Namen noemen (4)
(H)EVA
De eerste vrouw in de Bijbel krijgt twee keer een naam. De eerste keer dat haar man Adam haar noemt is het een uitroep van verwondering. Hij die alles wat leeft naam mag geven in opdracht van God de HEERE vindt tot zijn verrassing zijn wederhelft. Het is alsof Hij in de spiegel kijkt, als hij uitroept: 'Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is'. (Gen. 2 : 23) Zij wordt herkend als zijn onmisbare wederhelft, met wie hij samen echt volledig 'mens' mag zijn voor Gods aangezicht. Zij is zijn 'hulpe als tegenover hem'.
Toch is deze naam nog niet haar echte persoonsnaam. Die ontvangt ze pas op een heel ander moment. Het is een heel aangrijpend moment, want de zonde heeft via de vrouw en Adam zijn intrede gedaan in Gods goede schepping, met alle verschrikkelijke gevolgen vandien. En juist dan, als God beide mensenkinderen, voor Hem op de vlucht, in Zijn genade ter verantwoording heeft geroepen, als Hij ze getroost heeft met Zijn beloften, maar ook verschrikt met de bekendmaking van de consequenties van hun rampzalige ongehoorzaamheid, juist op dat moment geeft Adam zijn vrouw de naam (H)eva. Deze naam betekent 'Levende'. Adam geeft zijn vrouw die naam 'omdat zij een moeder aller levenden is' (Gen. 3 : 20). Dat zij nu deze naam krijgt mag gezien worden als een belijdenis van geloof. Op het moment dat Adam en Eva zich realiseren dat ze het loon van de zonde, de dood, over zich gehaald hebben, mag er toch nog sprake zijn van leven. Eva zal straks moeder worden. Omdat de HEERE Zijn moederbelofte geeft, in verwachting van de vervulling van die belofte, de komst van het 'vrouwenzaad' (Gen. 3 : 15), mag zij Eva heten. Al zal zij met smart kinderen baren, en zal zij met Adam daarna nog meer smart aan haar kinderen ervaren, toch blijft zij (H)Eva heten. De 'H' waarmee haar naam in het Oude Testament begint, en die ze in het Nieuwe Testament niet heeft, waar ze gewoon 'Eva' heet, heeft te maken met het verschil tussen Hebreeuws en Grieks.
Overigens vinden we de naam van Adams vrouw slechts vier keer vermeld in de Bijbel, twee keer in het Oude en twee keer in het Nieuwe Testament. Paulus noemt haar naam in 2 Kor. 11 : 3, in de waarschuwing aan de gemeente, om niet te zwichten voor de verleiding van de Boze. Hij vergelijkt de gemeente, die hij als reine maagd wil voorstellen aan Christus, met Eva: 'Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is'. Hieruit kan overigens geenszins de conclusie worden getrokken dat Paulus Eva meer dan Adam verantwoordelijk stelt voor de zondeval. Het gaat alleen om het waarschuwende voorbeeld van de situatie van verleiding als zodanig. De tweede keer noemt Paulus Eva in 1 Tim. 2:13, waar hij herinnert aan de van God gegeven levensorde van man en vrouw, waarin Eva na Adam gemaakt is en naast Adam haar onmisbare plaats heeft. Alleen op die eigen positie, die God haar heeft gegeven, kan de vrouw tot zegen zijn, zoals Eva dat mocht wezen, de moeder der levenden.
M. A. van den Berg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's