Uit de pers
Ds. I. Kievit
Ik las in De Hoeksteen (tijdschrift voor vaderlandse kerkgeschiedenis – 28e jaargang no 2, mei 1999) een lezenswaardig artikel over ds. I. Kievit (1887-1954) van de hand van Hendrik van Steenbeek (Delft). De schrijver plaatst er als opschrift boven Ds. Izaak Kievit en zijn kring. Velen zullen wel niet meer weten wie hij was en welke plaats hij binnen de Hervormde Kerk en binnen de Gereformeerde Bond innam. Vandaar deze korte introductie voor u:
'Ds. I. Kievit heeft in de eerste helft van de twintigste eeuw, en met name aan het einde van de dertiger jaren, een belangrijk stempel gezet op de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Rond zijn persoon groepeerde zich een kring van predikanten, die wel aangeduid werd als de bevindelijke stroming binnen de Gereformeerde Bond. Verder gaf ds. Kievit door zijn meditaties en artikelen in het "Gereformeerd Weekblad", waaraan hij van 1931 tot 1950 verbonden was, mede leiding aan de meningsvorming van een deel van het hervormd gereformeerde kerkvolk. Niettegenstaande de soms felle kritiek, die hij op het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond en op het officiële bondsorgaan "de Waarheidsvriend" leverde, was het echter nooit zijn bedoeling tot een eigen, afzonderlijke organisatie te komen. Ds. Kievit was en bleef een prediker, die in de Nederlandse Hervormde Kerk een gereformeerde, schriftuurlijk bevindelijke prediking verwant aan de reformatoren wilde brengen.'
Ds. I. Kievit diende vier gemeenten in de Hervormde Kerk: Garderen (1915), Benschop (1917), Lunteren (1920) en Baarn (1923-1952). In zijn artikel gaat Van Steenbeek vooral in op zijn Baarnse periode met daarin bijzondere aandacht voor zijn omgang met Jansje Zondag. Wij laten dat hier rusten. Het gaat ons om zijn positie binnen de Hervormde Kerk en de GB. Daarin trad hij in de dertiger jaren sterk op de voorgrond.
'Het spreekt welhaast vanzelf dat een begaafd man als ds. Kievit reeds spoedig in breder kring van zich liet horen. Ds. K. J. van de Berg, Kievits bevestiger in zijn eerste gemeente, merkte zijn gaven als auteur reeds spoedig op en stimuleerde de Garderense pastor sterk op dat terrein voort te gaan. "Van de Berg", zo schreef ds. Kievit bij diens 40-jarig ambtsjubileum, "ge hebt mij vroeg gedwongen tot schrijven."
De toestand van de kerk verontrustte ds. Kievit, en meer dan eens liet hij een waarschuwende stem horen. Daarbij bleef hij niet aan de kant staan, maar bewoog hij midden in de strijd. Brochures van zijn hand zagen het licht over het vrouwenkiesrecht, het reglement op de predikantstraktementen en de ontwerpregeling voor het bijeenkomen van de Nederlandse Hervormde Kerk in generale synode. Het Woord bewaren en de belijdenis vasthouden, was zijn wachtwoord. Daaraan bleef hij zijn hele leven trouw.
Door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond werd ds. Kievit in 1921 benoemd in een commissie van advies met betrekking tot het reglement op de predikantstraktementen. De vraag daarbij was hoe de bondsgemeenten dienden te staan tegenover een voor alle horvormde gemeenten geldend minimum aanvangstraktement van ƒ 2.500,– per jaar en de betaling van een jaarlijkse aanslag aan een centrale kas (de Raad van Beheer), waaruit gemeenten geholpen konden worden, die niet in staat waren uit eigen middelen een predikant te betalen overeenkomstig het nieuwe reglement.
