Globaal bekeken
In Herderssporen (beroepingswerk rechterflank N.H.K.) stond een frappant voorbeeld van kortstondig verblijf van een predikant in de gemeente, die hij diende, toen er nog geen termijn van vier jaar gold voordat van een predikant weer beroepbaar was.
'Wat niet meer kan, is dat een predilont binnen de vier jaar een beroep in overweging mag nemen. Dus dat men na twee jaar een gemeente gediend te liebben weer beroepen zou kunnen worden. In de Kerkorde van 1951 werd dit afgeschaft.
Een frappant stulpje geschiedenis op dit terrein deed zich voor bij wijlen ds. W. L Mulder die in 1887 werd geboren. Arnemuiden werd in 1916 zijn eerste gemeente, gevolgd door Gouderak in 1918. Hij vertrok in hetzelfde jaar naar Garderen, dat in 1924 werd geruild voor Benthuizen. Drie jaar later werd het Overijsselse Enter aangedaan, waar vandaan hij in 1926 naar Voorthuizen vertrok. Na zes jaar werd het één jaar Huizen om vervolgens naar Hoevelaken te gaan. Van 1937 tot 1945 bracht hij de "oorlogsjaren" door in Veenendaal. Toen werd Rijssen zijn standplaats, om in 1948 naar Maartensdijk te gaan.
De twaalfde gemeente van deze "apostel" werd het nabijgelegen Houten, waar hij op 1 mei 1993 nog "echt" met emeritaat ging. Hij verhuisde naar één van zijn vorige gemeenten, Voorthuizen.'
In een boekje van Willem de Vink, getiteld 'Waarom die vis?' (uitgave Barnabas, Heereveen) troffen we nog eens het bekende stuk, dat Perpetua in het jaar 203 schreef over het verloop van haar martelaarschap in Carthago.
'Toen we nog bij de recherche waren om verhoord te worden, kwam mijn vader ons vanuit de stad opzoeken, verteerd door verdriet. Hij probeerde mij in zijn vaderliefde op andere gedachten te brengen, maar ik zei: "Papa, ziet u dat stuk aardewerk daar liggen, een kruikje of zoiets?" Hij zei ja. Ik zei tegen hem: "Kan het soms anders genoemd worden dan het is?" Hij, zei nee. "Zo kan ik ook mijzelf niet anders noemen dan wat ik ben. Ik ben een christen, papa." Mijn vader probeerde me van m'n stuk te brengen en zei: "Perpetua, dochter van me, denk toch aan m'n grijze haren. Als ik het waard ben om door jou vader genoemd te worden, als ik je met mijn eigen handen tot deze bloeiende leeftijd heb gebracht, als ik je boven je broers heb voorgetrokken, maak me dan niet te schande voor alle mensen. Denk aan je broers, denk aan je moeder en je tante, denk aan je zoon, die zonder jou niet zal kunnen blijven leven. Laatje trots varen, richt ons niet te gronde – wie zijn wij nog als jou iets ergs overkomt?" Dit zei hij in zijn vaderliefde en hij wierp zich voor mijn voeten, kuste mijn handen en noemde me in zijn smeekbeden niet meer dochter, maar vrouw. Ik voelde me bedroefd over het lot van mijn vader, de enige van de familie die niet blij kon zijn met mijn lijden. Ik wilde hem troosten. "Op die verhoging, papa, daar op het forum, zal gebeuren wat God wil. U moet weten dat alles onder Gods gezag gebeurt." Maar hij verliet me diep bedroefd.
Niet veel later werden we gedoopt en Gods Geest gaf me de opdracht om na mijn doop niets anders te verwachten dan de kracht om lichamelijk lijden te doorstaan. Toen we in de gevangenis werden gegooid raakte ik echter in paniek omdat ik nog nooit zo'n duisternis had meegemaakt. Wat een gruwelijke dag was dat. Het was er enorm heet met al die mensen in die kleine ruimte en ik maakte me zorgen om mijn baby. Toen Tertius en Pomponius, gezegende dienaren van de gemeente, ons tegen betaling naar een beter gedeelte konden loodsen, kon ik op verhaal komen en mijn kind de borst geven. Ik wist te bereiken dat de baby bij mij mocht blijven. Daardoor kwam ik weer op krachten en werd de gevangenis zelfs een paleis voor mij.
Op een dag werden we tijdens het middageten plotseling weggehaald om te worden verhoord. Vanuit de omgeving verzamelde zich een menigte mensen bij het forum. We klommen op de verhoging. Iedereen werd ondervraagd en legde zijn of haar geloofsbelijdenis af. Toen kwam ik aan de beurt. Meteen verscheen mijn vader met mijn zoontje, en hij trok me van de trap af met de woorden: "Bid nu toch één keer tot de goden; heb medelijden met je baby!" De procurator Hilarianus, die het zwaardrecht voerde, viel hem bij en zei: "Houd toch rekening met de grijze haren van je vader en de jonge leeftijd van je kind. Breng een offer ter ere van de keizer en zijn familie en je bent vrij!" Ik antwoordde: "Dat doe ik niet". Hilarianus vroeg: "Ben je dan christin?" Ik antwoordde: "Ik ben christin". En toen mijn vader daar bleef staan om te proberen mij van het podium te trekken, werd hij eraf gestoten en met de stok geslagen. Ik had verdriet om hem en voelde zijn pijn alsof ik zelf geslagen werd. Daarna sprak Hilarianus het vonnis over ons uit en veroordeelde ons tot de wilde beesten; en opgetogen vertrokken we met z'n allen weer naar de gevangenis.
Ik stuurde vanuit de gevangenis onze diaken Pomponius naar mijn vader toe om de baby terug te vragen. Maar hij weigerde hem te geven. En zoals God wilde, had het kind niet langer behoefte aan de moederborst en mijn borsten waren niet ontstoken, zodat ik me geen zorgen meer hoefde te maken. Later verhuisden we naar de militaire gevangenis; het was namelijk de bedoeling dat we deel zouden nemen aan de gladiatorengevechten tijdens de verjaardag van de jongste zoon van de keizer.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1999
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's