Globaal bekeken
De laatste tijd is uitvoerig aandacht gegeven aan de perforatiekwestie in de Nederlandse Hervormde Kerk. We tekenden in ons artikel d.d. 25 juni ll. op uit de mond van de hervormde secretaris-generaal, dat er in de provincie Gelderland in 1998 6.000 perforatieaanvragen moesten worden behandeld. Dit (onwaarschijnlijk hoge) aantal behoeft correctie. Om hoeveel gevallen het precies gaat (600?) valt op dit moment niet te zeggen. Wel ontvingen we van bevoegde zijde onderstaand totaaloverzicht van de perforatie per provincies per 1 januari 1999.
[Tabel]
Uit een recent verschenen boek van W. Bergsma, getiteld 'Tussen Gideonsbende en publieke kerk – een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland, 1580-1650' (uitgave Verloren, Hilversum) volgen hier twee passages:
• Ubbo Emmius: dienaar van kerk, onderwijs, wetenschap en geschiedenis
'Bijna tachtig jaar was de grijsaard Ubbo Emmius. Zijn vrienden vonden dat hij het nu kalmer aan mocht doen, maar Emmius' devies luidde: "Een generaal moet in het harnas sterven". Emmius was zichzelf ondanks alles tot zijn levenseinde gelijk. De dood van zijn zoon Egbert in Orleans in 1625 was een zware slag, maar Emmius ging niettemin verder met zijn werk aan de Griekse geschiedenis. Toen hij gekomen was aan het vijftiende jaar van Philippus' regering "voelde hij de barmhartige hand Gods, die hem van zijn post in dit leven rustig wegriep". Gedurende veertig dagen zat hij met zijn boeken bij de haard, gunde zich de tijd om met vrienden te spreken over de zorgwekkende toestand van het vaderland en over zijn verlangen om heen te gaan tot Christus zijn Heiland, opgewekt en kalm, zonder droefheid of vrees. De twee laatste dagen bracht hij door met gebeden en vrome overpeinzingen, gesprekken met vrienden en met zijn bedroefde vrouw en de beide aanwezige kinderen, waarbij zijn stem herhaaldelijk stokte:
God schonk mij een lange dag op aarde; reeds daalt de avond. Die dag heb ik in bescheiden mate besteed aan arbeid, die ik mij naar mijn vermogen geheel en al heb getroost ten bate van Christus' kerk en mijn dierbaar vaderland. Dit ben ik mij terdege bewust en God is mijn getuige. Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, mijn enige Heiland. Dit leven is louter last, ook wat daarin het beste is. Als het beste nu heb ik het altijd beschouwd, indien ik enige moeite mocht verdragen, waaruit enige vrucht en enig heil voor anderen voort mocht komen. Het leven is als het ware de baan van een reiziger, maar hij, die deze baan goed loopt, heeft zijn rust toebereid in de hemel. Reeds aanvaard ik de tocht. "Laat nu Uw knecht in vrede gaan. Heer, want mijn ogen hebben Uw Heil gezien. Uw heil verwacht ik. Heer." Hij die wel geleefd heeft, kan niet slecht sterven, zegt Augustinus. Op een lofwaardig leven, volgde dus een lofwaardig einde en slot.
Toen hij het einde voelde naderen, riep hij vrouw en kinderen; zij knielden neer en Emmius' zoon sprak een gebed uit. Tijdens het bidden hield hij zijn hoofd en bovenlichaam omhoog gericht en riep met luide stem en als het ware met een juichtend hart "Amen, amen". Nog tweemaal sprak hij het woord van Simeon: "Laat nu, o Heer, Uw knecht in vrede gaan".
• Willem Lodewijk, graaf van Nassau (1560-1620)
'In zijn grafrede, tevens biografie, van Willem Lodewijk schreef Ubbo Emmius over zijn vriend: "Wat moet ik zeggen over zijn uitmuntende godsdienstzin, wat over zijn verdere deugden? Naar de ware godsdienst, de goddelijke eredienst en de zuivere leer ging zijn grote liefde uit; bederf daarin haatte hij het meest, daartegen stelde hij zich uit alle macht te weer en hij waakte ervoor, zoveel in zijn vermogen lag, dat dat niet zijn provincies binnensloop of met geweld in bezit nam. Zijn zorg hierom breidde hij, zoveel als de omstandigheden toestonden, ook uit tot de andere provincies en bij het bestrijden van dit bederf dat in Holland en aangrenzende gebieden niet alleen was ontkiemd maar ook al diep wortel had geschoten, was hij voor zijn neef prins Maurits aanspoorder en trouwe helpen In kerkbezoek en preek horen, in nadering tot de sacramenten en in openbare en particuliere gebeden strekte hij de anderen tot voorbeeld en ten aanzien van de hele goddelijke eredienst toonde hij de grootste eerbied. Niet licht stond hij toe dat er zich mensen in zijn omgeving bewogen of dikwijls met hem samen waren van wie hij bemerkte dat zij een wereldse gezindheid hadden, van de rechte leer afkerig waren of daarin lauw waren. En hoewel hij zich jegens allen welwillend en vriendelijk betoonde, schepte hij toch het meest genoegen in de omgang met vrienden van de ware godsdienst. Dezen nam hij liever dan anderen als zijn dienaren aan en hij bevorderde hen tot eervolle openbare ambten of zag erop toe dat dit gebeurde.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1999
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1999
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's