Voordat de ingestelde commissie met een rapport naar buiten kon treden, gaf ds. Kievit in een brochure op voorhand zijn visie op de kwestie. Daarbij ging hij uit van het recht van de plaatselijke gemeente. Die plaatselijke gemeente moest voor haar dienaren "die van het evangelie leven" zorgen en niet karig zijn. De synode had zijns inziens op de bezittingen van de gemeente "geen recht". Hij was verder van mening, dat de scheiding van bestuur en beheer in de gemeente onjuist was. Naar zijn gevoelen kwam de kerkenraad ook het beheer van de stoffelijke goederen toe. Daar dit in de praktijk niet zo gemakkelijk te veranderen was, pleitte hij voor een nauwe samenwerking tussen de kerkvoogdijen en de kerkenraden. Hij adviseerde de aan de gemeenten opgelegde bijdragen aan de Raad van Beheer niet te betalen.
Nadat ook de door het hoofdbestuur ingestelde commissie van advies op 10 maart 1922 naar buiten getreden was met een advies aan de kerkenraden en kerkvoogdijen om te blijven protesteren tegen de invoering en de doorvoering van het Reglement, werkte ds. Kievit mee aan de vorming van een convent van gereformeerde kerkenraden, dat de synode moest verzoeken het Reglement weg te nemen. Daartoe kwamen op 20 juli 1922 afgevaardigden van 80 kerkenraden in Utrecht samen. Zestig daarvan traden dadelijk tot het convent toe, welk aantal een maand later, toen ds. Kievit voor het convent sprak, reeds tot 77 was opgelopen. Na verloop van tijd ging het Convent een maandblad uitgeven, waarin regelmatig bijdragen van de hand van ds. Kievit verschenen.
In die jaren ontstond er een bepaalde afstand tussen de "commissie van advies" (waarvan ds. Kievit deel uitmaakte) en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. De rapporten van de commissie (na dat over het reglement voor de predikantstraktementen verscheen er ook een over het vrouwenkiesrecht en werd er een "ontwerp van een regeling tot reformatie van de kerk der belijdenis onder de synodale organisatie" opgesteld) werden in de kring van de leidslieden van de Gereformeerde Bond met de nodige reserves ontvangen. De inhoud van het voorstel "regeling tot reformatie van de kerk der belijdenis onder de synodale organisatie", wat een soort interne doleantie inhield, leidde zelfs tot spanningen tussen het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond en de genoemde commissie. Het gevolg van het meningsverschil was, dat de commissie in het najaar van 1923 haar mandaat aan het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond teruggaf.
Een en ander leidde ertoe dat ds. Kievit zich kritisch en afzijdig ging opstellen ten opzichte van het synodale gebeuren. Op de classisvergaderingen verscheen hij nauwelijks. Toch sprak hij op het einde van zijn leven tegen zijn zoon (ds. L. Kievit): "Jongen, blijf maar in die Hervormde Kerk. Als ik eruit zou moeten, zou ik niet weten waar ik naar toe moest. Dan zou ik misschien op mezelf doen, maar dat is ook niks".'
De persarbeid van ds. I. Kievit in het 'Convent', aldus Van Steenbeek, wordt later voortgezet in het 'Gereformeerd Weekblad'.
Vanaf oktober 1931 verschijnen er met grote regelmaat meditaties van zijn hand. Van 1931-1949 verschenen daarnaast van zijn hand ook artikelen over heel verschillende onderwerpen.
Ds. Kievit heeft verder op een hele generatie predikanten een duidelijk en diepgaand stempel gezet en dat vooral in schriftuurlijk-bevindelijke zin. Er vormde zich rond hem een kring.
'In de loop der jaren vormde zich rond ds. Kievit een kring van geestverwante predikanten. Het bestaan van deze kring valt op te merken in de rubriek "Kerknieuws" van het "Gereformeerd Weekblad". Daarin wordt ds. Kievit nogal eens aangetroffen als bevestiger van geestverwante (jonge) collega's.
