De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Sardis en de wederkomst

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Sardis en de wederkomst

9 minuten leestijd

'Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt dood. Weest wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.'Openbaring 3 : 1c t/m 3

Sardis was eens de hoofdstad van Lydië, dat zijn faam vooral te danken heeft aan Croesus, die van 561-546 voor onze jaartelling als de laatste koning over het Lydische rijk regeerde. Veelzeggend is het oude spreekwoord: 'Zo rijk als Croesus'. Uit de Griekse mythologie is het verhaal bekend van koning Midas, die aan de god Dionysus vroeg om alles wat hij zou aanraken' in goud te veranderen. Bij Sardis werd goud gevonden; de stad kende meerdere goudsmelterijen. Geld als betaalmiddel komt hier vandaan; in Sardis werden de eerste munten geslagen. Door de zorgeloosheid van haar inwoners werd de stad twee keer bij verrassing ingenomen. Sardis werd door een aardbeving verwoest, maar in het jaar 17 door toedoen van de Romeinse keizer Tiberius herbouwd. Hoewel Sardis toen al over zijn hoogtepunt was, bleef men ook in de jaren (en eeuwen) daarna 'op grote voet leven'. In het Turkije van vandaag leeft Sardis alleen nog voort in de naam Sart, een gehucht zo'n 100 km ten oosten van Izmir (het vroegere Smyrna).
In Sart bevinden zich de opgravingen van de ooit zo roemruchte stad. Hier doen we op onze reis door Turkije opvallende ontdekkingen, die ons de brief van de Heere Jezus Christus aan de gemeente van Sardis beter doen verstaan!
Ook al zijn de in Sardis teruggevonden resten van de (voor een deel gereconstrueerde en gerenoveerde) synagoge en de (Byzantijnse) kerk uit latere tijd, ze kunnen ons wel veel vertellen over de context waarin joden en christenen in Sardis aan het eind van de eerste eeuw leefden.
Sardis heeft een grote joodse gemeenschap gekend. Er is in heel Turkije geen synagoge teruggevonden, die zó groot en zó indrukwekkend was als hier! Bontgekleurde geometrische mozaiekpatronen te midden van hagelwitte marmeren vloeren en muren. Niet alleen groot en luxe, maar het hele gebouw zou je niet als synagoge herkend hebben als er geen nissen voor de Thora-rollen en Griekse(!) inscripties met teksten die verwijzen naar de God van Israël zouden zijn gevonden. Dáárnaast maakte de synagoge onderdeel uit van een groter complex, waarbij naast een winkelstraat en bibliotheek, ook het imposante gymnasium, de sportschool waar de jongens naakt(!) sportten, toe behoorden. Eén ding is wel duidelijk: de joden in de diaspora hebben zich in Sardis geheel geassimileerd in de Klein-Aziatische samenleving. Veel joden waren in die tijd bij de geldhandel betrokken en namen hoge posities in. Bekend is dat in de tweede eeuw er negen joden zitting hadden in de gemeenteraad. Twee van deze negen waren goudsmid van beroep!
Op een heel andere plaats in Sardis staat een klein, maar liefelijk (Byzantijns) kerkje. Echt niet groter dan twee huiskamersl Vergeleken met die levensgrote synagoge staat de kerk slechts in haar schaduw. In een commentaar las ik dat dat misschien wel het probleem van de gemeente van Sardis was: de druk op de gemeente vanuit de synagoge die het messiasschap van Jezus en Zijn verzoenend lijden en sterven loochende. Aanleiding voor deze uitleg is een preek van bisschop Melito van Sardis (rond 160-170 na Chr.) over het Pascha (Exodus 12). Melito wijst daarin Jezus aan als het grote Paaslam, en verzet zich tegen de afwijzing door de joden van dit Paaslam. Nu is het gevaar van judaïsme in de vroeg-christelijke kerk altijd groot geweest, maar in 'onze' brief van Sardis lezen we hier niets over. Anders was de grote Herder der gemeente hier zonder meer op ingegaan. We lezen niets over tegenkanting van de kant van de joden, maar óók niets over vervolging of lastering door de heidenen, zoals in de voorafgaande brieven (Openb. 2). Dat is juist heel opmerkelijk! Daarom denk ik ook dat een heel ander gevaar de gemeente heeft bedreigd.
Ik schreef hiervóór dat de kerk bij de synagoge in de schaduw staat, in overdrachtelijke zin. In letterlijke zin staat de (Byzantijnse) kerk in de schaduw van de (eveneens) grote tempel van Artemis. Het kleine kerkje staat pal tegen de (ruïne van de) grote, indrukwekkende tempel, uit de 3e eeuw voor Chr. Nu is het best gevaarlijk aan dit geografische gegeven al te gemakkelijk conclusies te verbinden. (In de tijd na Constantijn de Grote zijn zelfs op heel veel plaatsen heidense tempels verbouwd tot grote christelijke kathedralen.) Maar toch komt uit dit alles en uit de brief aan Sardis een bepaald beeld naar boven! Namelijk dat de christenen in Sardis aan hetzelfde gevaar bloot hebben gestaan als de joden in een goed florerende stad waar het leven in velerlei opzicht goed was!
De gemeente van Sardis heeft een goede naam. Zij staat bij de mensen bekend als een levende gemeente (vs. 1). Een gemeente om trots op te zijn; een gemeente waar het fijn is om bij te behoren. In goede aanzien bij en gerespecteerd door de buitenwacht. Christenen namen in Sardis gewoon deel aan het maatschappelijke en economische leven. Zij deelden ook mee in de welvaart van de stad. Van hun overvloed zullen zij ongetwijfeld medechristenen van elders, die het aanmerkelijk minder hadden, hebben laten delen. Er was in
