De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Graafwerk inzake het ambt (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Graafwerk inzake het ambt (2)

8 minuten leestijd

Het grootste deel van het boek van Graafland over het ambt is gewijd aan een reis door de kerkgeschiedenis met bijzondere aandacht voor de Reformatie en de na-reformatorische periode, alsook voor de twintigste eeuwse bezinning binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij ordent daarbij zijn gegevens duidelijk vanuit een bepaalde optiek en opzet. Hij rijgt de kralen aaneen langs een bepaalde rode draad. Die draad is het vruchtbare spanningsveld tussen schriftuurlijke beziiming en actuele toepassing. Steeds komt de necessitas temporum, de noodzakelijkheid der tijden oftewel de uitdaging waarvoor de context stelt, naar voren. Er is Graafland veel aan gelegen aan te tonen dat ook en juist Calvijn hiervoor alle aandacht heeft gehad. Calvijn had een scherp oog voor de noodzaak van structuren en vormen die in een bepaalde tijd het goede functioneren van de christelijke gemeente dienen. In een nieuwe historische context achtte Calvijn het invoeren van eigentijdse regelingen legitiem. Vandaar dat hij een tamelijk mild oordeel kon vellen over allerlei ontwikkelingen in de vroege kerk, bijvoorbeeld die rond het bisschopsambt, ook al zag hij zeer wel in dat deze ontwikkelingen niet op de Heilige Schrift terug te voeren zijn.
Het is boeiend de positie van Calvijn vanuit deze optiek te tekenen. Wel moet worden gewaakt voor een zekere vertekening. We zouden namelijk ook gegevens kunnen ordenen vanuit het gezichtspunt van de Schriftgetrouwheid van Calvijn, waardoor meer de nadruk komt te liggen op zijn bijbels kritische beoordeling van allerlei vormen en structuren.

Calvijn over het ambt
Zelf heeft Calvijn in zijn ambtsleer een uitgesproken voorkeur voor het tekstwoord uit Efeze 4 : 11 'En Dezelfde (Christus) heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten en sommigen tot profeten, en sommigen tot herders en leraars.' Met name de herder en leraar (door Calvijn met elkaar vereenzelvigd) wordt op de voorgrond geplaatst. Op de achtergrond van die keuze ligt de centrale plaats die de Reformatie gaf aan de prediking van het Woord. De dienst van het evangelie vormt het centrum van de reformatorische ambtsopvatting. Toch ligt er in deze keuze iets subjectiefs. Graafland wijst erop dat de kerkhervormer wel erg vrijmoedig met de gegevens uit Romeinen 12 en 1 Korinthe 12 om ging. Daar vinden we namelijk een veel grotere verscheidenheid aan functies (ambten of bedieningen) binnen de charismatisch rijk begaafde gemeente (dat wil zeggen de gemeente die door de Heilige Geest met velerlei genadegaven of charismata is bedeeld en toegerust). Maar Calvijn kan dan met een zeker gemak dergelijke aanwijzingen voor tijdgebonden verklaren. Vroeger had men profeten, werd er in tongen gesproken, vond er genezing op het gebed plaats. Nu blijkbaar niet meer. Dat kan zijn doordat de Geest deze gaven nu niet meer nodig acht of doordat de kerk een periode van geestelijke armoede doormaakt. Maar ook wanneer Calvijn die laatste overweging in zijn beschouwingen betrekt, wordt er niets merkbaar van een verlangen naar een herleving van deze charismatische rijkdom. De kerkhervormer berust erin dat hij de verscheidenheid die hij in de nieuwtestamentische brieven tegenkomt zo niet meer aantreft en gaat dan over tot de orde van de dag, dat wil zeggen zijn eigen context in Genève en de behoeften van die eigen omgeving.
Uiteraard geef ik in het bovenstaande een veel te korte en daarom te weinig genuanceerde indruk van een bepaald aspect van de visie van Calvijn op het ambt. Graafland gebruikt zelf veel meer woorden om de nodige nuances aan te brengen. Maar zijn these is dan toch dat in de wijze waarop Calvijn in deze met de bijbelse gegevens omging een grote vrijheid ten opzichte daarvan blijkt.