Aan deze groepsvorming werkte ds. Kievit verder mee door van 1939 tot 1950 in Baarn in gebouw "Calvijn" contio's voor (veelal jongere) predikanten te organiseren. Op deze vergaderingen werd door de Baarnse pastor of door een van zijn vrienden een inleiding gehouden. Allerlei theologische vragen, maar ook vragen over het kerkelijk leven en de zielszorg werden er besproken. Van deze samenkomsten ging een vormende kracht uit. Het samenzijn was vaak, zoals ds. Kievit het eens uitdrukte: "een verkwikking op het doornige levenspad".
Zijn geestverwanten hadden een haast onbegrensd vertrouwen in ds. Kievit. In een boekbespreking in het maandblad "Calvijn" schreef de bekende en onafhankelijk denkende godsdienstonderwijzer W. van Leeuwen van Schoonrewoerd in juli 1939: "We weten wel, waar ds. Kievit zijn naam aan geeft, dan is het wel vertrouwd".
In de oorlogsjaren werd op één van die contio's ook eens behandeld het nationaal-socialisme. Het gevolg daarvan was, dat de SD ds. Kievit als leider van de vergadering opriep te verschijnen in de Euterpestraat in Amsterdam. De Baarnse predikant mocht daar toen vrijmoedig spreken, en het liep met een sisser af.
In die jaren zorgde ds. Kievit er wel voor, dat het getal van de aanwezigen op de contio's niet boven de twintig uitkwam, daar hij er niet aan dacht vergunning tot vergadering aan te vragen bij de autoriteiten.
De kring rond ds. Kievit trad ook wel als geheel naar buiten. Zo had het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond op 16 november 1945 een samenspreking met een afvaardiging van groep. Daarbij zette ds. Kievit uiteen, "dat het in zijn groep nodig werd geacht om de gereformeerde gezindheid in onze kerk samen te roepen ten einde als gereformeerde groep in onze kerk een eigen standpunt in te nemen tegenover gemeenteopbouw in interim synode". Ds. Kievit vreesde namelijk dat de Gereformeerde Bond in drie groepen uiteen zou vallen: een groep ter linkerzijde rond dr. J. G. Woelderink, een grote middengroep rond het hoofdbestuur en een groep ter rechterzijde rond zijn persoon. Acht dagen later vergaderde het hoofdbestuur met beide groepen. De "groep-Kievit" was toen vertegenwoordigd door ds. L. Kievit, ds. R. J. F. Lamens en ds. J. C. Stelwagen.
Ds. Kievit hield echter wel steeds voor ogen, dat de contio een vriendenkring van dienaren des Woords moest blijven, waarin een sfeer van vertrouwen en openheid heerste. Het mocht niet verworden tot een predikantenvergadering of een anti-bondsclub.
Na verloop van tijd kwam er toenadering van de "groep-Kievit" tot het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Wanneer aan het einde van de veertiger jaren het contio van predikanten van ds. Kievit van plan is een bezwaarschrift bij de synode in te dienen over "huidige gang van zaken in de kerk", adviseert hoofdbestuurslid ds. J. Vermaas dit geschrift (opgesteld door ds. L. Kievit te Putten) mede namens de Bond te doen uitgaan.'
Van Steenbeek schrijft ten slotte ook over de beeldvorming die ten aanzien van ds. I. Kievit ontstond na zijn overlijden in 1954. Wie geen vreemdeling in hervormd gereformeerde kring is, kan weten hoe hij menigmaal als voorbeeld wordt genoemd van hoe er zou moeten worden gepreekt en waarom er toch zoveel mis is en mis gaat binnen de GB van de laatste decennia.
'Na het verscheiden van ds. Kievit dacht menigeen met gevoelens van dankbaarheid en weemoed aan zijn bediening terug. Er bestond dan ook vraag naar zijn schriftelijke nalatenschap. Daarin werd voorzien door de uitgave van enkele prekenbundels, terwijl van enige van zijn oudere werkjes na verloop van tijd herdrukken verschenen.
