Uit de pers
Verzet en dood
We leven in dagen van gedenken: 4 en 5 mei. Dit jaar gebeurt dat in de wrange context van de oorlog op de Balkan. De twintigste eeuw werd in de Volkskrant van 24 april 'De eeuw van het oorlogstrauma' genoemd. Rabbijn Soetendorp werd geciteerd die onlangs voor RKK-TV zei: 'Wij die destijds verzwegen werden, kunnen nu niet zwijgen'. De journalist Ben Haveman laat een aantal mensen die ooit zelf een oorlog hebben meegemaakt, reageren op de vraag: wat doet Kosovo u? Ik citeer er twee van de zes:
Ronny Pauw-de Jong (1933), Apeldoorn, oorlogswees:
'Ik krijg een klont in mijn maag als ik naar Kosovo kijk. Dan word ik weer aan mijn eigen oorlog herinnerd. Dat ik op een tante en een nichtje na alleen ben overgebleven. Mijn vader was na de oorlog vermist. Het heeft me vijfentwintig jaar gekost om te accepteren dat hij dood was. Mijn moeder is in Auschwitz omgekomen.
Ik was op acht adressen ondergedoken, onder meer bij de familie van een gereformeerde dominee in Limburg. Na de oorlog voelde ik me in de steek gelaten. De was lastig, vervelend. Mijn inmiddels overleden man is mijn redding geweest. Hij was jeugdleider, hij kon met moeilijke mensen omgaan. Hij was niet joods. Door hem heb ik weer familie gekregen.
Door het werk van mijn schoonzusje kom ik regelmatig in aanraking met vluchtelingen. Ergens opnieuw beginnen, dat is afschuwelijk. Kosovo gaat ten koste van mijn nachtrust. Nu ik erover praat, krijg ik weer een klont in mijn maag.'
Julie van Kempen (78), woordvoerster Stichting Nederlandse Slachtoffers van Japanse Vrouwenkampen:
'Als ik al die ellende nu zie, dan buig ik mijn hoofd naar beneden. Maar ik blijf wel luisteren. De heb zelf in drie kampen gezeten. Adek in Batavia was het ergst. Als je op appèl in de hitte mensen na uren zag flauwvallen, mocht je die niet helpen. Dan werd je in elkaar geramd. Gingen ze op je staan trappelen. De Kempetai-politie dwong ons dan toe te kijken. Dat was het beroerdste.
Maar je leerde zó te kijken, dat je niet echt zag wat er gebeurde. Je keek er overheen. Je keek weg. Ik heb veel doden weggebracht, tot ik zelf dysenterie kreeg; in een volgepropte barak. We dachten: hoe beroerder het wordt, hoe sneller het is afgelopen. Mijn moeder had me al opgegeven. Ik gilde 's nachts. Maar ik was geestelijk sterk. Amerikaanse vliegtuigen dropten kisten met voedsel. Er viel een kist op onze ziekenboeg, waardoor er doden vielen.
Het is raar om te zeggen: maar als er geen atoombom op Hiroshima was gegooid, had ik het niet gehaald. Daarom denk ik nu: de NAVO moet blijven bombarderen. Ik ben nooit meer honderd procent geworden. Mijn verloofde heeft de oorlog niet overleefd. Ons herdenkingsmonument in Apeldoorn is door vandalen vernield. Dan is het net of ze een stukje van ons kapot maken. Niemand heeft iets van de oorlog geleerd.'
Met die laatste regel lijk je wel te moeten instemmen. We herdenken de doden en gedenken de bevrijding. Maar waar komen we misschien binnenkort in terecht? Het beest in de mens schijnt niet te kunnen sterven. Wat hebben we van de oorlog geleerd?