Visie op de gemeente
Opmerkelijk is dat Calvijn aan de gemeente een ambivalente plaats heeft toegekend. Dat wil zeggen dat hij op tweeërlei wijze over haar kan spreken. Enerzijds hooggestemd als de gemeente van Christus, de moeder der gelovigen en de bruidskerk. In de prediking spreekt hij de gemeente aan als gelovigen die door God tot Zijn dienst geroepen zijn. Aan de andere kant kan hij ook over de gemeente spreken als een wispelturige menigte aan wie belangrijke beslissingen zoals het verkiezen van ambtsdragers nauwelijks overgelaten kunnen worden (85). Hierbij speelt de historische situatie weer een grote rol. Wie burger was van de stadstaat Genève, was daarmee haast vanzelfsprekend ook lid van de christelijke gemeente. Zo was er sprake van een typische 'volkskerk' waarin velen geen levende band met Christus kenden. Vanuit deze realistische benadering ging de opvolger van Calvijn, Theodorus Beza, steeds meer de nadruk leggen op de leidende positie van de kerkenraad en in het bijzonder van de predikanten. Daartegenover stond dan weer het protest van mensen als Jean Morély en Petrus Ramus die zich kantten tegen de toenemende overheersing van de ambtsdragers in de kerk en terugriepen naar een bijbelse gemeentevisie, waarin veel meer haar geestelijke mondigheid werd beklemtoond. Beza wees deze bezwaren met kracht van de hand. Boeiend is het dan om te lezen dat in de vluchtelingengemeente in Londen onder leiding van Johannes à Lasco veel meer ruimte werd gegeven aan de inbreng van de gemeente. Daar werden de ambtsdragers uitsluitend door de gemeente gekozen, terwijl de gelovigen ook via de zogenoemde 'Prophecyings' (samenkomsten waarin zij vragen konden stellen naar aanleiding van de verkondiging) actief bij de prediking betrokken werden. Dit verschil in praktijk tussen Genève en Londen kan niet los gezien worden van het feit dat de Londense gemeente geen volkskerk was, maar voor het overgrote deel bestond uit mensen die bewust voor de reformatorische leer hadden gekozen. In het algemeen kan worden gesteld dat het oordeel over de gemeente in de gereformeerde traditie bepalend is geweest voor de wijze waarop zij al dan niet betrokken werd bij de ambtelijke regering van de gemeente.
Een nauwkeurige bestudering van de onder ons gebruikte formulieren voor de bevestiging van ambtsdragers laat zien dat nu eens de lijn à Lasco, dan weer de lijn Beza de overhand heeft. Nogal ingrijpend is de door Graafland getrokken conclusie dat de Nederlandse geloofsbelijdenis zich voor haar belijden aangaande het ambt op een smalle bijbelse basis heeft gefundeerd. 'Het bijbelse spreken over het ambt als dienst bevat meer en andere componenten dan die in het regeerkarakter van het ambt liggen opgesloten (122)'. Jacobus Koelman, aan wiens kritische beschouwing over de ambtsdragers in zijn tijd in dit boek ruime aandacht wordt besteed, heeft ten principale dezelfde lijnen getrokken als de belijdenis: ook bij hem staat 1 Timotheüs 5 : 17 centraal. 'Dat de ouderlingen die wél regeren dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer'. Het 'regeren' werd aristocratisch opgevat, de ambtsdrager stond op een hoger niveau dan de gemeente die duidelijke leiding behoefde. Te weinig werd in dat 'regeren' het dienende aspect beluisterd. Christelijk en geestelijk regeren is ruimte scheppen voor de gemeente en haar zo stimuleren tot ontplooiing van haar gaven en deze ontplooiing coördineren.

Twintigste eeuw
Zeer interessant zijn de breed samenvattende passages die Graafland wijdt aan hen die in de twintigste eeuw de ambtsopvatting binnen de Nederlandse Hervormde Kerk beslissend hebben bepaald: met name Noordmans, Van Ruler en Berkhof. Bij de eerstgenoemden constateert hij een duidelijk gebrek aan bezinning op de bijbelse gegevens. Er vindt weinig exegese plaats, de beslissingen worden veeleer genomen vanuit de eigen theologische beschouwingen en dogmatische posities. Berkhof gaat breder op de nieuwtestamentische gegevens in (het Oude Testament laat hij terzijde), maar acht de variatie in de gegevens zo groot dat daarop naar zijn inzicht geen ambtsleer te bouwen is. Zijn ambtsleer wordt dan ook bepaald door de eigentijdse context. Mede door de schriftkritische uitgangspunten van Berkhof kon de sociologie een overheersende positie gaan innemen in de concrete uitwerking van zijn ambtsleer. Nog sterker is dit het geval bij G. D. J. Dingemans. Deze stelt de mondigheid van de gemeente centraal. In het gemeenteberaad neemt de gemeente zelf, als mondige geloofsbroods- en liefdesgemeenschap, de organisatie ter hand. Zij maakt zelf de dienst uit, waarbij door haar in het leven geroepen functies haar ten dienste staan. Hier spreekt Graafland kritisch van een zodanig positieve waardering van de moderne, mondige mens dat de afhankelijkheid en de passiviteit die toch ook in het geestelijk leven een plaats hebben, bij Dingemans uit het gezichtsveld verdwijnen.
Leerzaam en handzaam is de weergave van de hervormd-gereformeerde inbreng inzake de leer van het ambt zoals die met name bij monde van W. Balke, K. Exalto, H. Goedhart en H. Jonker heeft plaatsgevonden. Bij deze auteurs komt echter een inhoudelijke bezinning op de schriftgegevens niet of te weinig uit de verf. Die diepgaande inhoudelijke bezinning is wel te vinden in het studierapport van C. den Boer, Man en vrouw in bijbels perspectief. Hierover is Graafland dan ook zeer positief. De waardevolle studie van Den Boer CS. betekende een belangrijke stap vooruit in de bezinning over het ambt in hervormd-gereformeerde kring (253). Graafland wil er in zijn eigen voorlopige gedachten en overwegingen dan ook nauw bij aansluiten. Naar mijn mening blijft hij niet bij de positie van dit boek uit 1985 staan, maar gaat hij, in alle voorlopigheid en bescheidenheid, toch een aantal stappen verder. Daarover een volgende keer wat meer.

J. Hoek, Veenendaal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Graafwerk inzake het ambt (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's