Tegen de heruitgave van zijn vroegere uitgaven bestond in de familiekring nogal wat reserve. Bij herhaling werd gesteld, dat bepaalde uitgaven van de Baarnse pastor gezien moesten worden in de context van de tijd waarin ze geschreven waren. Zo werd verondersteld dat ds. Kievit een werkje als "Tweeërlei kinderen des verbonds" in de naoorlogse situatie geheel ander opgezet had, en er zeker niet in toegestemd zou hebben het boekje ongewijzigd te herdrukken; dit te meer niet, daar hijzelf over het genoemde werkje niet helemaal tevreden was geweest, en er een praktisch deel aan had willen toevoegen.
Ds. Kievits geestverwant, ds. J. van Sliedregt, zette in het begin van de jaren zestig in een lezing voor de studentenvereniging "Voetius", getiteld "Het levenswerk van wijlen ds. I. Kievit" diens inzichten en opvattingen uiteen. Deze uiteenzetting riep bij degenen die ds. Kievit van nabij gekend hebben nogal wat tegenspraak op. De uit Baarn afkomstige dr. W. Balke verweet Van Sliedregt epogonisme, het doorgeven van eigen gedachten, terwijl men bedoelt het standpunt van de leermeester weer te geven. Letterlijk schreef hij: "Men moet zowel de oude als de jonge ds. Kievit allebei viva vox (= met levende stem) gehoord hebben om hen wat naderbij te komen. De toegang via hun geschriften is voor deze markante predikers niet geëigend".
Met deze uitspraak trachtte dr. Balke min of meer een blokkade op te werpen tegen de annexatie van het gedachtegoed van de Baarnse pastor vanuit rechts bevindelijke hoek. Ongetwijfeld heeft hij gelijk, wanneer hij ds. Kievit niet als een "gekrookterieter" beschouwt. Daarvoor was, met name in de latere levensjaren, het blikveld van ds. Kievit te ruim, zijn hang naar traditie te gering, en zijn binding aan de Gereformeerde Bond (en daarmee aan de Nederlandse Hervormde Kerk) te sterk. Doch anderzijds is het onmiskenbaar, dat er een lijn te trekken valt vanuit de kring rondom ds. Kievit naar de in 1980 ontstane groepering rond het blad "Het gekrookte riet".'
Het blijft altijd riskant iemand die in een geheel andere periode en in een totaal verschillende context de kerk heeft gediend te claimen voor eigen visie en keuzen. Er ontstaat door de jaren heen een beeldvorming van een persoon die nauwelijks meer te verifiëren valt. We hebben dan al gauw de neiging het verleden te idealiseren of te romantiseren. En de persoon om wie het dan gaat zou zich er nauwelijks in kunnen herkennen.
Wel hoor je soms om je heen de vraag stellen: waar zijn de belangrijke personen die je vroeger in kerk en staat had, van wie een krachtige leiding uitging en een samenbindende werking? Onder ons hoor je dan, als het over vooroorlogse jaren gaat, soms de naam van ds. I. Kievit en voor later tijden de namen van bijvoorbeeld ds. G. Boer en ds. W. L. Tukker en anderen.
Autoriteiten
De redactie van het gezinsblad Terdege (12 mei 1999) had een gesprek met ds. W. van Gorsel (Bergambacht) in een korte reeks die de titel droeg Waar bleven de autoriteiten? We citeren enkele fragmenten uit dit gesprek omdat daar ingegaan wordt op de vraag naar 'grote mannen'.
'"Opvallend vind ik hoe vaak men in onze kring terugvalt op predikanten als G. Boer en W. L. Tukker. Dat is veelzeggend. Zijn zulke mannen er dan nu niet meer?" Het was een retorische vraag en tegelijk een hartenkreet, geslaakt door dr. C. Graafland in een interview in het Reformatorisch Dagblad, naar aanleiding van zijn jongste boek: "Gedachten over het ambt".