Protest en moed
In Ecclesia/Kerkblaadje is dr. H. Klink bezig met een aantal artikelen over de Deense predikant Kaj Munk (1898-1944) onder de titel: Getuigen van Christus in Nazi-tijd. Kaj Munk riep tijdens een dienst in de Domkerk van Kopenhagen op 5 december 1943 op tot verzet tegen de Duitsers, zodra ze hun handen zouden slaan aan de joden. Nieuwjaarsdag 1944 weigerde hij te preken omdat er gemeenteleden waren die vrijwillig meewerkten aan Duitse kustverdedigingswerken. Op 4 januari werd hij opgehaald en onderweg met drie pistoolschoten afgemaakt. Dr. Klink schrijft (90e jrg. Nr. 8 – 9 april) dat Munk in zijn kerk stuitte op naar binnen gerichte vrome stichtelijkheid, zonder enige relevantie voor het leven van elke dag en voor wat er zich op het wereldtoneel aan het afspelen was. Munk voelde zich geroepen, aldus dr. Klink, om zich tegen deze geest van levenloze orthodoxie te verzetten. Als dan de Deense regering zich zomaar overgeeft aan de Duitsers, raakt Kaj Munk vervult van afschuw.
'Bij verschillende gelegenheden analyseert hij de geestelijke toestand waarin zijn volk kennelijk geraakt is. Zowel de regering als de kerk, de eenvoudige burger als de boer, ambtenaren als predikanten verwijt Munk gebrek aan moed. Alom stelde men zich in op een gemakkelijk ('christen')leven. Dat de eer en de toekomst van een land, dat de verdediging van het christelijk geloof een offer konden vergen, gold als een boodschap, uit een andere, onbekende wereld. Een verslapt christendom, waarin de levende betrokkenheid op de levende Christus afwezig was, werkte in de hand dat men alom als de tien meisjes uit de gelijkenis in slaap gevallen was.
Heel schrijnend werd Munk dit gewaar in Oslo waar hij op de zondag na de 9e april ter kerke ging. De lutherse bisschop die voorging, repte met geen woord over de annexatie van Denemarken en de toestand in Europa. De preek ging over een oeroud luthers thema: de rechtvaardiging door het geloof. Zeer ironisch merkte Munk later op: 'Ook in Noorwegen viel de 9e april 1940 op een dinsdag. De zondag daarop hoorde ik een preek in Oslo van een oude Noorse dominee. Ik dacht: wat zal die man nu zeggen? En ik luisterde met ademloze spanning, maar kreeg toen te vernemen, dat Jezus Christus, de zoendood was gestorven voor uw en mijn zonden, en dat 's mensen enige heil daarin bestond, dat hij geloofde. Dat is inderdaad zo, en het is ongetwijfeld juist. Maar was ik zo verstokt, dat ik het gevoel had dat ik daar toen iemand alleen maar hoorde leuteren? De mensen lopen met hun duizend vragen langs de muren van de kerk. Waarom gaan zij niet naar binnen? Om tal van oorzaken. En laat niemand mij wijsmaken dat een van de belangrijkste oorzaken niet deze is: dat wij predikanten daarbinnen wat staan te leuteren'. Ds. Munk verwijst vervolgens naar de lieden van Indre Mission en zegt: 'daar leefde de waarheid tenminste. Wat voor nut heeft de waarheid, die door kappers stukgefriseerd wordt? (…) Waar het de predikanten aan ontbreekt is niet psychologie of literatuur. Dat is de heilige razernij, ontsproten aan de kennis van God en de mensen.'
Het bijna smalende in deze opmerking kwam voort uit het feit dat er voor het gevoel van Munk zich in de kerk een enorm en fataal misverstand voordeed. De oorlogssituatie bracht dit schrijnend aan het licht. Het misverstand waar Munk met zijn verwijzing naar de preek over het thema van de Reformatie op doelt, betrof de vraag wat de kèrn van de Reformatie was.'
Kaj Munk beschouwde het als zijn taak, aldus dr. Klink, om de mensen van zijn dagen wakker te schudden en de ogen te openen voor het gevaar van het nationaal-socialisme. Al was het alleen maar om besef van recht bij te brengen. Recht bijvoorbeeld voor de joden.
