weg der zaligheid ons duidelijker wordt voorgesteld in het Nieuwe Testament dan in het Oude. Zoals K. Schilder zegt: 'Het gaat van de morgen naar de middag…'
Ik sluit dit gedeelte af met de woorden van Paulus tegen Timotheüs: 'Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust' (II Tim. 3 : 16 en 17).
Calvijn
Calvijn heeft zeer zeker oog gehad voor de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament. Behartenswaardige woorden dienaangaande zijn te lezen in de Institutie (II, X, XI).
De reformator heeft open oog gehad voor de voortgang van de openbaring. Hij vergelijkt Gods methode van werken met de manier waarop een landbouwer zijn werk doet. Een landbouwer verricht in de winter andere werkzaamheden dan in de zomer. Wanneer hij personeel in dienst heeft, zal hij ze in de winter ander werk laten doen dan in de zomer. Daarmee wijkt de landbouwer niet af van de regels van de landbouw. Hij en zijn personeel zijn het gehele jaar bezig met de landbouw, ook al zijn de werkzaamheden in de verschillende jaargetijden anders. De voorbereidende werkzaamheden in de winter hebben alles te maken met de oogst die eens binnen wordt gehaald.
Het gehele Oude Testament bereidt voor op de komst van de Messias en het Nieuwe Testament vertelt ons dat Hij gekomen is.
Weer anders dan bij K. Schilder spreekt ook Calvijn over progressie (voortgang) in de heilsopenbaring. K. Schilder echter heeft deze progressie minutieus omschreven waarop ik later nog wel terugkom. Calvijn daarentegen heeft dit niet gedaan!
Wat de dopersen betreft, neemt Calvijn eenzelfde standpunt in als Guido de Brès enige tijd later zal doen: het Nieuwe Testament kan zonder het Oude niet verstaan worden. (wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, Bennekom
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's