De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Graafwerk inzake het ambt (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Graafwerk inzake het ambt (3)

10 minuten leestijd

In dit derde en laatste artikel over het jongste boek van dr. C. Graafland wil ik proberen enkele conclusies van de auteur weer te geven zoals hij deze min of meer tussen de regels door trekt aan het slot van dat boek. Dat is wel een hachelijke zaak gezien de kritische opmerking die de auteur zelf over samenvattingen maakt- ze leiden vaak tot 'onvruchtbare reductie' (331). Toch waag ik het erop en wel in een elftal punten:

1. Er is ten dienste van broodnodige vernieuwing van de gemeente nieuwe bezinning nodig op de afstand, de ongelijkheid die er kennelijk is tussen het bijbelse beeld van de gemeente enerzijds en de eigentijdse werkelijkheid van de gemeente anderzijds.
2. Opmerkelijk is de hoge positie die aan de nieuwtestamentische gemeente wordt toegekend. Het 'drievoudig ambt' van Christus van Priester, Profeet en Koning (zoals bekend is deze gedachte van het drievoudig ambt door Calvijn ontwikkeld om zo de oudtestamentische gegevens samen te bundelen) wordt in het Nieuwe Testament niet op directe wijze doorvertaald naar de kerkelijke ambten. Neen, de lijn loopt vanuit Christus rechtstreeks naar de gemeente. De gemeente deelt in het profetische ambt van Christus doordat zij in de voortdurende prediking van het evangelie haar taak als moeder die haar kinderen baart en voedt volbrengt. Christus zelf regeert als Koning de kerk door Woord en Geest, maar de gemeente heet ook 'een koninklijk priesterdom' (1 Petrus 2 : 9). De gemeente is immers de voorlopige gestalte van het Rijk van God in deze wereld. Na Jezus zijn er geen priesters en koningen als ambtsdragers te vinden in de christelijke gemeente. Wel is er sprake van 'profeten', mensen met bijzonder inzicht in de eigentijdse toepassing van de Schrift, maar dezen nemen hun plaats in binnen de profetische gemeente. De gave van de profetie is een verbijzondering van de gave die aan de gemeente als zodanig geschonken is. De verzuchting van Mozes indertijd Och, of al het volk des HEEREN profeten waren (Numeri 11 : 29; de ondertitel van Graaflands boek) is sinds de uitstorting van de Geest van Pinksteren in de gemeente in vervulling gegaan.
3. De lijn vanuit het oudtestamentische begrip 'aboda', wat vertaald zou kunnen worden met ambt en betrekking heeft op de dienst van priesters en Levieten in het heiligdom, loopt ook weer door naar de gemeente. Hetzelfde geldt van het nieuwtestamentische begrip 'leitourgia', dienst. Het gaat om een leven van dienstverlening dat aan alle gelovigen is toebedeeld en opgedragen.
4. Wat is dan de plaats van 'het ambt'? De 12 apostelen en de bredere kring van 70 discipelen representeerden het gehele volk van Israël en heel de christelijke gemeente. De getallen 12 en 70 wijzen duidelijk op het volksvertegenwoordigend karakter. Hiermee is het fundamentele gegeven onderlijnd dat er een nauwe verbondenheid en diepe eenheid is tussen discipelschap, apostelschap en de gelovige gemeente. Het apostolische werk vloeide uit in een veelheid van werkers. Het velerlei werk in de gemeente is voortzetting van het werk van de apostelen en dus ten diepste Christus' eigen werk. Niet een bepaalde ambtelijke status is beslissend, maar de aard van het werk dat gedaan wordt, het functionele aspect dus.
5. Graafland stelt dat de positie van de ouderling in de Bijbel niet uitmunt in helderheid. De oudste of ouderling had kennelijk een bestuurlijke functie, hoewel we dan niet moeten denken aan een puur technisch leiding geven. 'Het besturen droeg een geestelijk karakter en diende het geestelijk welzijn van de gemeente' (297). 'De taak van de ouderling is hoofdzakelijk beperkt tot het regeren en besturen van de gemeente' (304). 'Hij moest de kudde weiden en bijeen houden en zo ervoor zorgen dat ze gevoed werd. Maar het voeden zelf van de kudde was toevertrouwd aan anderen, die bezig waren met het verkondigen van het evangelie, wellicht inclusief de bediening der sacramenten, met name van de doop. Dat werk wordt door vele anderen gedaan' (304). Ik maak uit deze opmerkingen van Graafland op dat we niet te gemakkelijk moeten denken dat de ouderling zoals wij hem kennen zomaar 'wegloopt' uit het Nieuwe Testament. Het bijbelse beeld ligt gecompliceerder. Anderzijds krijg ik toch het gevoel dat Graafland wat te krampachtig het geestelijke aspect van de oudste op de achtergrond dringt
