De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hervormd gereformeerd – ruimte en grenzen van de gereformeerde belijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hervormd gereformeerd – ruimte en grenzen van de gereformeerde belijdenis

Referaat jaarvergadering Gereformeerde Bond op woensdag 26 mei 1999

27 minuten leestijd

Het is een overbekend woord van Calvijn, dat hij bereid was zeeën over te steken om geloofsgenoten te kunnen ontmoeten. Calvijn schreef dit aan aartsbisschop Thomas Cranmer in Engeland, toen deze een concilie bijeen wilde roepen, als tegenvoeter van dat van Trente, met de bedoeling te komen tot 'een aan de Heilige Schrift genormeerde gemeenschappelijke belijdenis van alle evangelische christenen in Europa'. Aanhangers van de Reformatie heetten toen evangelischen. Met zo'n belijdenis zou ook voor latere geslachten 'een ondubbelzinnig getuigenis afgelegd worden van het evangelisch geloof tegenover de dwalingen van Rome'.
In een brief aan Cranmer (20 maart 1552) spreekt Calvijn er zijn droefheid over uit, dat ieder vaak tevreden is met eigen rust en zich niet bekommert om de zorgen van anderen, waarbij ze 'het heil der kerk en de gehele vroomheid verwaarlozen'. En dan zegt hij de bekende woorden: 'Zo geschiedt het, dat het lichaam der kerk, omdat de leden verscheurd zijn, verminkt terneder ligt. Wat mij betreft, indien het van enig nut zou kunnen zijn, zou zo nodig het oversteken zelfs van zeeën wegens deze taak mij niet verdrieten'. Ver van elkaar verwijderde kerken moeten zich, zegt hij, inspanning noch moeite sparen om tot een 'aan de Schrift genormeerde consensus' te geraken.


Ging het Calvijn daarbij alleen om degenen, met wie hij het op alle punten eens was? De 'nye leer' had in Europa in korte tijd breed om zich heen gegrepen. Maar van meet af waren er stromingen. De hoofdstromen waren de gereformeerde en de lutherse stroming, met daarnaast de doperse beweging. Calvijn heeft er evenwel geen onduidelijkheid over laten bestaan dat de kerk, die mede door zijn reformatorische arbeid in Europa tot stand kwam, een belijdende kerk zou zijn. Hij berispte streng de zwakheid van diegenen (de nicodemieten), die weliswaar uit de duisternis van het pausdom waren gebracht tot het gezonde geloof maar toch niets van hun oude belijdenis wilden wijzigen. Ze bleven zich met wat hij noemt 'de heiligschennis van de papisten' bezoedelen. Letterlijk schreef hij: 'Want wat is dat voor een geloof, dat diep in het hart begraven, niet tot de belijdenis van het geloof komt?' Dit schreef hij overigens in een brief aan Luther, met wie hij toch op een aantal zaken wezenlijk verschilde. In diezelfde brief schreef hij verder: 'Och, werd het mij gegeven, om naar u toe te vliegen(!), opdat ik tenminste enkele uren van het samenzijn met u zou mogen genieten! Want dan zou ik – en het zou veel beter zijn – liever met u persoonlijk niet alleen over deze kwestie, maar ook over andere aangelegenheden met u willen handelen. Maar wat ons hier op aarde met geschonken wordt, zal binnenkort, naar ik hoop, in het koninkrijk van God ons deel zijn'. Me dunkt, een treffend staaltje van reformatorische 'oecumene van het hart'. Althans van de kant van Calvijn. Deze brief heeft Luther intussen nooit bereikt. Melanchton moest hem daar bezorgen, want zegt Calvijn, 'Luther wordt zo gauw boos'. En Melanchton durfde de brief niet te brengen (zie C. Graafland e.a. Luther en het gereformeerd protestantisme).
De intentie van Calvijn was duidelijk. Hij sloeg de reformatorische accolade zo breed mogelijk.

Verder
Calvijn heeft met alle kracht, die in hem was, gepoogd een opsplitsing tussen lutheranen en gereformeerden te voorkomen. En toen in Duitsland de godsdienstoorlog ontbrandde tussen protestanten en rooms katholieken, sprak Calvijn op de kansel in Genève deze woorden: 'Ik spreek niet alleen over Genève, maar over alle steden en landen, waar het evangelie is verkondigd' . Hij riep op tot gebed voor de Lutheranen en tot eenheid met hen.
Uit wat hij zei blijkt intussen wel hoe verdeeld de kerk ook al was:
'Wij weten dat onze Heere de eenheid heeft gewild tussen zijn leden. Zijn wij van zijn kerk? Dan moet er een geestelijke band zijn met alle gelovigen. Zoals er maar één God is, één Zaligmaker, één ware leer, één geloof, één doop, zo moeten wij allen één lichaam zijn. Wij moeten derhalve een band met elkaar hebben. Als één lid lijdt, moeten wij allen medelijden. Nu echter zien wij, dat er niet sprake is van één lid. Heel de kerk is in verstrooiing. Hier een handjevol en daar een handjevol. Wij hebben allen éénzelfde evangelie. Wij zijn omringd van vijanden. Mogen wij ons van elkaar afscheiden? Mogen wij zeggen: zij zijn ver weg van ons? Nee! Zij behoren tot de kerk en wij zijn hun leden.'

