De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dienstvaardig tot Zijn eer (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dienstvaardig tot Zijn eer (2)

9 minuten leestijd

Ter inleiding
Heel belangrijk bij het functioneren van de kerkelijk werker is de houding, de attitude. Het geeft vooral kleur aan de manier waarop je iets doet. Als gelovige werk je vanuit een christelijke houding, anders mist het functioneren de meerwaarde van het christen-zijn en vervallen we op zijn best in humanistisch handelen. Dit artikel gaat in op de christelijke houding en hoe deze doorwerkt in het functioneren van de kerkelijk werker. Een christelijke houding komt op vanuit het vernieuwde beeld van God dat door het geloof in Christus in de gelovige in beginsel hersteld is. Volgens Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus kunnen goede werken alleen opkomen vanuit een waar geloof naar de wet van God. Hiermee is de basis dan ook gelegd voor het functioneren in Gods koninkrijk.

De mens, geschapen naar Gods Beeld
In het begin van het boek Genesis vinden we verschillende bouwstenen voor onze visie op het menszijn. God heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. In deze omschrijving vinden we een aanduiding van het wezen van de mens naar Gods bedoeling. De mens is geroepen om als onderkoning over de schepping te zijn. Maar er is meer over te zeggen. WH. Velema schrijft in de Beknopte gereformeerde dogmatiek, dat het Beeld Gods ook te maken heeft met de relatie tussen Vader en kind. Het kind in deze relatie is in het nieuwe Testament de nieuwe mens die geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid (Efeze 4 : 24). Met deze woorden komt ook de Heidelbergse Catechismus in zicht waar Zondag 3 ons laat zien dat de mens als Beeld Gods geschapen is in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Velema schrijft in Meer dan mensenkennis dat in onze tijd de relatie tot de medemens ook belangrijk is. Er is volgens Velema sprake van drie concentrische cirkels. De binnenste cirkel beslaat de relatie tot God, de tweede de relatie tot de medemens, en de buitenste de relatie tot de schepping. Het bederf dat door de zondeval in de relatie met God is binnengekomen heeft gevolgen voor de andere relaties.

De mens geschapen in relaties
A. Noordegraaf vat het geschapen zijn van de mens in relaties in Medemenselijkheid als volgt samen:
1. God stelt de mens in een unieke relatie, een relatie die het tegendeel is van autonomie en zelfgenoegzaamheid. Die relatie is geen lege relatie, maar gevuld door de liefde tussen het kind en de Vader.
2. God roept deze mens tot de dienst der liefde, tot een leven in gemeenschap met Hem, om Hem te loven en te prijzen.
3. God roept deze mens tot heerschappij als koning bij de gratie van God over het geschapene.
Ten slotte wijs ik er nog op dat de mens ook een relatie met zichzelf heeft. Deze relatie bevat geen opgave, maar is een scheppingsgave die vanzelfsprekend is. Je naaste liefhebben als jezelf impliceert zelfliefde.

Is het Beeld van God verwoest?
Aalders schrijft in Herman Friedrich Kohlbrugge over het Beeld Gods in Kohlbrugges theologie het volgende. Het Beeld Gods zou niets zeggen over de mens, maar over God. Het zegt iets over de hoogste gelukzaligheid in Christus. De mens was voor de zondeval 'in het Beeld Gods', en na de zondeval uit dit Beeld Gods gevallen. Is er dan na de zondeval niets overgebleven van het Beeld van God? Artikel 14 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft het over 'kleine overblijfselen' die de mens alle onschuld ontnemen. Deze overblijfselen zijn niet genoegzaam tot zaligheid. Zelfgenoegzaamheid wordt door Kohlbrugge de pas afgesneden, wanneer hij zegt dat de mens door de zonde uit het Beeld Gods gevallen is. Als zodanig is zijn visie op het Beeld Gods dan ook een uitstekend medicijn om de oude mens, die geneigd is God en zijn naaste te haten, op z'n plaats te zetten De 'overblijfselen' van het Beeld Gods hebben betrekking op de mens zelf die op zijn oorspronkelijke roeping blijft aangesproken. A. Noordegraaf formuleert het in zijn boek Meer dan een formule zo dat de 'overgebleven tekenen van het beeld Gods' (Calvijn) geen relativering van de val inhouden, maar een erkenning zijn van de genadebewijzen van God, die de mens ondanks zijn zonde niet loslaat. De mens is toch ondanks zijn diepe val mens gebleven. We spreken dan ook van de algemene genade die weliswaar niet zaligmakend is, maar de mens toch in staat stelt tot cultuurarbeid, tot zedelijk leven en tot aanspreekbaarheid in burgerlijk opzicht.

