Een sociologische visie op het ontstaan van het christendom (2)
De Eerste Eeuwen
De vrouw
Wellicht belangrijker nog is de wijze waarop het christendom aan de vrouw een plaats gaf in het maatschappelijke en gezinsleven. De vrouw was in de Grieks-Romeinse wereld een minderwaardig voorkomen. In de heidense wereld waren veel meer mannen dan vrouwen. Talloze ongewenste kinderen werden, als het al tot een geboorte kwam, te vondeling gelegd of vermoord. Vooral meisjes trof dit lot. Deze handelwijze was legaal, moreel aanvaard en vormde een wijdverbreid gebruik in alle sociale klassen in de Grieks-Romeinse wereld. Onderzoek heeft aangetoond dat zelfs in grote families praktisch nooit meer dan één dochter werd grootgebracht. Romeinse meisjes trouwden verder jong, soms zelfs al voor hun puberteit. Dit leidde tot zeer vroege moederschappen ondanks dat sommige Romeinse artsen gemeenschap voor de puberteit ontraadden. Ook de toepassing van abortus leidde in talloze gevallen tot de dood van de vrouw. De vrouw had het dus in alle opzichten zeer moeilijk.
De christelijke gemeenschap ging heel wat beter met het zwakke geslacht om. Zelfs als Paulus een meer conventionele patriarchale visie op het huwelijk tentoonspreidt, zoals in zijn brief aan de Efeziërs (5 : 22) dan vormen de tien daaropvolgende verzen aansporingen van mannen om hun vrouw lief te hebben, aldus Stark. Verder wijst hij erop dat Paulus in zijn Romeinenbrief aan achttien mannen maar eveneens aan vijftien vrouwen zijn persoonlijke groeten overbracht. De vrouw stond binnen de christelijke gemeenschap in ere. Hoe anders ging het toe bij het heidendom. Het verwondert dan ook niet dat veel vrouwen uit de Romeinse wereld zich aangetrokken voelden tot de christelijke houding tegenover het vrouwelijke geslacht en velen bekeerden zich dan ook. Velen van hen slaagden erin hun echtgenoten tot het geloof te brengen.
Door een en ander ontstond binnen de christelijke gemeenschap en in tegenstelling tot de heidense wereld, een 'overschot' aan vrouwen. Dit leidde tot veel huwelijken met niet-gelovige mannen. En hoewel dit deels kritisch, deels genuanceerd, benaderd werd door de leidslieden van de toenmalige kerk, leidde dit er wel toe dat veel heidense mannen middels hun vrouw bekeerd werden tot het christendom.
Het christendom kon zich voornamelijk zo sterk verspreiden doordat de christelijke gemeenschap een open netwerk vormde naar de heidense wereld toe. Dat gold voor de gemeenschap als geheel maar vooral, zo vernamen we van Stark, voor de (bekeerde) vrouwen. Het christelijke geloof bood hoop en redding voor de nood van de Grieks-Romeinse wereld. De 'kwaliteit' van het christelijk geloof was, naast de 'open netwerken' die de christelijke gemeenschappen onderhielden, een belangrijke reden voor de groei van het christendom. Hoop en redding voor de nood van de Grieks-Romeinse steden, voor catastrofes als epidemieën. Voor de vrouwen die in de christelijke gemeenschap op een ereplaats konden rekenen.
De toepassing
Bij lezing van dit boek en zoekend naar een toepassing dringen twee vragen zich naar voren. Die vragen zijn afgeleid van de twee belangrijkste factoren die Stark noemt voor de snelle verspreiding van het Evangelie in de eerste eeuwen. In de eerste plaats vormde de christelijke gemeenschap een 'open netwerk' waardoor intensieve contacten met de Grieks-Romeinse wereld mogelijk waren. In de tweede plaats betekende het christelijk geloof iets in die wereld. De Grieks-Romeinse wereld werd er letterlijk en figuurlijk door geraakt. Ervan uitgaande dat de verspreiding van het Evangelie in onze tijd niet minder belangrijk is geworden, moeten we ons dus de vraag stellen of de christelijke gemeenschap/gereformeerde gezindte nu nog zo'n open netwerk vormt? En, wordt de moderne mens nog geraakt door de christelijke/gereformeerde opvattingen? Als deze twee gegevens vroeger het christendom zo'n geweldige impuls konden geven, kan dat dan in onze tijd niet meer? Voor het antwoord op deze vragen is het toch nodig de Grieks-Romeinse tijd met de onze te vergelijken.