Oecumene
Calvijn beoefende niet alleen 'de oecumene van het hart' maar was oecumenicus in de ware zin van het woord, oecumenicus met een belijdenis. Wittenberg was voor hem geen rivaal van Genève.
Prof. dr. J. van Genderen wijst er in zijn geschrift 'De reformatorische belijdenis in discussie' (Willem de Zwijger Stichting, 1971) op, dat bij Calvijn een geloofsbelijdenis van grote waarde is voor de kerkelijke eenheid. Ze is bedoeld om 'gemeenschap te stichten en grenzen te trekken'. In de voorrede van de Latijnse uitgave van de Catechismus van Geneve (1545) zegt hij, dat het wel zo zal blijven, dat iedere kerk haar eigen catechismus heeft. Maar, zo vervolgt hij dan: 'Als wij bij alle verscheidenheid dan maar tot de ene Christus worden geleid en gelijk spreken over wat de hoofdzaak van het geloof is'.

Calvijn had, zegt Van Genderen, er oog voor, dat de geopenbaarde waarheid op meer dan één manier onder woorden kon worden gebracht. Zo heeft Calvijn, zegt Van Genderen, zelfs de Augsburgse Confessie ondertekend, zij het dat hij die op een belangrijk punt meende te mogen opvatten zoals Melanchton haar interpreteerde. De Augsburgse Confessie, zegt Van Genderen, stelt de dwaalleer, die in de middeleeuwen werd vastgelegd, terzijde. 'De reformatorische leer en de leer van de oude kerk zijn direct met elkaar verbonden en vormen één geheel', concludeert Van Genderen (p. 32).


De Augsburgse Confessie echter liet wel meer dan één interpretatie toe. Daarom kwam er in 1577 een Formula Concordiae tot stand, waarin de meeste verschilpunten binnen de lutherse kerk grondig werden behandeld en de leer der kerk scherp werd geformuleerd. Toen werd echter een zodanige binding aan deze belijdenis uitgesproken, dat 'niet alleen van de zakelijke inhoud, maar ook van de zegswijzen geen duimbreed' mocht worden afgeweken. Zo ver is Dordt – zegt Van Genderen – nooit gegaan. Hier moet men van 'traditionalisme en confessionalisme' spreken, zegt hij. Calvijn zegt in zijn Institutie, in zijn verhandeling over de kerk, dat 'de hoofdstukken van de ware leer niet alle van één gestalte zijn'. Sommige leerstukken zijn zo noodzakelijk om te weten, dat ze bij allen 'ontwijfelbaar' vast moeten staan. Hij noemt dan de belijdenis dat er één God is, dat Christus God is en Gods Zoon, dat onze zaligheid is gelegen in Gods barmhartigheid. Er zijn echter ook andere punten, waarover tussen de kerken verschillen zijn, maar die toch de eenheid van het geloof niet verbreken. Hij noemt hier slechts één voorbeeld, een voorbeeld overigens, waarover ik me verwonderde, namelijk, dat men in de ene kerk meent dat de ziel, wanneer deze uit het lichaam verhuist, naar de hemel opvaart, terwijl men in een andere kerk niets met zekerheid durft te zeggen aangaande de plááts, terwijl men intussen toch voor zeker houdt, 'dat de zielen de Heere leven' (Inst. IV, I, 12). Er kunnen ook, zegt Calvijn, fouten in de kerk insluipen, die nochtans de gemeenschap niet mogen verbreken.