Sardis rust en (wederzijdse!) tolerantie…
Maar de Heere Jezus Zelf kijkt met andere ogen naar deze gemeente dan mensen, zowel van binnen als van buiten de kerk. Hij ziet wat er werkelijk 'leeft' in de gemeente van Sardis. Hij ziet dat ze geestelijk gesproken niet leeft, maar dood is! Een hard en vernietigend oordeel. Het zal je maar gezegd worden! Van alle zeven gemeenten komt de gemeente van Sardis er het slechtst van af. Toch is dit 'zwart-wit'-oordeel van de Heiland niet op haar ondergang, maar juist op haar behoud gericht! 'Weest wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal' (vss. 2-3)… Uit dit alles blijkt dat het uitgesproken oordeel een tussen-oordeel is om de gemeenteleden van Sardis te bewaren voor het grote eind-oordeel, dat zal plaatsvinden bij de wederkomst van de Heere Jezus!. De hier door de Heere Jezus gebruikte beelden, komen overeen met de door Hem vertelde gelijkenissen tijdens Zijn rondwandeling op aarde, en zijn bepaald voor geen tweeërlei uitleg vatbaar! We moeten ons van de ernst hiervan ook niet laten afleiden door de zogenaamde 'dogmatische' discussie of je een dode wel kunt opwekken om wakker te worden en te ontwaken! Dan heb je van Jezus' woorden weinig of niets begrepen!
De gemeente in Sardis heeft een heel andere tijd gekend, nu moet men terug naar dat moment. Terug naar het begin: toen zij het volle, rijke Evangelie gehoord en ook ontvangen hebben. Dat levende en levenwekkende Woord van God dat tot hun behoud dient. Maar dat zaad van het Evangelie is om allerlei oorzaken verstikt, is niet tot groei gekomen en heeft dus ook geen vrucht gedragen (Mark. 4 : 1-20). De gemeenteleden van Sardis, maar ook wij in onze situatie hebben ons eerlijk af te vragen, wat het zaad van het Evangelie in ons leven uitgewerkt heeft. En indien nodig de oorzaken van belemmeringen in bekering en/of geestelijke groei 'op te sporen', en door Gods Geest te laten 'elimineren'. Het gebed om de krachtige doorwerking van de Heilige Geest is daarbij nodig! Zijn er in de gemeente van Sardis dan geen wedergeboren kinderen van God? Gelukkig wel! Er zijn enige weinige namen óók te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben. 'Enige weinige namen': God kent ze bij namen. Hun namen staan geschreven in het boek des levens. Nee, zij zijn geen 'zondeloze' personages, maar zondaren, die mogen weten dat hun klederen wit gewassen zijn in het bloed van het Lam. Zij zijn het niet waardig van zichzelf, maar ze zijn waardig gemaakt en daarom waardig bevonden. Het is toegerekende waardigheid! Dat is ook het geheim van het geloof én de volharding in het geloof. Die ligt vast in Christus bij God, de Vader!
Wat zal het voor deze wáre gelovigen moeilijk geweest zijn in de geestelijk dode gemeente van Sardis. Zullen zij daar geestelijk voedsel gehad hebben? Zullen zij zich buitenstaanders gevoeld hebben te midden van de met zichzelf ingenomen gemeente(leden)? Zullen zij ervaren hebben hoe de werkelijke geestelijke situatie van de gemeente was? Ik denk dat juist zij voor hun gemeente gebeden hebben om een réveil, een geestelijk ontwaken! Persoonlijk, mogelijk ook wel gezamenlijk in bidstonden of gebedskringen. Eén ding is duidelijk: zij zijn op hun post gebleven! Ze hebben niet de gemeente verlaten of hebben zich niet laten 'perforeren' naar een naburige gemeente. Ook dat 'op je post blijven' hoort bij het volharden in het geloof en in de gebeden!
Moeten we niet eerlijk zeggen dat de mate waarin wij bezig zijn met de wederkomst van Christus, een belangrijke graadmeter is voor ons geestelijk leven? Het gaat daarbij concreet om de vraag: ichten we ons op het 'hier-en-nu', op de dingen van déze aarde, óf richten we ons op onze Heere en Heiland én op de zekere beloften van Zijn Toekomst, en zien wij daarom halsreikend uit naar Zijn terugkomst op de wolken van de hemel? Wat moet juist ook deze brief aan Sardis die, samen met de andere brieven uit Openbaring 2 en 3, geschreven is aan 'de kerk van alle tijden en plaatsen', ons niet veel te zeggen hebben. Want de gevaren waaraan de christenen in Sardis bloot stonden, staan ook wij in onze westerse cultuur bloot! Oók al moeten wij dan eerlijk belijden dat we vastzitten aan de dingen, beslommeringen van deze wereld, dan komt een volgende vraag op ons af: oet het in ons leven gaan om een radicale bekering uit onze geestelijke dood; óf om een ontwaken uit een diepe geestelijke slaap, omdat we ook na ontvangen genade, net als de wijze maagden zijn 'ingedut'? (Matth. 25 : 1 - 13)
Juist déze gelijkenis van de Heiland bepaalt ons weer bij deze realiteit! Hoort dan Zijn stem, en neemt het ter harte:
'Zo waakt dan; want gij weet de dag niet, noch de ure, waarin de Zoon des mensen komen zal' (Matth. 25 : 13).

J. Noordam, Nieuwerkerk aan den IJssel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Sardis en de wederkomst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's