6. 'In feite is er geen bijbelse grond voor aan te voeren om te menen dat de diakenen er geweest zijn om de armen in de gemeente te verzorgen' (303). Graafland suggereert dat eerder gedacht zou moeten worden aan assistenten van de ouderlingen bij hun bestuurlijke taak. Wat wij diaconaal werk noemen, was de taak van heel de gemeente, terwijl sommigen in het bijzonder de gave van het 'uitdelen in eenvoudigheid' hadden of die van 'het doen van barmhartigheid'.
7. Tekstgedeelten als Romeinen 12 en 1 Korinthe 12, waar een veelkleurig palet van gaven naar voren komt, zijn in de gereformeerde traditie onderbelicht gebleven.
Dat had voor de kerkhervormers contextuele redenen: de dopersen voelden zich sterk aangesproken door wat in die hoofdstukken gezegd wordt over de gaven en de sterke betrokkenheid van de gemeente daarbij. Zo kan er zelfs gesproken worden van enige aversie bij de hervormers tegenover een charismatisch gemeenteleven uit reactie tegen doperse eenzijdigheden. Maar hoe begrijpelijk dat ook is vanuit de historische omstandigheden, zo zijn er wel 'witte vlekken in het schriftverstaan' gekomen (306). We zijn daarom toe aan een nieuwe bijbelse bezinning. 'Er zijn hier bijbelse aspecten in het geding, waaraan we niet langer meer kunnen voorbijgaan.' (307). Onttrekken we ons daaraan, dan maken we een ernstige fout. Waar komt het op aan? Gewoon ons laten zeggen, dat de Geest zo rijk is aan werkingen en gaven, dat Hij de gemeente graag in die overvloed wil laten delen. Dan kunnen wij niet zeggen: bedankt, het hoeft voor ons niet. Dan zouden wij de Geest bedroeven, beledigen zelfs.' (315). Juist de kerken die vandaag de dag delen in de overvloed van gaven, groeien, terwijl onze kerken almaar achteruit gaan. 'Heeft dat ons niet iets te zeggen? Laten wij hier niet te gauw spreken over culturele verschillen of over het verschil tussen jonge en oude kerken. Zal het ook niet te maken hebben met meerdere en mindere bijbelse directheid en nabijheid?' (315). Dat zijn bij alle bescheidenheid toch heel indringende vragen en opmerkingen van de auteur!
8. In 1 Korinthe 12 is geen sprake van een opdeling tussen gaven, charismata, enerzijds en ambten anderzijds. Er is veeleer een 'organische verbondenheid tussen het spontane en het organisatorische in de charismatische taakvervulling'. Dat wil zeggen: er zijn charismata die opvallen door hun spontaan karakter en er zijn evenzeer charismata die op ordening zijn gericht. Ze behoren echter ten principale tot dezelfde categorie: de 'functioneergenade' (de term is van dr. M. te Velde) die de Geest in grote overvloed en verscheidenheid aan Zijn gemeente schenkt. De Geest wil nu eenmaal overvloed en Hij weet dat er veel nodig, want veel te doen is in de gemeente.
9. Ook in Efeze 4 is er geen tegenstelling tussen ambt en charisma. De daar genoemde selectie van 'ambten' is wel structuurbepalend voor het gemeentezijn door de eeuwen heen. Bepaalde gaven en diensten die wij gewoonlijk 'ambten' noemen, kunnen worden gezien als 'voegselen der toebrenging' ('de dienst van de geledingen'). Wat zoveel wil zeggen als: spieren en pezen ten dienste van het gehele lichaam, maar ook deel uitmakend van dat lichaam. Deze spieren of pezen zijn onzichtbaar binnen het lichaam aan het werk. Hierbij merkt Graafland op: 'dat geeft te denken als we het over de ambten hebben. Opvallen door op een aparte plaats te zitten in de gemeente of te staan als de gemeente blijft zitten, behoort kennelijk niet tot het wezen van hun taak. Ze doen veeleer onzichtbaar hun werk. In ieder geval behoren ze helemaal tot de gemeente' (328).
10 Er is een rijpingsproces nodig waarin de gemeenten in een nieuwe onbevangenheid ten aanzien van heel de Schrift en in openheid voor de eigen tijd zich bezint op de inrichting van het kerkelijk leven, de invulling van de eredienst enzovoorts. Daarbij moet niets geforceerd worden, maar dient ook gewaakt te worden voor verstarring en uniformering. Laat er een klimaat zijn dat ruimte biedt voor variërende mogelijkheden, verscheidenheid in vormgeving zoals ook het Nieuwe Testament zelf deze laat zien.
11. 'Niet de Schrift moet door de context worden vervoegd, maar de context moet worden ingevoegd in de Schrift' (334).