Voorbeeld
Het kan niet mijn bedoeling zijn hier uitputtend de visie van Calvijn en in zijn spoor van de gereformeerde Reformatie op de belijdenis weer te geven. Maar het thema van vandaag is wel 'Hervormd gereformeerd – ruimte en grenzen van de belijdenis'.
Allereerst stellen we vast, dat Calvijn ervoor heeft geijverd, dat de kerken der Reformatie gemeenschappelijk hun geloof in een belijdenis tot uitdrukking zouden brengen. Een belijdenis sticht gemeenschap en trekt grenzen. Maar dat verhinderde hem niet om, boven de letter en de zegswijzen van de belijdenis uit, te speuren naar wat gemeenschappelijk was in de kerk, ondanks verscheidenheid, ondanks verschillen ook in aanvaarde belijdenisgeschriften. Belijden was voor Calvijn echter wel geloof belijden en niet een leer geloven. Gelóófszekerheid in plaats van leerstelligheid. Belijden was uitdrukking van geloofsgemeenschap. De belijdenis is, zegt hij, 'een teken van heilige verbondenheid'. Het belijden van de ene waarheid leidt tot de ware eenheid (Van Genderen, p. 32).

Geloofsbelijdenis
Moest Calvijn in zijn dagen al spreken over verwarring en verdeeldheid, in de verdere loop van de geschiedenis is het er niet beter op geworden. Daarom is het de vraag of het niet te idealistisch is ons nog te beroepen op stemmen uit de tijd van de Reformatie, met name op die van Calvijn, voor onze kerkelijke situatie nu. Was de context niet anders, waren de mensen, de leiders met name niet vromer? Ik betwijfel dat. De kerkelijke eenheid was ten tijde van de Reformatie al een torso. Luther en Calvijn hebben om zo te zeggen elkaar niet kunnen vinden in kerkelijke eenheid. Die kerkelijke eenheid is in toenemende mate een torso geweest in de traditie van de Reformatie. De kwestie van de verdeeldheid raakt echter diep de kwestie van het belijden zelf. Een belijdenis vooronderstelt gemeenschap. Is er van gemeenschap geen sprake, dan komt de belijdenis zelve op spanning te staan.
Dr. L. Praamsma zegt, naar aanleiding van de eerste woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die luiden 'Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond', dat we de belijdenis vóór alles moeten kwalificeren als een belijdenis van gemeenschappelijk geloof. Hij noemt dat het dominerende aspect van de belijdenis. Letterlijk zegt hij: 'De confessie is geen wetenschappelijke definitie, geen notariële acte en geen wiskundige formule. Ze is het geloofsantwoord van de gemeente van Jezus Christus op het Woord van God' (Met de kerk van alle eeuwen, over confessionele trouw en ontrouw, Amsterdam, 1971, p. 60).


Dat is ook naar de Schriften. In Rom. 10 : 9, 10, schrijft Paulus: 'Want indien gij met uw mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden. Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid'. Het gaat ten diepste om de Christusbelijdenis, met het hart en met de mond.
Gemeenschappelijk geloof maakt gemeenschappelijk belijden aannemelijk. Verbroken gemeenschap ontkracht haar. Wanneer de geloofsgemeenschap verbroken wordt, dreigt de belijdenis nog slechts een akte te worden, waaruit niet meer gemeenschappelijk wordt geleefd. Dat is de ernst als we elkaar onder de verkondiging loslaten. Als hier theologen, zeg ook dominees, voorop gaan dragen ze schuld aan de verwonding van het Lichaam van Christus. Het beroep op de belijdenis wordt steriel of louter formeel, wanneer daarachter niet klopt de hartelijke belijdenis aangaande de Heere Jezus. Of de belijdenis wordt louter een twistpunt.


De vraag is zo of allen, die uit de verworvenheden van de gereformeerde Reformatie willen leven, nog een gemeenschap vormen. Maar die vraag valt ook door te vertalen naar de hervormd gereformeerde beweging. Dezer dagen schreef een Calvijn kenner onder ons, in de spanning van polariserende stromingen in de gemeente:
'In de afgelopen vijftig jaar een groot deel van mijn studietijd doorgebracht hebbend met de bestudering van het leven en werken van de reformatoren, met name van Calvijn, moet ik mij (evenzeer) teweer stellen tegen het verabsoluteren en conserveren van dé Waarheid (die verankerd is in Schrift en belijdenis) in bepaalde zogeheten "shibbolets". Zo wordt het Woord des Heeren, waarvan wij belijden dat het helder en duidelijk is, door onze woorden en termen verduisterd.'