Zwerven en dolen
In Vrede over Israël, een uitgave van Deputaten van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland voor de Evangelieverkondiging onder Israël (43e jrg. Nr. 2 – april 1999) staat een fraai artikel te lezen van de hand van Bart Wallet over Joods leven aan de Merwede (enkele aspecten van het joodse leven in Sliedrecht, Hardinxveld en Giessendam). Wallet informeert over de komst van joden in genoemde Alblasserwaardse dijkdorpen en over het feit dat ze een eigen synagoge kregen èn gebruikten:
'Samen met de joden uit Sliedrecht gingen de Giessendamse en Hardinxveldse Israëlieten, zoals ze toen werden genoemd, synagogediensten houden. Dan wordt er een gedeelte uit de Tora gelezen, een stuk uit de profeten en er wordt gebeden. Eerst waren de diensten bij een van de leden thuis, later in een oude wolspinnerij, maar vanaf 1845 in een echte, eigen synagoge. De kleine gemeente, het waren nu zo'n 50 mensen, was nu al behoorlijk ingeburgerd, en de leden waren echte Sliedrechters, Giessendammers en Hardinxvelders geworden. Ze spraken net zo Alblasserwaards als hun buurman, hoewel er soms wel wat joodse woorden doorgegooid werden. Maar het was niet altijd pais en vree in de gemeente. De Hardinxveldse joden hoorden eerst eigenlijk bij de joodse gemeente van Gorcum, maar om daar naar de synagoge te gaan moest men een heel eind lopen, en dat was heel wat meer dan op sjabbat mocht. Vaak gingen de Hardinxvelders dan gewoon in Sliedrecht naar de synagoge. Maar de Gorcummers wilden graag dat de mensen uit Hardinxveld bij hun gemeente behoorden, want dan betaalden ze ook hun contributie aan Gorcum. Omdat ze zo met de Sliedrechtse synagoge verbonden waren, werd echter ook aan die gemeente contributie betaald door de Hardinxveldse joden. Toen kwamen echter de moeilijkheden. In 1838 verhuisde een gezin uit Giessendam een paar huizen verderop, zodat ze in Hardinxveld kwamen te wonen. Dit gezin stookte de andere vier Hardinxveldse joodse gezinnen op om niet langer contributie te betalen aan Sliedrecht. De kerkmeester Hijman de Vries, die in Giessendam woonde, kwam hiertegen in het geweer en wilde dat nu voor eens en altijd de Hardinxvelders officieel bij de joodse gemeente Sliedrecht gingen horen. In zijn eigen woorden: 'Zulks Alleen is in staat, om de Goede Zaak te kunnen handhaven, de Kerk, een Pronkstuk, een voorbeeld van de stigtelijke Godsdienst, die er in uitgeoeffend word, in stand te houden'. Uiteraard werden de Gorcummers hier erg boos over, maar uiteindelijk hielp het allemaal niets en mochten de Hardinxveldse joden officeel bij de Sliedrechtse synagoge horen.
Vlag tegen Giessendam aan staat op de Sliedrechtse Rivierdijk de synagoge, die in 1845 werd gebouwd. Hij werd daar neergezet, omdat zo ook de joden uit Giessendam en Hardinxveld naar de synagoge konden zonder de Tora te overtreden, die lange voetreizen op sjabbat verbiedt. De synagoge bestond, zoals ieder dijkhuis, uit een boven- en een benedenhuis. In het bovenhuis was de synagoge en het onderhuis was bedoeld als woning voor de rebbe. Aan de achterkant van het gebouwtje was een klein mikwe gebouwd, een ritueel bad. Het is nu een echte joodse gemeente geworden, de weinige voorzieningen die dit stukje Alblasserwaard zelf niet had werden samen met Dordrecht gedaan. Zo werden de Hardinxveldse en Giessendamse jongetjes in het verbond opgenomen door een moheel (besnijder) uit Dordrecht. Een eigen begraafplaats had de gemeente evenmin, vandaar dat de doden te Dordrecht werden begraven.'
