De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De morgen na de jaarvergadering…

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De morgen na de jaarvergadering…

Een impressie

9 minuten leestijd

Aan de bestuurstafel lezen we Handelingen 4 : 23-31.
De jonge gemeente, kort geleden vervuld met de Heilige Geest, gaat door een diepe crisis. Boos geweld is erop uit de gemeente van Christus te marginaliseren, zelfs uit te schakelen. Twee voorgangers. Petrus en Johannes, zijn gevangen genomen. Ze worden onder grote druk gezet om over Jezus Christus niet meer te spreken. Met die boodschap worden ze vervolgens weer losgelaten. Komen ze daarna in de kring van de gemeente en doen ze daar verslag, dan gaat de gemeente eendrachtig in gebed. Al hun nood en moeite brengen ze voor God. Oude psalmwoorden leven voor hen op. Nieuwe woorden worden gebruikt om God om vrijmoedigheid te bidden ondanks al het geweld en de dreiging. De eerste gemeente buigt zich in eendrachtig gebed neer voor God. Lijden en vervolging zijn werkelijkheid. En in deze crisistijd is er geen sprake van verbittering, er gaan geen verwijten over tafel, niemand wordt boos. Samen vluchten ze in grote nood en verlegenheid tot God: 'Onze ogen zijn op U'. Want in hun harten brandt het heilige vuur dat door de Geest van God is ontstoken. Wat is in crisistijd beter dan dit: buigen voor de Almachtige. Wat is meer concreet en praktisch dan God aanroepen om genade. De ernst van de situatie wordt niet alleen besproken en aan alle kanten afgewogen, maar wordt in hartstochtelijke bewoordingen aan God voorgelegd. Het gaat om Zijn zaak. Zijn koninkrijk. Zijn werk. De eerste gemeente bad om trouw aan God en aan Zijn Woord. Ze bad hartstochtelijk om vrijmoedigheid om getuigen te zijn en te blijven van het hart van de Schrift, het hart van al Gods werken: 'Uw heilig Kind Jezus'.

Spiegel
Dit gedeelte heeft mij niet meer losgelaten en ik deel het graag met u. Ik ben dit als een spiegel gaan verstaan voor ons, voor onze beweging. De jaarvergadering van vorige week liet opnieuw de spanningen zien die er onder ons zijn. In het huishoudelijk gedeelte kwam dat aan het licht, tijdens het middaggedeelte kwam het opnieuw naar voren. Ineens duikt het pprobmeem weer op dat we zo moeilijk met elkaar komen tot een goed en zuiver, tot een verantwoorde en waardige wijze van gesprek. Dat geeft verlamming, teleurstelling, gevoelens van verdriet en zorg. Het veroorzaakt verbittering tussen broeders die er overigens, helaas, in Handelingen ook al was. We moeten ons de vraag stellen: Hoe komen we op een goede, eerlijke en verantwoorde wijze met elkaar in gesprek over die dingen waar het onder ons wezenlijk om gaat? Laat ik er een paar andere vragen bij stellen: Hoe gaan we om met de spanningen onder ons? En hoe met de crisis van de polarisatie waar we doorheen gaan? Hoe leren we naar elkaar te luisteren zonder elkaar op voorhand te veroordelen? Juist onder ons, die het gaat om verbreiding en verdediging van de waarheid, zou de geest van ootmoed moeten heersen. Juist onder ons zouden we moeten weten van eigen gebrokenheid en schuld, van eigen tekort en zonde en schuld voor God. Dat doet niets af aan beslistheid en standvastigheid. Maar het geeft beslistheid en standvastigheid in bescheidenheid en ootmoed als grondtoon van het geestelijk en kerkelijk gesprek. Niet voor ons eigen gelijk maar voor Gods zaak mogen we staan, voor Zijn waarheid, Zijn genade, Zijn recht en Zijn heil. Die hoogte halen wij echter nooit als niet de Geest van God ons vervult. Anders zien we eigen gelijk aan voor Gods zaak en verdwijnen werk en woorden van God naar de achtergrond.
We keken vaak neer op de kerk in verval. We zeiden dat niet, maar wisten ons soms heimelijk wat verheven boven anderen in de kerk, bewust of onbewust, maar toch. Nu de kerk door een grote, een diepe crisis gaat, nu gaan wij er ook doorheen in onze beweging. Dat verzwijgen en verbloemen is vruchteloos. Dat breed uitmeten in de pers heeft net zo min zin, is vruchteloos. In deze crisistijd dreigen broeders uit elkaar gedreven te worden.
Geesten van wantrouwen en zelfvoldaanheid waren rond. We zien elkaar ontzettend moeilijk recht in de ogen. We leggen moeizaam de vinger bij de Schrift en vandaaruit bij de belijdenis om elkaar de diepste vragen in openheid te stellen en de antwoorden in openheid te geven. Daarvoor zullen we wegen moeten vinden, mogelijkheden moeten scheppen in de toekomst, daartoe zullen we onder verloochening van onszelf bereid moeten zijn. Ondertussen gaat het boos geweld door om de kerk, de gemeenten, onze beweging steeds verder en dieper uit elkaar te drijven, de verwarring en vervaging neemt toe. Waar het pinkstervuur ontbreekt, laait het koude vuur hoog op. Is het dan slechts kommer en kwel? Nee, er zijn de goede momenten van verstaan, er waren ook tijdens de jaarvergadering vonken van de Heilige Geest. Maar, de Geest is teer en wordt gemakkelijk bedroefd. Hier zullen we samen zorg aan moeten besteden.