Grenzen
Dit brengt me allereerst nog eens op de grenzen van het gereformeerde, en dus ook van de hervormde gereformeerde beweging. De geschriften van prof. dr. J. van Genderen en dr. L. Praamsma, die ik noemde, dateren beide uit 1971. Ze hadden-beiden als achtergrond een geschrift van prof. dr. C. Augustijn, hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, getiteld Kerk en belijdenis, een 'cahier voor de gemeente'. Daarin stelt Augustijn de vraag welke zin het opstellen van een geloofsbelijdenis heeft. 'Is dit niet: Gods Woord willen vervangen door mensenwoorden of op z'n minst daarmee aanvullen?', vraagt Augustijn. Hij merkt daarbij op, dat velen in zijn dagen in de belijdenisgeschriften dingen vinden, die voor hen onbelangrijk zijn en dingen missen, die voor hen nauw verbonden zijn met de kern van hun geloof in Jezus Christus. Praamsma vraagt dan: 'Welke dingen zijn dat? Gaat het dan om de leer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, ellende, verlossing en dankbaarheid, rechtvaardiging, heiliging en heerlijkmaking?' Want hier moeten dan toch die onbelangrijke dingen worden gevonden.
We kunnen deze vraag ook in eigen richting duiden. Wanneer zich vandaag verschillen voordoen in onze beweging, zijn die dan tot deze zaken te herleiden?


Kritiek op de belijdenis is vaak ongrijpbaar, omdat ze vaak niet wordt geconcretiseerd op één aspect, van de belijdenis, dat dan voor het forum van de Schrift (op)nieuw zou moeten worden doordacht. Kritiek wordt meestal bepaald door een min of meer geleidelijk weggroeien van het geloof, dat in de belijdenis is vervat, en raakt ten slotte de belijdenis integraal.
'Er zijn grotere vragen aan de orde', citeerde Praamsma de kritiek van Augustijn en noemt dan concreet: 'de eenheid van alle mensen, oorlog en vrede, mondiale verdeling van de welvaart, de grenzen van de wetenschap, enz. enz'. In dat licht bezien zijn de zaken, waarom het in de gereformeerde belijdenis gaat, niet meer relevant. De wereldvragen en de cultuurveranderingen worden dan toonaangevend. De belijdenis is dan geen uitdrukking meer van gemeenschappelijk geloof. Eerst wordt het bestreden bezit, dan vergeten bezit. Geen levend bezit meer. Dat is de aangrijpende belijdenis-geschiedenis geweest binnen de Gereformeerde Kerken. Dit staat op de achtergrond van de grote moeite, die we hebben met Samen op Weg. Geen kerk of kring, die zich gereformeerd weet te zijn of die gereformeerd heet te zijn, is echter te goed voor zulk een ontwikkeling. De cultuurdiscussie onder ons is ook niet zonder risico, al vraagt de kwestie van de overdracht van de Boodschap voor de generatie van nu, naar mijn mening, wel alle aandacht.

Vergeten
Er kan sprake zijn van een weggroeien van de belijdenis in de zin van ons gemeenschappelijk gelóóf. Er groeit dan langzaam maar zeker een ander geloofstype, onder invloed van eigentijdse stromingen of bewegingen. Daardoor worden uiteindelijk ook wezenlijke punten van de belijdenis geraakt. Vandaag zien we zo de invloed doorwerken van de zogeheten evangelische beweging, een verzamelnaam voor al wat zich als evangelisch aandient, hoewel zich daarbinnen ook veel diversiteit vertoont en er ook veel is wat vanwege trouw aan de Schriften verbindt. Er kan zo echter ook onder ons een geloofstype groeien, dat zich verwijdert van het gereformeerde als het gaat om rechtvaardiging en heiliging of over de verhouding van zonde en genade of over de troost van de verkiezing.
Ook de wijze, waarop we het gezag van de Heilige Schrift belijden, kan hier in het geding komen. Ook zo kan de belijdenis vergeten bezit worden, geen levend geloofsbezit meer zijn, temeer daar binnen de evangelische beweging een belijdenis grosso modo wordt afgewezen.


De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat dat gevaar er ook is van de kant van hedendaagse doperse geestesstromingen. De belijdenis wordt dan overwoekerd door een eigen leer of door het gevoelsmatige, waarbij de Geest voor eigen inzichten wordt geclaimd. Het viel mij dezer dagen opnieuw op hoe scherp Calvijn zich juist ook keerde tegen de anabaptisten van zijn dagen, een stroming die zich de jaren door in allerlei gestalten heeft vertoond: hetzij in horizontalistische setting, hetzij in mystieke vormen, van hypercalvinistisch tot maatschappij-kritisch. Ook zo kan een geloofstype groeien, dat niet meer door de belijdenis is doorademd.
De belijdenis is de grammatica van ons belijden. Wie de eigen taal goed spreekt, doet dat grammaticaal verantwoord, zonder het overigens steeds over de grammatica te hebben. Zo is het toch met de belijdenis? Het ABC van het geloof ligt er naar de Schriften in vertolkt. Ook daar spreek je niet dagelijks over. Maar de spraak maakt wel openbaar. Van tijd tot tijd moet de grammatica wel aan de orde komen, willen we echt gereformeerd blijven.
We mogen ons in deze gelukkig prijzen met het feit, dat dr. W Verboom – ik zou haast zeggen: als geen ander – intensief bezig is met het doorgeven en actualiseren van de inhoud van de belijdenisgeschriften. Na zijn boek over de Heidelbergse Catechismus volgt in het najaar een boek over de Nederlandse Geloofsbelijdenis. We moeten telkens in de leer. Daarbij hebben we goede leer-meesters nodig.