Voorop staat dat de huidige tijd veel over eenkomsten vertoont met de tijd van de eerste eeuwen. Na het bovenstaande behoeft dat weinig toelichting. Toch zijn er ook belangrijke verschillen.
De diepte en zwartheid van het Grieks-Romeinse rijk zoals dat door Stark geschilderd wordt, kennen we in onze westerse wereld toch niet meer. Prostitutie, hoewel bijna gelegaliseerd, is toch geen algemeen geaccepteerd en gangbaar verschijnsel dat zich in elke stad of dorp nagenoeg in het openbaar voordoet. En als de seksuele moraal al weinig zou verschillen met de Grieks-Romeinse wereld dan toch niet de beschreven kindermoorden. Abortus is een schrikbarend verschijnsel in onze moderne samenleving maar de methoden en technieken en vooral de gestelde voorwaarden (al worden ze met enige regelmaat met handen en voeten getreden) maken van het verschijnsel abortus een meer geciviliseerd (doch absoluut afkeurenswaardig!) verschijnsel. Temeer daar door het gebruik van voorbehoedsmiddelen (wat men daar ook van moge vinden) de vraag naar een abortus provocatus in ieder geval relatief veel lager zal zijn dan in de eerste eeuwen. Evenmin kennen we de door Stark geschetste chaos (criminaliteit) van de steden. Hoewel geweld ook onze steden niet (of misschien zelfs: steeds minder) vreemd is, lijkt me de gemiddelde Nederlandse stad toch onvergelijkbaar met de Grieks-Romeinse stad zoals die door Stark is geschetst. Om nog een laatste verschil te noemen: catastrofale epidemieën kennen we in onze westerse samenleving evenmin. Bovenstaande is niet vermeld om het falen van onze westerse samenleving te vergoelijken. Integendeel, hoe kan het toch zijn dat in onze welvarende samenleving mensen tot een abortus provocatus besluiten? Dat kinderen van de straat geroofd worden om hen voorwerp te maken van de meest gruwelijke misdaden? Enzovoort. Maar toch moet gezegd worden dat het er in onze samenleving over het algemeen heel wat beschaafder aan toe gaat dan in de tijd van de antieken. Te weinig wordt onderkend dat het christendom aan deze beschaving een belangrijke bijdrage heeft geleverd. In het afgelopen millennium is de westerse wereld in sterke mate gevormd door de waarden en normen die het christendom heeft aangedragen. Natuurlijk zijn die waarden en normen niet unaniem overgenomen en zeker niet consequent toegepast. Maar tot op zekere hoogte mogen we toch stellen dat de westerse samenleving in, laten we zeggen, 'horizontale' zin gekerstend is. De 'beschaving' die wij nu kennen mag dus een vrucht genoemd mag worden van het Evangelie. Ook al is die vrucht welhcht nooit volgroeid geweest en al onderkennen we er flinke rotte plekken aan. Het christelijk geloof kan in onze tijd dus niet zomaar een opvallende meerwaarde bieden tegenover agnostische of andere opvattingen. Het 'gat' tussen de waarden en normen die het christendom uitdraagt en de moderne seculiere (of: horizontaal gekerstende) cultuur is in onze tijd veel minder groot dan in de tijd van de antieken. In zekere zin is er dus sprake van een paradoxale situatie.