Nog geen twee weken later stak ds. J. Westerink, voorzitter van de jongste synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken, in een vraaggesprek in Terdege de hand in eigen boezem. "Waar zijn de dominees met een geestelijk charisma, de ouderlingen die met geestelijk gezag leiding geven? Je komt ze vrijwel niet meer tegen, in geen enkel kerkverband. Wanneer professor Van der Schuit tijdens een synode opstond en zei: 'Broeders, zó is het', dan ging iedereen, zij het soms van sputterend, mee. Dat missen wij vandaag. Daarmee zeg ik ook wat over mezelf. We zijn een beetje confectiewerk."
Bijna onbenaderbaar
Als hij met dergelijke ontboezemingen wordt geconfronteerd, overheerst bij ds. W van Gorsel de herkenning. Wel vraagt hij zich af wat de oorzaak is. Kent de hedendaagse samenleving minder persoonlijkheden, worden ze minder ontdekt en gewaardeerd, of is het een samenspel van factoren?
"De samenleving waarin ik opgroeide, was een totaal andere dan die van nu. De dominee uit mijn geboorteplaats stond mijlen boven de gemeente. Je zag die man zondags op de preekstoel, doordeweeks een enkele keer op straat. Diep in het zwart, afstandelijk, bijna onbenaderbaar. Je durfde hem amper te groeten.
Hij heeft er 24 jaar gestaan en deed zijn werk trouw, maar voor mij bleef het daarbij. Van z'n preken kan ik me niets herinneren, alleen dat ze erg lang duurden. Maar het was wel de dominee! Op catechisatie hoorde je zwijgend aan wat hij zei. In de buurdorpen was het niet anders. De dominee behoorde met de dokter en de burgemeester tot de dorpselite. Ze hadden gelijk, want ze hadden gestudeerd.'"
Verder in het gesprek stelt de journalist (H. de Vries) de vraag aan de orde waardoor autoriteit op het kerkelijk erf dan bepaald wordt? Heeft dat te maken met iemands kennis en inzicht of komt dat door een bepaald charisma? Ds. Van Gorsel antwoordt dan:
'"Ik zou die niet tegenover elkaar willen plaatsen. Beide zijn belangrijk. De scholing van gemeenteleden is enorm toegenomen, ook in de gereformeerde gezindte. Dat vraagt van predikanten een brede kennis. Typerend is dat ook binnen de Gereformeerde Gemeenten het type dominee dat rechtstreeks vanachter de ploeg komt, verdwijnt. Van de mensen die nu worden aangenomen, is de één arts, de ander docent, de derde jurist. Wil je de jeugd vasthouden, dan zul je gestudeerde predikanten moeten hebben.
Tegelijk maakt enkel kennis je niet tot een autoriteit. Daar is ook uitstraling, wijsheid en originaliteit voor nodig. Ik heb de laatste tijd wat boeken moeten bespreken van oud-gereformeerde voorgangers als dominee Blaak en dominee Gebraad. Die mensen misten elke opleiding en toch hadden ze wat te zeggen. Zo zelfs dat hoorders die meer letters gegeten hadden de krommigheid die erbij zat op de koop toe namen. Dat soort predikers is jammer genoeg verdwenen, ook in de Oud-Gereformeerde gemeenten. Wie van de huidige generatie predikanten daar is vergelijkbaar met een man als ds. Van der Poel?"
Zijn er nog predikanten die de gereformeerde leer op zo 'n wijze vertolken dat hun gezag breed wordt erkend?
"Ik zou er niet een, twee, drie een paar kunnen noemen. Dat soort figuren missen we. En hoe komt dat nou? Je kunt het afdoen met de geesteloosheid van de tijd, maar dan schuif je de schuld op de Heere. Daar ben ik bang voor. Je kunt de oorzaak beter bij jezelf zoeken."
Zijn ze er niet of worden ze niet herkend?
"Daar zit ik wat mee. Soms denk ik: Kijken we niet te nostalgisch naar het verleden, waardoor we grote mannen in het heden over het hoofd zien? Tot ze overleden zijn. Dat is een euvel van alle tijden."