Ook voor deze gemeenschap kwam er het bekende wrede einde toen het nazi-regime ook hier zijn grauwe tentakels uitsloeg naar 'de beminden der vaderen':
'Onvermijdelijk in iedere beschrijving van een joodse gemeente is het tragische einde: de moord op de joodse inwoners, die jarenlang meeleefden met het wel en wee van de plaatselijke bevolking. De Duitse bezetter maakte een einde aan het joodse leven en aan het leven van de joden. Een vluchtpoging van de familie Kleinkramer werd verijdeld, daarop volgde arrestatie en deportatie. De rol van burgemeester Popping in deze was niet erg verheffend. Het gezin kwam om in Auschwitz en Seibersdorf. In de zaak van Siem den Hartog kwam een NSB'er als Verwalter. Zowel het gezin van Siem als dat van Hartog kwam om in Auschwitz. Alleen Siems dochter Ro wist door onder te duiken de oorlog door te komen en, na tot 1962 de ouderlijke zaak voortgezet te hebben, ging zij naar Israël, waar zij vorig jaar is overleden. Niet alleen de Sliedrechtse, maar ook de Hardinxveldse joden ondergingen het gruwelijke lot, slager Barend Meiboom werd als laatste eind 1942 weggevoerd. Geen van de Sliedrechtse joden keerde terug uit de nazikampen. Joods leven was niet meer mogelijk, de sjoel werd verkocht en de kille werd definitief opgeheven. Zo kwam er een einde aan een kleine kille in de Alblasserwaard, die heel wat problemen heeft doorstaan, maar te gronde ging door zelf tot Probleem verklaard te worden. Sinds kort is de synagoge weer volop in de belangstelling. Het was de bedoeling dat deze door de dijkverzwaring het veld zou moeten ruimen. De stichting De Dijksynagoge heeft echter ervoor gezorgd dat het gebouw bewaard is gebleven. Omdat de dijkverzwaring gewoon door moet gaan, wordt het eerst afgebroken en zal het daarna weer opgebouwd worden. Daarna zal het een herdenkingscentrum worden, met een expositieruimte, zodat we nooit zullen vergeten dat van dat oude volk Israël ook mensen in Hardinxveld, Giessendam en Sliedrecht hebben gewoond, totdat de duistere wolken van het naziregime voor altijd een einde maakte aan het leven van die kleine joodse gemeenschap.'
Herdenken blijft nodig. Wie mocht gedacht hebben: moet dat niet een keer ophouden, zal dezer dagen wel tot andere gedachten gebracht zijn. De beelden van de oorlog, zo dichtbij en met opnieuw zoveel gruwelen laten ons zien hoe nodig het blijft de vrijheid te bewaken.
Het zien van zoveel lijdende en zwaar getraumatiseerde kinderen onder de vluchtelingen deed me denken aan het beroemd geworden gedicht Kinderkruistocht van Martinus Nijhoff (1894-1953). Daar besluiten we dit keer onze rubriek weer mee:
Kinderkruistocht
Zij hadden een stem in den nacht vernomen,
Die scheurde het web van hun kinderdromen.
Daar gingen ze, wenende, één voor één,
Verloren in nacht, verlaten, alleen;
Zwervende, zonder gids, zonder doel,
Verbijsterden in het geweldig gewoel.
In de armen hield een der kinderen op
Een dierbaar stuk speelgoed, een oude pop.
De mensen haastten aan hen voorbij,
De wraak heeft geen tijd voor medelij.
Verjoegen hen, lachend om den Jood,
Die zo luid lamenteert en misbaart in nood.
Want niemand dien nacht heeft het woord verstaan:
'Zo wat gij hun doet, dàt hebt gij Mij gedaan.'
Zij zijn bij de grens op een hoop gaan staan,
En drongen zich dicht tegen elkander aan.
Geen ster scheen omlaag in den donkeren nacht,
Geen maan doorlichtte de droeve wacht.
Soms sliep er een in en riep met een stem
Verstikt door zijn tranen: 'Jeruzalem'…
Zo stonden zij daar toen de dag begon
En stonden er nog in de avondzon.
Stil stonden zij daar als een kudde klein vee
Verjaagd uit de kooien, gelaten, gedwee…
Want wie Jood is en Jahwe belijdt
Moet zwerven op aarde in eeuwigheid.
Elk kind draagt dit leed in zijn wezen mee
– 'Domine infantium libera me –'
Het hart Van de mensen is koud en boos,
– 'Pater infantium liberet nos –'
Zo slaaf van de wereld en goddeloos,
– 'Domine infantium liberet nos –'
Dat zij de zonde zich zelfs niet schamen,
– 'Libera nos a mala. Amen.' –
J. Maasland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's