Ruimte
De gereformeerde belijdenis kent echter niet alleen grenzen maar ook ruimte. Ze is enerzijds meer dan 'een verklaring van gevoelen', ze is vooral gemeenschappelijk akkoord ('commun accord'). Prof. Van Genderen keerde zich echter anderzijds, zoals ik al eerder aangaf, tegen confessionalisme, dat de ruimte afsnoert. Hij zegt: 'Het confessionalisme wijzen wij af, want wij menen niet, dat met de belijdenis het laatste woord gezegd is en doen niet alsof de Heilige Schrift haar vormgeving gevonden heeft in de confessie. De Bijbel is oneindig veel rijker dan de belijdenis der kerk. De Bijbel is ook veel directer'.
Calvijn zegt in een voorwoord bij het verzameld werk van Melanchton in 1546, dat men in dit werk een korte samenvatting vindt van zaken, die een christen moet weten om zich geleid te weten op de weg van het heil, namelijk: hoe wij God kennen, hoe Hij gediend moet worden, wat men moet vasthouden aangaande Christus, waarom Hij van de Vader is gezonden, welke genade we door middel van Hem hebben, waar we onze hoop op het heil moeten funderen, hoe we God moeten aanroepen, wat het ware geloof is. Het viel mij op, dat hij in die reeks ook noemt 'hoe we ons tegenover elkaar moeten gedragen' . Niet alles kan of past in de gemeenschap van het geloof.


Zo bezien bestaat er, als het om de weg van het geloof gaat, zelfs overeenstemming in geloof met mensen of stromingen, die de gereformeerde belijdenis niet kennen als akkoord van gemeenschap maar met wie we nochtans het geloof in Christus gemeenschappelijk hebben. Ik denk aan baptisten, waarvan Spurgeon en John Bunyan door ons gewaardeerde vertegenwoordigers zijn. Ook Luther was gereformeerd, al was hij dan luthers, zei wijlen ds. L. Vroegindeweij.
Feit is echter, dat in het algemeen die gemeenschap in geloof eerder erkend wordt met mensen van andere tradities, die overleden zijn of nog geboren moeten worden, dan met levende vertegenwoordigers in het heden. Maar zo is er vandaag toch ook die geloofsgemeenschap?
In de wereldwijze zending ontmoeten gereformeerde en evangelikale theologen elkaar. Gereformeerden worden trouwens onder de evangelikalen gerekend. En onder het communisme waren Baptisten in Rusland onze eerste partners. Hier liggen dwarsverbindingen, die geloofsmatig dieper gaan, dan met menigeen, die in de gereformeerde traditie heet te staan maar niet meer gelooft en belijdt wat in de gereformeerde belijdenis voorhanden is.

Belijdend
Dat brengt me nog eenmaal op de Augsburgse Confessie. Ik doe dat mede, omdat hier onder ons, in verband met het feit dat deze belijdenis is opgenomen in de kerkorde voor de verenigde kerk, enig verschil van benadering en waardering bestaat. Ik noem hier publicaties van ds. P. de Vries en ds. C. J. P. van der Bas enerzijds en ds. L. H. Oosten en prof. dr. A. de Reuver anderzijds.
Calvijn heeft de Augsburgse Confessie ondertekend. Tot 1547 heeft hij zich er toe bereid verklaard dit te doen. Calvijn deed dit, terwijl er elementen in waren, waarin hij met deze confessie verschilde en ook elementen, die voor tweeërlei uitleg vatbaar waren. Hij speurde echter kennelijk naar geloofsovereenkomst en zo ook geloofsgemeenschap.
Hieruit mogen we dunkt mij leren, dat het gereformeerde belijden niet zo exclusief is, dat elke andere belijdenis daarbuiten valt. De kerkgeschiedenis heeft vele belijdenissen opgeleverd, die niet onder de Drie Formulieren zijn gerekend. Die dienen als kerkelijk aanvaarde belijdenissen dan nochtans wel op eigen merites te worden beoordeeld.