Ds. G. Boer werd door tijdgenoten al als een autoriteit gezien.
"Dat is waar. Meer dan de toonaangevende predikanten van nu. Het bijzondere van ds. Boer was dat hij de zaken wetenschappelijk kon verwoorden, en tegelijk proefde je de vreze des Heeren erin. Dat gaf hem een profetisch gezag. Als hij wat uit zijn eigen leven vertelde, maakte dat op iedereen indruk. Het was doorleefd. Maar hij kon ook met mevrouw Flesseman-Van Leer een theologische discussie op niveau voeren over de verzoening.'"
In ditzelfde verband komt dan de vraag aan de orde of de verbrokkeling op het kerkelijk erf minder groot zou zijn als er nog zulke gezagvolle personen zouden zijn?
Verbrokkeling
Er wordt wel beweerd dat de verwarring in de gereformeerde gezindte een stuk kleiner zou zijn wanneer er nog figuren als ds. Boer, prof. van der Schuit en ds. A. Vergunst waren. Terecht?
"Je kunt je afvragen of ze in onze tijd nog hetzelfde gezag zouden hebben. Onze tijd is anders dan de tijd waarin zij leiding gaven. Hun autoriteit werd vanzelfsprekender geaccepteerd dan men nu zou doen. Wel denk ik dat er meer belijndheid zou zijn als we deze mensen nog hadden. Je ziet dat ook bij een kleine organisatie als 'Het gekrookte riet'. Dat is ten diepste een schepping van ds. Catsburg geweest. Zolang die leefde, was 'Het gekrookte riet' een eenheid. Na zijn dood niet meer. Nu loopt ook daar de een achter deze aan en de ander achter die.
In de Gereformeerde Bond is het niet anders. Vleugels zijn er altijd geweest, maar nu hebben we blokken. Je krijgt een etiket opgeplakt en daarmee is een aantal kansels voor je gesloten. Gebrek aan krachtige, samenbindende figuren is één van de oorzaken van die kerkelijke verbrokkeling. Er zijn nog wel mensen die in kleine kring autoriteit hebben, maar de predikanten die breed gezag genieten, over eigen kerkmuren heen, zijn weggevallen."'
Het blijft voor een deel koffiedik kijken. Ik denk weleens: Als we ze hadden (en misschien hebben we ze ook wel en zullen jongeren later zeggen: vroeger had je die Van der Graaf bij de GB en bij dat GW hadden ze toch een van Gorsel, dàt waren nog eens kopstukken!), zouden we ze aanvaarden als onze leiders? Trouwens, ds. G. Boer was nog maar net de officiële voorzitter van de GB na de dood van prof. Severijn in de zomer van 1966 of via een stevige open brief, gepubliceerd in de Waarheidsvriend, werd zijn optreden als veel te rechtlijnig aangevallen. Niet minder dan 36 predikanten en hoogleraren vonden Boers optreden te enghartig en vroegen om méér ruimte. En tijdens het voorzitterschap van ds. W. L. Tukker is Het Gekrookte Riet ontstaan, tot zijn grote teleurstelling. Ik bedoel maar: iemand krijgt na zijn dood soms veel meer eer en respect dan hij tijdens zijn leven ontving. En leven wij niet in een heel andere tijd? Mondige mensen die sterk hechten aan een eigen koers laten zich niet meer weg en wet voorschrijven door een ander. We zien dat in de politiek en in de kerk. Is het ook niet veel belangrijker dat we navolgers van Christus zijn, dan al te zeer te gaan in de sporen van een mens? Dat laat overigens onverlet dat de gedachtenis van de rechtvaardige tot zegen mag zijn.
J. Maasland
Info: De Hoeksteen, Gerberasingel 94, 2651 XZ Berkel en Rodenrijs, tel. 010-5113003.
Terdege, Postbus 75, 7300 AB Apeldoorn, tel. 055-5390333.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's