De nieuwe mens in het Nieuwe Testament
We zagen al dat Efeze 4 : 24 spreekt over de nieuwe mens die geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Voor de invulling hiervan gaan we naar hetgeen Paulus hierover schrijft in de brief aan de Kolossensen. Hoofdstuk 3 laat zien dat, wanneer we met Christus opgestaan zijn, we de dingen moeten zoeken die boven zijn, en niet de dingen die beneden zijn. De oude mens en zijn werken moeten uitgedaan worden zoals een oude jas en de nieuwe aangedaan worden als een nieuwe jas. Vers 10 zegt het zo: 'en aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft'. Wat het nieuwe menszijn inhoudt, wordt nader geconcretiseerd in vers 12 t/m 17. J. P. Versteeg beschrijft het als volgt in Geest, ambt en uitzicht: enszijn in de bijbel is mens-zijn "voor het aangezicht van God". Vernieuwing naar het Beeld Gods mag door de Geest van God verwerkelijkt worden in de gelovigen. Praktisch betekent dit een afleggen van wat tegen God ingaat, als hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte, hebzucht, toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal, leugen en bedrog (Kol. 3 : 5-8). Het betekent positief een zich bekleden met alles wat met Gods wil en wezen overeenstemt: innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld, verdraagzaamheid, vergevingsgezindheid, liefde, vrede en dankbaarheid (Kol. 3 : 12-17).

Het aandoen van de nieuwe mens
Ter illustratie hoe bovenstaande nieuwe jas aangedaan wordt, geeft J.P. Versteeg een aansprekend beeld in Bijbelwoorden op de man af.
Er is een merkwaardig, middeleeuws schilderij. Op dat schilderij staat een 'apotheek' afgebeeld. Adam en Eva staan, alsof ze zo uit het paradijs gekomen zijn, voor de toonbank. Jezus staat achter de toonbank. Zijn gezicht vol barmhartigheid contrasteert met de angsttrekken op het gezicht van Adam en Eva. Jezus is ergens mee bezig. Het recept van het echte menszijn is alleen bij Jezus te verkrijgen. Bij Jezus leren we met de mensen en de dingen omgaan, zoals God dat doet. Bij Jezus worden we echt mens, beeld van God. 'Beeld van God', dat is mandaat krijgen van God. Is er iets denkbaar dat ons zo groot kan maken? Is er ook iets denkbaar dat ons zo klein kan maken? Tot zover Versteeg.
De kenmerken van de nieuwe mens zijn dus niet los verkrijgbaar, het zijn de vruchten die rijpen aan de Wijnstok Christus. Alleen in verbondenheid met de Wijnstok Christus kunnen bovenstaande houdingsaspecten er zijn. Wanneer de verbondenheid met Christus ontbreekt, missen we de diepere dimensie. Wanneer we persoonlijk ervaren dat Christus barmhartig is voor zondaren, dan krijgt het begrip barmhartigheid een diepere dimensie dan wanneer dit begrip in een humanistisch kader staat. Functioneren vanuit dit vernieuwde menszijn geeft meerwaarde aan het kerkelijk werk. Naast bovenstaande 'houdingsaspecten' verkennen we tenslotte de betekenis van het begrip 'gezag' in de Bijbel. Gezag is namelijk een belangrijk aspect met betrekking tot het leidinggeven in de kerk.

