II. De taak van de ouders in deze leeftijdsfase
Ouders en grote kinderen (2)
1. Inleiding
Het is niet gemakkelijk om de juiste houding als ouders te vinden om kinderen in deze leeftijdsfase op te voeden. In elk geval is er een groot verschil met de tijd toen ze nog klein waren. Opvoeden in deze periode is zoiets als een evenwichtsoefening tussen twee gevaren: vastbinden en vrijlaten, sturen en stuurloos laten, krampachtig zijn en ongeïnteresseerd zijn. Vooral als je er alleen voor staat als vader of moeder kom je vaak wijsheid te kort. Hier is een biddende houding nodig: indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van Mij begere. Die een ieder mild geeft, en niet verwijt en zij zal hem gegeven worden. (Jac. 1 : 5)
Bekend is het gezegde: 'kleine kinderen kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen'. Toch is dit maar de helft van het verhaal. We moeten oppassen niet in een negatieve pedagogiek terecht te komen. Deze leeftijdsfase biedt ook verrassende mogelijkheden om als ouders je kinderen te helpen om volwassen te worden. Trouw is dan zo belangrijk. Ze moeten op je aankunnen, ook als ze falen.
2. Het uitgangspunt: de Doop
Ook al is het bijna twintig jaar geleden dat ouders met hun kinderen bij de doopvont stonden en hun jawoord gaven, toch blijft dit gebeuren van de Doop het fundament van de opvoeding. In de Doop beloofde de Heere de kinderen te zegenen met geloof en bekering, hun God en Vader te zijn om Christus wil. Dat blijft staan, ook al zie je er als ouders soms heel weinig van. Tegelijk blijft staan het antwoord van de ouders op de belofte van God, namelijk het jawoord om de kinderen op te voeden dicht bij de Heere en zijn Woord. Ouders zijn derhalve verantwoordelijk voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van hun kinderen. Een verantwoordelijkheid die gedragen wordt door liefde. Daarbij mag het niet gaan om mijn principes als ouder, maar om het echte welzijn van mijn kind. Laat er bij ouders een diepe bewogenheid zijn met het eeuwig welzijn van hun kinderen. Laten ze daarmee worstelen in het gebed aan de troon van Gods genade. In veel gevallen kunnen ouders gelukkig hierin hun weg vinden. In enkele gevallen hebben zij helaas geen mogelijkheid meer om hun land te bereiken. Dan kan er een tijd aanbreken dat zij met hun kind niet meer over God kunnen praten, maar wel met God over hun kind. Dan wordt de Doop voor ouders een hernieuwde pleitgrond.
Hoe kan zo'n opvoeding vanuit de Doop nu vorm en inhoud krijgen? In elk geval op een wijze die past bij deze leeftijd. In deze periode oefenen jongeren zich er in om op eigen benen te kunnen staan. Om zelfstandig te worden, ook ten aanzien van hun ouders, (trial en error) Daar is niets mis mee. Dat is iets van een natuurlijke ontwikkeling die God zelf in de schepping heeft gelegd. Opvoeding dient derhalve dienstbaar te zijn aan deze groei naar het staan op eigen benen.
3. Mogelijke valkuilen
Hoewel het gevaar bestaat om op een veilige afstand goedkope adviezen te geven, waar ouders in de concrete situatie weinig mee kunnen, wil ik toch proberen, meest uit eigen ervaring, op enkele dingen te wijzen.
Allereerst zijn er enkele valkuilen, waarvoor je bij de opvoeding in deze periode moet oppassen.
A. Ouders moeten jongeren boven de zestien niet behandelen als kleine kinderen. Zonder rekening te houden met hun leeftijd. Je houdt ze dan afhankelijk. Dat werkt contraproductief. Vroeg of laat komt hun protest of ze blijven heel hun leven bange afhankelijke mensen. Jongeren moeten leren zelf verantwoordelijkheid te gaan dragen voor hun keuzes. Je moet ze daarin stimuleren.
B. Ouders kunnen nooit, maar in deze periode zeker niet, met dwang opvoeden. Dan maak je misbruik van je macht als ouder. Achter deze houding zit vaak een stuk angst van ouders. Angst dat het niet goed gaat met je kinderen. Op zichzelf genomen is dat zo goed te begrijpen. Toch is dwingen op zichzelf geen begaanbare weg. Dwang is het omgekeerde van het gebed. Dwang is je kinderen vastgrijpen in plaats van ze in de handen van God te geven.
C. Ouders moeten er voor waken dat zij de houding van hun kinderen gaan vergelijken met hun eigen houding toen zij de leeftijd hadden van hun kinderen nu. 'Ik deed vroeger toch gewoon wat mijn vader zei! Het kwam toch niet in je op om hem tegen te spreken!' Zo vergeten ouders dat de verhoudingen tussen mensen veranderd zijn. Ook hun eigen houding.
