Geen muur te hoog
'Met mijn God spring ik over een muur.'Psalm 18 : 30
Op het graf van John Wesley, de Engelse opwekkingsprediker, die begraven ligt in Westminster Abbey in Londen, staat: 'Het beste van alles is God met ons'.
Dat is inderdaad het beste van alles en tegelijk het wonder van alle wonderen. God, de grote, hoge, heilige God met ons. Met mij, nietig, onheilig, zondig mensenkind. Hij mijn God. Dat is het nooit klein te krijgen wonder van Zijn onzegbare genade in Zijn Zoon Jezus Christus.
De apostel Johannes zingt ervan in diepe verwondering: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening van onze zonden.
Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (Joh. 4). God met ons. In Christus. Om Hem. Door Hem. In Hem is ons heil. Al ons heil. Heel ons heil. In Hem alléén en in niets van onszelf.
Er is uit mijzelf geen goed voor God in der eeuwigheid. Dat leren we met de apostel Paulus op de school van Gods Woord en Geest. Meer en meer, dieper en dieper. Zo gaan we binnen in het wonder: God met ons. In de geloofsgemeenschap met Christus als de ons van God geschonken Redder en Zaligmaker. En ervaren we het ook: het beste van alles is God met ons. Zo heeft ook David het in zijn veelbewogen leven ondervonden. In Psalm 18 dankt en prijst hij de Heere, zijn God, uitbundig voor Zijn wonderbare redding uit de macht van zijn vijanden, die hem in het nauw van de dood dreven. Hij zegt: 'Als mij bange was (angst mij aangreep) riep ik de HEERE aan, en riep tot mijn God' (vs. 7). Toen hoorde God. Hij is mijn liefde waardig. Gered uit de hand van koning Saul vertrouwt David verder voor de toekomst op de Heere, zijn God. Hij zegt: Want Gij doet mijn lamp lichten, want met U loop ik door een bende en met mijn God spring ik over een muur (vs. 30).
Er zijn wat een muren, waar we in ons leven voor komen te staan, die voor ons kunnen oprijzen. Zo hoog, dat je er niet overheen kunt kijken, laat staan er overheen kunt springen. Ik noem er een aantal. De muur van ziekte, misschien wel een ongeneeslijke ziekte. De muur van een verbijsterend leed, dat ons treft. De muur van onrecht en vijandschap van de kant van mensen. De muur van gebroken idealen. De muur van een vastgelopen leven. De muur van ons zondig en schuldig bestaan voor God, van Zijn verdiend oordeel over ons leven. Dat is de ergste muur, als God die voor ons stelt in het ontdekkend licht van Zijn Woord en Geest.
Ik noem verder: de muur van een verborgen zonde. De muur van geloofsaanvechting. De muur van de dood. Dat zijn er al negen. Er zijn er nog wel meer te noemen. Hoe kom je er overheen? David zegt: met mijn God spring ik – let wel, niet: klim of klauter ik met grote moeite – maar spring ik over een muur. Dat wil zeggen: door Zijn genade, in Zijn kracht, in de machtige troost van Zijn Woord en Zijn beloften, die Hij door Zijn Geest binnendraagt in mijn hart, wordt en is het schijnbaar onmogelijke mogelijk.
Zonder God ben ik als 't erop aankomt nergens en blijf ik nergens. Maar met God, met Zijn genade, Zijn hulp en heil, in Zijn kracht, die Hij geeft naar kruis, komen we overal doorheen. Hij is toch de Hulp van hulpelozen, de Kracht van krachtelozen, de Trooster van troostelozen, de Hoop van wanhopigen. Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot. Groter dan de Helper is de nood toch niet en nooit. God is altijd groter dan nood. 'Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen' (vs. 31). Hoe wonderlijk goed weet Hij het te maken. Boven bidden en denken en ons angstig vrezen. O zeker, David kon ook niet altijd zingen wat hij in de tekst van de meditatie zingt. Hij stond ook niet altijd op de top van de berg van het geloof. Dezelfde David, die in Psalm 18 zegt: met mijn GOd spring ik over een muur, zei ook eens: nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen (1 Sam. 27) en in een andere psalm zegt David: Ik zeide wel in mijn haasten: ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoorde Gij de stem van mijn smekingen, als ik tot U riep (Psalm 31). Kijk, dan is het ongeloof aan het woord, waarmee we ons leven lang hebben te strijden en te worstelen. Als het geloof er is, dan wordt en is het waar: met mijn God spring ik over een muur. Er was een vrouw, die heel haar leven werd voortgedreven door de angst voor de dood en het gericht van God. Ze werd door God vastgehouden, maar ze zat – om 't zo te zeggen – meestal onder water. O, die dood, die hoge, angstaanjagende muur. Maar toen het zover was, toen tilde God haar zomaar op en voordat zij het wist was zij er overheen. En zij wist nog goed ook waar ze naartoe ging.
Staat u voor de muur van uw zondig en schuldig bestaaii voor God? Hoe komt u daar overheen? Niet met de ladder van de betering van uw leven, in wat voor vrome bochten u zich ook wringt. Gods Woord zegt ons kort en goed, dat al onze gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn voor God.
Hoe dan? Alleen door het geloof in Christus, Die op Golgotha aan het recht van God, dat ons stelt voor de ondergang van ons leven, heeft voldaan en de muur van zonde en schuld voor Zijn volk van alle eeuwen tot de grond toe heeft afgebroken. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon reinigt van alle zonde.
Met mijn God spring ik over een muur. Over alle muren. Met mijn God, zegt David. Hij mag God persoonlijk kennen als zijn genadige God in de hemel. Die Zijn kind redt in alle nood. Wat is dat rijk, onzegbaar rijk, God in Christus persoonlijk te mogen kennen als onze God, mijn God.
Wat kunnen we daar een moeite en strijd mee hebben om het in toe-eigenend geloof te zeggen: mijn God.
U zegt: dat durf ik niet, zover ben ik nog niet. Hoor wat de Heere Jezus na zijn opstanding zegt tegen Thomas en vul dan uw eigen naam maar in: 'wees niet ongelovig, maar gelovig'. Leg u maar biddend in Gods handen: 'Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp'. Denk toch niet klein, maar groot van Gods genade.
Een kat in 't nauw doet vreemde sprongen. Een kind van God in 't nauw doet soms ook rare en vreemde sprongen. Dat heeft David in zijn leven ook gedaan. Maar als het zijn/haar God voor ogen heeft, dan mag hij/zij zeggen: Met mijn God spring ik over een muur. Ja, dat is het beste van alles: God met ons. En het slechtste van alles, hoe geslaagd en verguld ons leven ook mag zijn, is: God niet met ons en wij niet met God. Ja, God tegen ons, omdat wij tegen God zijn, met de rug naar Hem toe leven. God tegen mij, ten slotte eeuwig tegen mij in Zijn verdiende toorn. Dat is het allerergste. Maar Hij wil voor ons, met ons zijn. Voor eeuwig. Hoor, Hij roept: 'Wend u naar Mij toe, word behouden'.
Met mijn God spring ik over een muur. Dan is geen muur te hoog.
'Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht. Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht.'
C. Vos, Amersfoort
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's