'Revolutionair'
Een en ander wordt versterkt doordat het christendom een min of meer bekend verschijnsel is geworden. Werd het christendom in de eerste eeuwen door de 'wereld' nog als een 'revolutionair' idee beschouwd, heden ten dage is dat niet meer het geval. Het christendom is geen 'nieuw' en 'opvallend' verschijnsel meer. Integendeel, de moderne mens heeft Maarten 't Hart gelezen en weet dus dat het christendom een achterhaald geloof is dat mensen hooguit van de wal in de sloot kan helpen. Karikatuur of niet. In zekere zin zou dus gezegd kunnen worden dat door de kerstening in horizontale zin (humaniteit) de kerstening in geestelijk zin geblokkeerd is geraakt.
Christenen zijn niet zo veel humaner dan niet-christenen. Het is waar, christenen zijn de gulste gevers aan goede doelen, zij besteden relatief veel vrije tijd aan vrijwilligerswerk en wellicht 'scoren' zij op een aantal andere punten ook 'beter' dan niet-christenen, maar dat alles contrasteert te weinig met de seculiere mens om een 'opvallend alternatief te vormen. De eerste christenen dwingen, wanneer we dit beseffen, temeer respect af. Zij leefden in een letterlijk en figuurlijk heidense wereld en brachten het offer om 'geheel anders' te zijn. Voor ons moet dat veel gemakkelijker zijn maar wij zoeken naar de grenzen van wat nog net wel en net niet kan. Wij passen ons het liefst zo ver mogelijk aan en verschillen het liefst zo weinig mogelijk van onze tijdgenoten. Mede gezien de relatief hoge 'kersteningsgraad' van onze tijdgenoten (hoe laag die naar Bijbelse maatstaven uiteindelijk ook is) is het gevolg hiervan dat de 'gemiddelde' christen in onze tijd een minder opvallende verschijning is. En voor zover de christen en zijn gemeenschap werkelijk 'anders' zijn, slagen zij er maar niet in een helder en aantrekkelijk beeld achter te laten.
Levenshouding
Nu mag natuurlijk niemand ervoor pleiten om anders te willen zijn om het 'anders zijn' als zodanig. Het anders zijn in de eerste christelijke gemeenschap bestond niet in de eerste plaats in een ander kleur kledingstuk maar in een andere levenshouding tegenover de naaste. En het contrast tussen de heidense en de christelijke levenshouding was zo groot dat velen tot bekering kwamen.
De tweede belangrijke factor die we bij Stark ontdekten, is de eigenschap van de eerste christelijke gemeenschappen om een 'open netwerk' in de omgeving te vormen. Nu wordt er binnen de gereformeerde gezindte al jaar en dag de discussie gevoerd over de vraag of de gereformeerde gezindte meer openheid zou moeten gaan betonen naar de buitenwereld. Sommigen zien de gereformeerde zuil als veilig bastion waarbinnen de geloofsopvattingen het nog wel een aantal generaties uit zullen houden. Anderen willen bruggen naar de wereld bouwen. Voor de eerste christengemeenten was deze vraag blijkbaar niet aan de orde. De vensters maar zeker ook de deuren stonden open naar de wereld toe. Velen kwamen door die deuren naar binnen, er zullen er vast en zeker ook door naar buiten zijn gegaan (Demas?). Maar open bleven ze.
Ik kan het toch niet laten even de lijnen door te trekken naar mijn dissertatie. Daar zagen we dat veel christenen na de Tweede Wereldoorlog hoog opgaven van die open vensters en deuren. De kerk had een taak in de wereld. De christelijke gemeente als 'open netwerk' werd breed gepropageerd. Dat was goed, is nooit door de orthodoxere stromingen (zoals de Gereformeerde Bond) ter discussie gesteld. Wat niet goed was, en het boek van Stark bevestigt dat, was dat het 'geheel anders' zijn ontbrak. Velen probeerden zo dicht mogelijk tegen de moderne mens aan te kruipen, uit angst dat anders de moderne mens zich (nog verder) van de kerk zou vervreemden. De kerken hebben nagelaten het 'geheel anders' in de moderne samenleving een inhoud, een ziel te geven.