Waarderende en kritische terugblik
Het boek van Graafland heeft mij vele uren bezig gehouden en ik ben er nog lang niet mee klaar. Hetzelfde gevoel had ik indertijd ook bij het genoemde boek van Den Boer. Wat zo jammer is, is dat dergelijke boeken meestal al spoedig op de boekenplank terecht komen en dat er vervolgens niet meer mee gewerkt wordt in de gemeente. De grote verdienste van Graafland is dat hij de discussie over het ambt heeft willen heropenen en de discussie ongetwijfeld met dit boek een krachtige nieuwe impuls heeft gegeven. Ik hoop dat de vruchtbare inzet van het eerder genoemde boek Man en vrouw in bijbels perspectief hierdoor opnieuw voor het voetlicht komt De 'samenhang en samengang' van ambt en charisma die daar wordt gepropageerd, is nog te weinig in praktijk gebracht. De velerlei gaven van met name de vrouwelijke gemeenteleden worden nog veel te weinig ingezet. De vrees voor 'de vrouw in het ambt' werkt te zeer verlammend. Kerkenraden laten zich te veel leiden door vrees in plaats van openheid te bieden aan bijbels verantwoorde en zelfs geboden vernieuwing!
Ik vind het wel jammer dat Graafland, die zich terecht verzet tegen 'de democratisering van het ambt', bij Berkhof en Dingemans daartegenover toch te vaag blijft in zijn invulling van het afhankelijke en volgzame van de gemeente ten opzichte van het gezag van Christus en de leiding door de Heilige Geest. Deze leiding wordt mede uitgeoefend door middel van mensen die uit de gemeente opkomen, maar in een 'functioneel tegenover' worden geplaatst. Ik vind dat Den Boer op dit punt toch een bevredigender standpunt heeft ingenomen, juist ook in het licht van de Schriftgegevens. Hij schrijft op blz. 163 van het genoemde boek: ' De gemeente is door en in de apostolische leer gefundeerd en ontvangt in de apostel en in het apostolisch Woord een Goddelijk 'van boven' en 'tegenover', waarin zij gezaghebbend wordt bewaard en bewaakt. In dit verband kunnen wij spreken van een ambtelijke bemiddeling, ook al komt het woord ambt in het Nieuwe Testament niet direct op dezelfde manier voor als bij ons.' Er zijn charismata die als een soort hartbewaking van de gemeente functioneren – en die noemen wij in de traditie' de ambten'.
Verder is te betreuren dat Graafland na een lange aanloop een toch wat korte sprong heeft genomen. Hij zou toch wel een eigentijds gereformeerde ambtsleer in ontwerp hebben kunnen bieden? Ook zo'n ontwerp is toch niet als laatste woord bedoeld? Nu is zijn boek inderdaad een torso. Het is niet af, er wordt wel gezegd hoe het niet moet, maar als het gaat over de vraag 'hoe dan wel?', blijft het helaas bij aanduidingen.
Het is ook te betreuren dat Graafland zich niet wil uitspreken over de kwestie van 'de vrouw in het ambt'. In het blad Kontekstueel heeft hij dat eerder wel gedaan in zijn discussie met drs. W Dekker. Er had dan ook verwacht mogen worden dat hij het toen ingenomen standpunt nu dieper had gefundeerd. Gezien zijn voortdurend beklemtonen van het gezag van de Schrift had verwacht mogen worden dat Graafland de schriftkritische argumentaties die vele voorstanders van 'de vrouw in het ambt' naar voren plegen te brengen, kritisch had besproken, en daarnaast duidelijk had gemaakt hoe hij ruimte meent te zien voor vrouwelijke ambtsdragers zonder afbreuk te doen aan het Schriftgezag.
Zo blijft er ook na het lezen van een doorwrochte studie die zoveel goeds biedt, nog het één en ander te wensen over. Zou dr. Graafland het nu echt menen dat dit zijn laatste boek is geweest? Ik hoop dat hij zich toch nog weer uitgedaagd weet om te blijven publiceren waar de HEERE hem daartoe de kracht en de gelegenheid geeft.

J. Hoek, Veenendaal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Graafwerk inzake het ambt (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's