In noem de Westminster Confessie. Dat is een Engelse belijdenis van afgescheidenen. Op het punt van de kerk strookt deze belijdenis niet met de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat neemt niet weg, dat ten aanzien van wat nodig is om getroost te leven en zalig te sterven deze belijdenis wel strookt met de gereformeerde confessies. Zo ligt het ook met de Augsburgse Confessie. Er zijn zwaarwegende redenen geweest waarom deze belijdenis niet onder de formulieren van kerken van gereformeerde belijdenis is gerekend. Daarom zijn er vandaag even zwaar wegende argumenten om deze niet in de kerkorde op te nemen. Maar het gaat hier wel om een reformatorische belijdenis, die op vele punten ook strookt met de gereformeerde belijdenis. En het gaat hier wel over een belijdenis, niet over een konkordie, zoals die van Leuenberg, die de gereformeerde belijdenis op eerder herhaaldelijk door ons aangegeven punten fundamenteel weerspreekt en bovendien nooit als belijdenis is aanvaard.


Vandaag is het probleem, dat we bij de beoordeling van de Augustana kennelijk niet meer in staat zijn dit buiten de context om te doen.
Prof. Van Genderen kon in 1971 nog onbevangen over de Augsburgse Confessie schrijven en deze waarderen zoals ook Calvijn haar had gewaardeerd. Wij lezen vandaag echter met een door het SoW-proces beslagen kerkpolitieke bril. Maar gaan we zo ook niet als hervormde gereformeerden een stukje reformatorische onbevangenheid en interconfessionele ruimte missen? Is dat ook niet het heilloze van het Samen op Weg-proces?
In de tijd van de Reformatie, toen er de worsteling was om een belijdende ge-reformeerde kerk, was er ook het verlangen naar geloofsgemeenschap, dat in gemeenschappelijk belijden tot uitdrukking zou komen. De Gereformeerde Gezindte vandaag, en daar sluit ik onze hervormd gereformeerde beweging bij in, heeft van die breed katholieke allure weinig of niets meer. En de marges lijken nog telkens smaller te worden. Ieder voor zich heeft de ruimte van de gereformeerde belijdenis ingesnoerd of afgesnoerd. Aangrijpend is dat.

Het hart
Dit brengt me op het laatste. Samen belijden is niet, in ieder geval niet allereerst: samen van hetzelfde gevoelen zijn, maar één zijn in geloof. Zoals ook de belijdenis niet een overeenstemming in gevoelen maar een overeenstemming in geloof is. Dat verdraagt verschillen binnen de grènzen van de belijdenis en ook onderlinge acceptatie binnen de ruimte van die belijdenis.
Zoals gezegd was Calvijn fel gekant tegen de wederdopers van zijn dagen. Op de synode van Straatsburg in 1539, waar hij het woord voerde, overtuigde hij, schrijft hij in een brief aan Farel, de anabaptist Herman van Gerbihan inzake de kwestie van de doop en van de mensheid van Christus. Ten aanzien van de verkiezing als voorbeschikking bleef deze echter zijn bedenkingen houden. Maar Calvijn accepteerde hem wel in de gemeente en noemde hem 'een vroom man' (The Mennonite Encyclopedia, I, 1955).
Geloof als zodanig is beslissend. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. We geloven niet in een belijdenis maar we vinden ons geloof in de belijdenis beleden. En dat geloof heeft áán zich de weg, die de Heilige Geest met mensen belieft te gaan, in verscheidenheid, hoewel één in de Naam.


Is dat het ook niet wat hervormde gereformeerden aan het begin van deze eeuw heeft samengebonden, ook toen al in hun verscheidenheid, maar wel sámen, dwars tegen het modernisme van die dagen in? In een kerk, die in grote delen, in haar regering met name, de gereformeerde belijdenis prijs gaf, heeft men het geloof der vaderen vertolkt geweten in de belijdenis. De hervormd gereformeerde beweging, ook zoals die in de Gereformeerde Bond haar bedding vond, is van meet af aan gekenmerkt geweest door de beaming van de gereformeerde belijdenis als geestelijk herkenningspunt en als kerkelijk credo. Daar liggen de grenzen van onze beweging.
Desalniettemin is er van meet af aan ook sprake geweest van verschillen. Diezelfde verschillen waren ook zichtbaar in het geheel van de gereformeerde gezindheid. Groen van Prinsterer wilde met deze benaming een accolade slaan om al wat gereformeerd was, binnen de Hervormde Kerk en daarbuiten.
Daarom kwam hij op voor zowel ondubbelzinnige als onbekrompen handhaving van de belijdenis: begrensd en nochtans ruim. Is dat het ook niet wat ons nauw verbindt aan het Reveil in de vorige eeuw, ten spijt dat het Reveil ànders gereformeerd was dan de Gereformeerde Bond, die later ontstond?
Is het niet het drama van de telkens herhaalde scheidingen geweest, dat het ondubbelzinnige het onbekrompene zo vaak heeft overtroefd? Daarom hebben in de geschiedenis van de Gereformeerde Bond zich soms ook grote spanningen voorgedaan. De vraag is of het dan altijd wel echt om de belijdenis ging. Als we vandaag nieuwe groepsvorming zien optreden, vraag ik me wel eens in diepe zorg af of dat niet tot verder verval van de gereformeerde belijdenis zelve moet leiden.