Gods weg
Zou God ons ook niet door deze crises laten gaan. Neemt Hij ons niet onze zelfverzekerdheden en onze hoogmoed af? Brengt Hij ons niet in de diepte? Verbergt Hij Zijn ogen. Zijn stralende aanwezigheid soms voor ons. Ons ontbreken: werkelijke ootmoed, de verslagenheid van de gemeente uit Handelingen 4, het gelovig vertrouwen waardoor we de dingen in Gods handen leggen, dit vurig doorgloeid worden van de Geest, en doortrokken worden van de kracht van de waarheid van God.
Nog een keer: Zou de Heilige ons niet in deze crises en diepten laten komen opdat wij ons verootmoedigen voor Hem, eerlijk, oprecht, diep? De jonge gemeente uit Handelingen boog zich voor God neer. Zij riep tot haar God in eendracht en in vol­ harding. Daarin is ze ons een spiegel, een voorbeeld. Ze wist zich totaal op haar God aangewezen en vertolkte eendrachtig haar nood. Voorgaan, leiding geven betekent ook voorop gaan in het zoeken van deze weg naar God, de Allerhoogste. Het is de onderste weg gaan. Ter bemoediging voor de jaarvergadering schreef een collega mij: 'Ik wens je veel sterkte, het valt niet mee om voorop te lopen'.
Leiding geven als bestuur betekent ook deze weg gaan. Buigen voor God, Hem zoeken en aanroepen. En laten we het samen doen. De onderste weg gaan. Het is de Weg van Hem Die ons is voorgegaan.
Dat betekent niet dat we aspecten van de waarheid van de Heere opgeven, loslaten, verzwijgen. Het betekent niet dat we er naar elkaar het zwijgen toedoen, dat het gesprek, het kritisch gesprek, onder ons stopt. Integendeel! Maar, waar we beginnen of voortgaan met elkaar af te schrijven, of 'indien gij elkaar bijt en vereet' (Gal. 5 : 15) of 'zijn zoekers van ijdele eer, elkaar tergend, elkaar benijdend' gaan we een weg van vleselijke hoogmoed, die uitloopt op een dal van dorre doodsbeenderen. Daar verstomt het gebed van Daniël, of misschien klonk het daar nooit: 'Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, die het verbond en de weldadigheid houdt dien die Hem liefhebben en Zijn geboden houden. Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddeloos gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten'.
Is er hoop voor de Gereformeerde Bond, voor haar plek in de kerk? Nee, tenzij deze woorden voor ons oprechte werkelijkheid zijn. Uiteindelijk gaat het ons niet om de Bond, maar om de kerk, Gods Kerk. Haar hebben we lief, naar haar genezing verlangen wij en hunkeren wij.
In de gereformeerde leer zit een diepe schoonheid. En die schoonheid zit er vooral daarin waar we met elkaar in gehoorzaamheid buigen, leren buigen voor de Schrift. Die zit in het echt verlegen zijn om de Heilige Geest. Die zit in het staan in de traditie van de Kerk der eeuwen. Die zit in het leven uit de waarheid Gods, het ruisen van de overmacht van de wind van de Heilige Geest, waardoor we met alle vezels van ons bestaan aan God en Zijn Woord zijn verbonden. En dat we de belijdenis van de Kerk in ons hart meedragen en haar vurig verdedigen als ze wordt bekritiseerd. Daar ligt onze missie. In de kracht van Woord en Geest staan voor de schatten uit de Schrift in de gereformeerde traditie ons overgeleverd. Het is onze roeping deze schatten te bewaren en door te geven, ook vandaag: de kern van het heil, het gebinte van de leer, onbekrompen en ondubbelzinning.
We zoeken een weg om die schatten te verbreiden, omdat ze het waard zijn. Daar ging het ook op de jaarvergadering over. De belijdenis kent ruimte en grenzen. Van beide zullen we ons dieper bewust moeten worden in ons kerkelijk leven van nu. In de lezing die een voortgaand en diepgaand gesprek vraagt, die daar meerdere aanknopingspunten voor biedt, komen deze aspecten ter sprake.

Is er hoop voor onze eigen beweging, voor de betekenis van onze beweging voor de kerk? Ik geloof het wel! Wanneer we in een levend geloof met de eerste christen-gemeente God wezenlijk en werkelijk nodig krijgen.
Dieper: ik geloof in God, de Almachtige. Hij is een God van wonderen! Daarom is er hoop voor Zijn werk, voor Zijn kerk ook nu. Het is onder ons altijd een diep verlangen geweest te staan voor de belijdenis en te leven met in onze hart de religie van de belijdenis. De omgang met God, de vreze des Heeren. Dat stempelde, juist in verscheidenheid en ondanks verschillend inzicht, de ontmoetingen op de vergaderingen. De zorg voor de kerk in haar geheel, het zicht op Gods verbond, verdedigen van en verbreiden van Gods waarheid, dat was en is de missie waartoe we ons geroepen weten.

Perspectief
De gemeente uit Handelingen 4 gaat door de crisis. In haar crisis bidt en smeekt ze tot haar God. En zodra ze gebeden hebben wordt de plaats bewogen. Dat is Gods antwoord: 'Ik ken uw crisis, Ik hoor uw gebed. De sta voor u. Mijn gemeente, in'. En bovendien worden ze allen vervuld met de Heilige Geest. Onze diepten en crises zijn meer dan eens de plaats waar God begon en voortging. God baande door de woeste baren en brede stromen ons een pad. Onze verlegenheid en verslagenheid zou iets in zich mogen hebben van een nieuwe lente om met de eerste gemeente het Woord van God vrijmoedig te spreken, en één van hart en één van ziel te zijn in deze laatste dagen.

G. D. Kamphuis, Amstelveen-Buitenveldert

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De morgen na de jaarvergadering…

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1999

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's