Het is duidelijk dat de christelijke gemeenschap, die een open netwerk vormt naar de omgeving toe zonder 'geheel anders' te zijn, weinig toevoegt aan de wereld. Het is zelfs zo dat het aangepaste christendom het gevaar loopt steeds verder aangepast te raken wanneer er al te nauwe banden worden onderhouden met niet-gelovigen.
Juist in de combinatie van die twee: het vormen van een open netwerk in de omgeving én het 'geheel anders', moet de vitaliteit van de christenen in onze huidige tijd gevonden worden. Het komt er dan wel op aan om ons leven te stellen tot 'een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande (Romeinen 12 : 1). Dat is voor ons moeilijker dan voor de eerste christenen omdat de 'meerwaarde' in de huidige (horizontaal) gekerstende wereld minder duidelijk is aan te tonen maar het is óók gemakkelijker. Wij hoeven het offer van ons leven niet te brengen maar 'slechts' onze uren en onze tijd in gebed en werken op te dragen aan Hem die ons Leven gaf. Wat maakt dat toch zo moeilijk?
Een aantal kritische noten
Tot slot mogen enige kritische kanttekeningen bij het werk van Stark niet ontbreken. Wie wil worden bevestigd in zijn vooroordelen over de godsdienstsociologie kan uitstekend terecht in dit boek. Stark confronteert de lezer voortdurend met redeneringen die meer op een bericht in de Telegraaf doen denken dan aan een afgewogen weergave van wetenschappelijk onderzoek. Stark heeft zich blijkbaar ten doel gesteld het wonder van het ontstaan van het christendom, maar vooral van de snelle verspreiding ervan gedurende de eerste eeuwen, volledig weg te verklaren in cijfers en onderbouwingen van proposities. Laat ik dat toelichten. De geloofwaardigheid van Starks betoog zou minder zijn geweest indien in de eerste eeuwen massabekeringen waren voorgekomen. Stark probeert in het eerste hoofdstuk dan ook aan te tonen dat massabekeringen zoals die verwoord zijn in Handelingen, niet hebben plaatsgevonden. Het is merkwaardig hoe hij deze stelling onderbouwt. Hij werkt vanuit 'beproefde' proposities die afgeleid zijn uit de 'moderne ervaring'. Met andere woorden, het instrumentarium waarmee hij de groei van het christendom wetenschappelijk wil aantonen is op voorhand al juist en dat instrumentarium zegt dat massale bekeringen niet voorkomen. In dat instrumentarium zijn drie elementen van groot belang. Allereerst de beginwaarden (hoeveel christenen waren er in de eerste decennia van onze jaartelling). Het tweede element wordt gevormd door de groeisnelheden (hoe snel is de christelijke gemeenschap gegroeid). Op basis van de groeisnelheid van de mormonen (40% per decennium), die volgens Stark de sterkste groeisnelheid hebben vertoond, kan het dan niet zo zijn dat het christendom in de eerste eeuwen sneller groeide. Groeisnelheden die niet stroken met Starks betoog worden 'volstrekt onmogelijk' genoemd. Wanneer deze twee radertjes van Starks instrumentarium in werking worden gesteld blijken de cijfers precies te kloppen met datgene wat Stark nodig heeft voor de rest van zijn betoog. Want ook de eindwaarden moeten voor de geloofwaardigheid van Starks betoog niet te hoog zijn. Om dat te bereiken neemt hij dusdanige beginwaarden aan en een zodanige groeisnelheid dat zijn eindwaarde precies uitkomt.
Vervelend is ook dat wetenschappers die de stellingname van Stark onderbouwen 'hoogstaand' worden genoemd maar onderzoeksresultaten van wetenschappers die Starks stellingname onder druk zetten worden ineens 'merkwaardig' genoemd. De oppervlakkige lezers worden zo op een dwaalspoor gebracht.
Dat is jammer. Een lezer uit orthodoxe kring krijgt zo bij lezing van het eerste hoofdstuk al de neiging het boek aan de kant te gooien. En dat terwijl de inhoud van dit boek ons wel degelijk iets te zeggen heeft.
J. E. Post, Katwijk aan Zee
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's