Twee zaken
Ik duid nog eens kort aan waar de verschillen onder ons, die er ook al in het verleden waren – ik denk aan de dertiger jaren – zich op toespitsten.
Allereerst het zicht op de kerk. De artikelen 27 t/m 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zijn vanwege discussies om de ware en valse kerk in de zozeer verdeelde Gereformeerde Kerk in dit land altijd een torso geweest. De visie op deze artikelen ging in de gereformeerde traditie met name na 1834 verschillen vertonen. Er werden verschillende gevolgtrekkingen gemaakt als het ging om scheiden of blijven. En die verschillen hebben zich later nog sterker geprofileerd. Ook binnen de Gereformeerde Bond kwamen verschillen tot openbaring, zonder dat dit echter leidde tot verschillen in geloofsbelijdenis. Nochtans werden we er kerkelijk niet door uiteen geslagen. Door alle verschillen heen was er de hoop op God, die enerzijds over de geslagen breuken heen en anderzijds die in belijdend opzicht zo desolate positie van de Hervormde Kerk ten spijt, heen greep. Er was vurig verlangen naar herstel van de kerk en zo ook kerkelijk besef. 'Heere, hoe lang nog?' Is dat kerkelijk besef er nog?
Dan waren er de spanningen met betrekking tot de orde des heils en wat daaronder schuil ging met betrekking tot de verhouding van verbond en verkiezing, wet en evangelie (Kievit/Woelderink). Daarmee hingen samen verschillen over het voorwerpelijke en onderwerpelijke, over het geloofsmatige of meer bevindelijke in de prediking. Maar dat mocht niet verhinderen, dat er nochtans sprake was van breed gedragen gemeenschap, al hebben soms ook de vonken eraf gespat in discussies en polemieken. Maar de verschillen waren niet kerkscheidend of kanselscheidend.

Vandaag
Wie de geschiedenis kent verbaast zich niet over verschillen, die ook vandaag aan de dag treden: over de kerk, over de orde van het heil, ook over politieke of maatschappelijke keuzen. Zijn ze kerkscheidend? Zijn ze gezindte-scheidend? Wanneer het echt om de belijdenis gaat moet de onderste steen boven komen. De worsteling in de tijd van de Reformatie om deze zelfde vragen moge ons echter leren ook de gemeenschap in verscheidenheid te zoeken.
Dat geldt trouwens ook over de grenzen van kerken heen. Calvijn sprak in zijn tijd ervan, dat de gereformeerden van zijn dagen omgeven waren door vijanden. Moeten we niet zeggen, dat gezien de grote afval – de secularisatie als vijand nummer één – onbekrompen de eenheid in belijdenis zou moeten worden beleefd als eenheid in geloofsbelijdenis? Hier verbleken toch modaliteitsverschillen binnen gereformeerd Nederland? Hier verbleken toch ook 'modaliteitsverschillen' onder ons? Moeten en mogen we hier niet samen met allen, die de Heere Christus hebben lief gekregen, onze God aangrijpen en samen schuilen in Zijn Woord?


Daar komt bij, dat er sprake is en mag zijn van verscheidenheid in de wijze, waarop de boodschap wordt vertolkt. Als het al zo is, dat de inhoud van de belijdenis niet een kwestie is van woorden en zegswijzen, dan geldt dit toch zeker de overdracht in de prediking! Al haast ik mij erbij te zeggen, dat verlies van bepaalde woorden, verlies van inhoud kan betekenen. Maar vandaag onderkennen we toch wel, dat predikanten of werkers op het missionaire veld, geconfronteerd worden met verschillen in ontvankelijkheid van de hoorders voor bepáálde terminologie in de prediking of ook voor bepaalde vormen? Onderkennen we altijd wel voldoende bij elkaar de worsteling om in deze tijd van grote afval met de boodschap bij het hart van moderne mensen te komen? En vallen verschillen in benadering dan bij voorbaat buiten de ruimte van het belijden? Het gaat toch om de zaken van de woorden, niet om de woorden van de zaken?