De mens als gezagsdrager
Het gezag is aan slijtage onderhevig ook in de kerk, zo constateerden we reeds in het vorige artikel. Van Leeuwen laat ons in Om mens te zijn zien wat bijbels gezag inhoudt. Hij onderscheidt drie vormen van bijbels gezag die hieronder kort uitgewerkt worden, zodat deze gegevens de bijbelse visie op christelijke houding verder completeren.
Het woord 'gezag' komt letterlijk in de bijbel niet voor, wel afgeleide vormen van dit begrip.
Het eerste woord dat we tegenkomen is het woord 'kabood' dat betekent 'gewicht of heerlijkheid'. In dit woord ontmoeten macht, gezag, majesteit en autoriteit elkaar. Het is geen tirannieke of willekeurige macht, maar het gaat over de heerlijke Naam en majesteit van God waarmee Hij de mens geschapen heeft, die versierd was met heerlijkheid en eer (Psalm 8). Van deze mens, die de afglans is van Zijn majesteit, zegt de Heere dat Hij hem een weinig minder gemaakt heeft dan de engelen. De mens mag heersen over de werken van Zijn handen. Van deze mens gaat goddelijk gezag uit.
Het tweede woord dat we tegenkomen is het woord 'chokma' dat wijsheid betekent. De koningin van Scheba verbaasde zich over de 'kabood' en de 'chokma' van Salomo. Deze koning begeerde wijsheid boven macht en eer. De wijsheid waarover Salomo in de Spreuken heeft, is de wijsheid waarvan het beginsel de vreze des Heeren is. Gezag wordt in dit woord meer innerlijk en voegt een andere dimensie toe aan de 'kabood'.
Het derde woord dat we tegenkomen is het woord 'agapè' dat liefde betekent die zichzelf niet zoekt. Deze lijn zien we vooral bij de lijdende Knecht des Heeren, die Zichzelf ontledigde voor zondaren. Hier heeft gezag niets van de krampachtigheid van zelfhandhaving en zelfverdediging, maar is zij geheel dienstbaar.

J. H. Hegeman definieert gezag in Christelijk dienen; een verantwoordelijkheidsethiek voor leidinggevenden als 'iemands gelegitimeerde macht'. Deze legitimatie is hierboven beschreven. Wanneer we het gezag in de kerk toetsen aan het bijbels gezag, is het de vraag maar of dit de toets kan doorstaan. Om weer kerk te zijn met gezag moeten we in de leerschool bij Christus met Zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk gezag.

Kerkelijk werk in het kader van de navolging
Kerkelijk werk doen vanuit een christelijke houding kan alleen vanuit het verbonden zijn met Christus. Jezus zegt zelf: 'leer van Mij dat ik zachtmoedig ben'. Mozes was als type van Christus een man die bij uitstek zachtmoedig was. Als het om de eer van God te doen was, kon hij toornen, maar toen zijn zus Mirjam hem beledigde (Numeri 12) hield hij zich stil. Werken vanuit een christelijke houding kan dan ook alleen in navolging van Christus. Bonhoeffer stelt in Navolging, nadat hij de kostbare genade veilig gesteld heeft, dat navolging alles heeft te maken met innerlijke bereidheid. Deze innerlijke bereidheid is niet los te zien van de liefde tot Christus.
De functionele kant van het kerkelijk werk kan alleen gestalte krijgen vanuit de navolging van Christus, anders ontstaat er een imiteren van Christus waarin de humaniteit de verticale diepgang mist.

Alles in Christus?
Gaat het er bij het werken in de kerk uitsluitend om dat we 'in Christus zijn'? MacArthur stelt in zijn boek Alles in Hem dat de erfenis die we in Christus hebben voor alles toereikend is. Mogen we geen leentjebuur spelen bij seculiere methoden, die het functioneren van de kerkelijk werker professionaliseren? Heeft de 'natuurlijke mens' kwaliteiten in zichzelf? Op deze vragen komen we in het komende artikel terug, waarna we concreter op de functionele lijn van het kerkelijk werk zullen ingaan.

A. Pals, Bleskensgraaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1999

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Dienstvaardig tot Zijn eer (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1999

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's