D. Ouders moeten er erg in hebben dat hun opvoeding geen 'verborgen agenda' heeft. Onder het voorwendsel dat je je kinderen vrij laat, is het je er dan eigenlijk om begonnen zelf rust te hebben. Geen conflicten alsjeblieft.' Zo kan het ook omgekeerd zijn: ik wil dat mijn kinderen niet afwijken van de wil van God (terwijl het nog de vraag is of onze eigen wil en Gods wil niet verwisseld worden), maar ten diepste gaat het er dan om dat je met je gezin voor de dag wilt komen als een modelgezin. Niet wilt onderdoen voor anderen.
4. Opvoeden vanuit het verbond
Ik zou een pleidooi willen voeren voor een opvoeding vanuit het verbond. Dan denk ik allereerst aan het verbond van God, waarin zowel de ouders als de kinderen opgenomen zijn. Beiden delen ze in de beloften en de verantwoordelijkheden van het verbond. Ondertussen betekent dit dat er ook tussen ouders en kinderen sprake is van een verbond. Als uitvloeisel van het verbond van God met hen. Dat verbond is een unieke vorm van verbondenheid, waarbij je als bondgenoten niet tegenover elkaar staat, maar het uitgangspunt is om samen een gezin te zijn. Wanneer de relatie van ouders en kinderen door de gedachte van het verbond gedragen wordt dan betekent dat, dat er sprake is van een groeiende wederkerigheid tussen beiden. Kinderen leren van ouders, maar ouders leren ook van hun kinderen in een open communicatie.
Belangrijk in dit uitgangspunt is dat er een vertrouwensrelatie bestaat tussen ouders en kinderen. Ouders geven hun kinderen een stuk vertrouwen en daarmee ook een stuk ruimte om zelf verantwoordelijkheden te leren dragen. Ook al falen de landeren en zijn ouders teleurgesteld, dan betekent dat niet dat ze hen nu laten vallen. Ouders weten als het goed is van hun eigen zonden en zwakheden. Het is goed dat te laten merken aan hun kinderen. Tegelijk dienen ouders niet slap te zijn, alles maar goed te vinden. Ze dienen eerlijk te zijn tegenover hun kinderen. Ook hierin is verbondsautomatisme een fictie.
Een ander punt is dat ouders moeten leren dat zij hun kinderen het geloof niet kunnen geven, ook al zouden ze dat graag willen. Zij hoeven dat ook niet te doen. Dan overvraag je jezelf in je taak als opvoeder. Geloven, zich bekeren, wedergeboren worden, dat alles is Gods werk. Ouders zijn instrumenten in Gods hand. Ze mogen daarbij leven vanuit de belofte dat God de Leidsman van hun kinderen wil zijn. (Psalm 25 : 6, ber.) Wat is het van belang dat ouders zelf een authentiek geloofsleven kennen. In ieder (sociologisch) onderzoek naar het geloof van jongeren komt steevast als gegeven naar voren dat het eigen levend geloof van ouders van onschatbare waarde is voor de geloofsontwikkeling van hun kinderen. Jongeren hebben identificatiefiguren nodig. Ouders mogen bidden om dat te zijn voor hun kinderen. Kinderen vragen niet om een groot, wel om een echt geloof. Het lijkt heel praktisch, maar het behoort toch tot de principiële kant van de opvoeding, dat ouders oog hebben voor het belang van een vrienden/vriendinnenkring van hun kinderen. Een open huis bieden aan je kinderen en hun vriendenkring, b.v. op zondagavond, is zo goed. En als de kamer vol zit met jongeren, geef ze de ruimte en trek je als ouders eens even terug. Mooi is het als de relatie van ouders met hun kinderen binnen het kader van het verbond het karakter krijgt van vriendschap. Niet opgedrongen, maar spontaan. Dat kan met name in een gesprek zomaar ineens gebeuren.
5. Het 'gouden moment'
Een vader vertelt:
'Het was laat in de avond. Mijn vrouw was al naar bed gegaan en ik zat nog beneden te wachten op onze Kees. Hij zou om half twaalf thuiskomen van zijn werk en het leek me fijn voor hem om dan nog even met hem te praten.
Om half twaalf hoorde ik hem aankomen en even later kwam hij de kamer binnen. Het werk zat er op en nu wilde hij nog een poosje relaxen.
Hij ging naar de keuken om een flesje bier te pakken. Vanuit de keuken hoorde ik hem roepen: "Papa, ook een biertje?" Ik was eerlijk gezegd moe en wilde het liefst naar bed, maar om hem een plezier te doen riep ik: "Oké."
Wat ben ik achteraf blij dat ik met Kees ben opgebleven. We hebben samen een gesprek gekregen, dat we allebei nooit meer vergeten zullen. Eerst ging het over van alles en nog wat, maar langzamerhand kwam er meer diepgang in het gesprek. We kregen het over de kerk, over je persoonlijk geloof en hoe langer hoe meer begonnen we tegen elkaar de diepste dingen over onze relatie met God te vertellen en hoe we die relatie beleefden en waar onze twijfels en ook onze vreugden zaten. Het is die avond erg laat geworden. Maar het was geen verloren tijd. Het was het gesprek met "het gouden moment".'
W. Verboom, Waddinxveen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's