Wanneer de zaken van de woorden in het geding zijn, wordt het anders. Ik herinner nog eens aan een artikel, dat prof. dr. G. C. van Nifrik jaren geleden schreef in het blad van de PCBO. Een rector van een middelbare school had hem gezegd, dat men vandaag jongeren niet meer aan boord kon komen met een verhaal over zingende engelen of een maagdelijke geboorte. De man ging er derhalve het zwijgen toe doen. Grenzen van het belijden kunnen niet alleen worden overschreden door zaken te ontkennen maar ook door ze te verzwijgen. Hoe integraal gereformeerd zijn we nog?

Gevoelen
Dit brengt me op het laatste. De belijdenis – zo zei ik eerder – is geen overeenstemming van gevoelen maar een overeenstemming in geloof. Dat is wat anders. Hoewel het woord gevoelen ook wel gebruikt wordt voor het aanhangen van bepaalde gedachten – men denke aan het 'algemeen gevoelen' – is het toch allereerst een 'gemoedsbeweging'. Belijden is echter meer dan gevoelen, omdat geloof meer is dan een opvatting. Hoewel slechts van de Schrift geldt, dat ze door de Heilige Geest is geïnspireerd, geldt toch van de belijdenis – naar wij geloven – dat ze bij het licht van de Schrift door de Geest is geïllumineerd. 'Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht', heette het op het apostelconvent (Hand. 15).


Nog één stap verder namelijk en we zijn van gevoelen bij gevoel. Gevoel is het trefwoord van onze tijd, waarin ervaring hoog in aanzien staat. 'Ik gevoel het zo.' Daarom kerken mensen ook daar waar men het óók zo voelt. Oecumene van het hart, zonder eenheid in belijden. Overeenstemming in gevoelen of gevoel overstemt de overeenstemming in geloof en belijden. Mij dunkt, dat de suprematie van het gevoel vandaag vaak de doodsteek is voor de beleving van de gemeenschap in geloof. Hier raken soms de uitersten elkaar. Ook zo kunnen we buiten de grenzen en zelfs buiten de ruimte van de belijdenis geraken.
Maar zou ook niet het omgekeerde gelden? Daar, waar de belijdenis met de mond beleden wordt maar de oecumene van het hart ofwel de hartelijke gemeenschap ontbreekt, is er toch sprake van een diep geestelijk manco?

Christus
Intussen spreekt ook de Schrift in heel specifieke zin wel over het gevoelen. 'Dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was. Die in de gestalte Gods zijnde het geen roof heeft geacht om Gode even gelijk te zijn' (Fil. 2 : 6). En die intussen de gestalte van een dienstknecht aannam. Daar ligt ten diepste onze gemeenschap. Alle woorden en artikelen van ons belijden zijn op Hem gericht of in Hem gevuld. Dat betekent toch ook, dat gereformeerd belijden meer is dan een tegen-beweging vormen. Het is een getuigenis vóór Christus en Zijn werk. Hij is gisteren en heden Dezelfde. Dat betekent in wisselende tijden Hem belijden. Hem ootmoedig volgen in Zijn dienstknechtsgestalte.


Daarom ten slotte. Wat blijft uiteindelijk over van onze uitvoerige belijdenissen? Ze zijn niet voor niets – uitgerekend in de Augsburgse Confessie – met hoofdletters samengevat in dat ene woordje SOLA. Ik spits het toe op Sola Gratia, genade alleen. Hoeveel theologen, polemisten, mensen die hun levenlang met de vragen van geloof en belijden waren bezig geweest, kerkleiders en kerkstrijders, moesten niet op het eind van hun leven, met name op hun sterfbed, tot de heilzame slotsom komen dat genade genoeg was? Dat gaat zo diep, dat wordt beleden dat er genade voor nodig is om genade te ontvangen. Wie van genade leert leven en uiteindelijk in genade het hoofd neerlegt, zal eigen kwaliteiten of inzichten niet hoger kunnen achten dan die van anderen, die van dezelfde genade leerden leven. Jammer dat we daar in de praktijk van het kerkelijk leven vaak zo weinig van uitstralen.
Genade, vanwege de verzoening die door Christus is aangebracht. Wanneer van het Woord al geldt wat Luther zei, namelijk dat het is was Christum treibet, hoe zal dat dan niet zeker gelden van de belijdenis. Een straf om te gaan, om ons bij het geloof in Gods genade in Christus te houden.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Hervormd gereformeerd – ruimte en grenzen van de gereformeerde belijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's