Uit de pers
De Negerhut van Oom Tom
Eén van de eerste boeken die ik lang geleden las was van de Amerikaanse domineesdochter Harriet E. Beecher Stowe (1811-1896): De Negerhut van Oom Tom (1852). Ik weet zeker dat er lezers zijn die ook ooit dit boek hebben gelezen met toenemende deernis om het lot der slaven in sommige staten van Amerika. Harriet Beecher Stowe woonde kort bij de rivier de Ohio. Aan de overkant van deze rivier waren nogal wat slavenhoudende gemeenschappen. En ze kwam zodoende in contact met negerslaven die over de rivier vluchtten. Dat is het begin geweest van haar actie om te komen tot bevrijding van de slaven. Het schrijven van Uncle Tom's Cabin leverde hierin een belangrijke bijdrage. Er ontstond grote spanning tussen de noordelijke en de zuidelijke staten in Amerika wat uiteindelijk leidde tot de afschaffing van de slavernij, eerst in Amerika en later wereldwijd in 1863.
Rond 30 juni en 1 juli (de dag waarop in 1863 de slavernij werd afgeschaft) verzamelen zich veel Afro-Nederlanders om die geschiedenis te herdenken. Er is de laatste tijd een sterk pleidooi gevoerd om een nationaal gedenkteken op te richten ter nagedachtenis aan de vele duizenden slaven ook binnen de Nederlandse samenleving, zij het dat de meesten in onze toenmalige koloniën 'leefden'.
In Transparant, tijdschrift van de Vereniging van Christen-Historici, jaargang 10, juli 1999 nr. 3, wordt aandacht geschonken aan 'de erfenis van het koloniale tijdperk' . Deze aflevering opent met een boeiende bijdrage van prof. dr. J. Douma. Hij schrijft een uitvoerig gedocumenteerd artikel met als opschrift Slavernij in het Nederlandse koloniale tijdperk: waarom een zwarte bladzijde?
Prof. Douma is ethicus en gaat dan ook in op de ethische kant van deze kwestie. De geschiedenis beoordelen, is recht doen aan de doden, aldus prof. Douma. We moeten er altijd voor oppassen de houding van mensen vroeger te beoordelen met maatstaven van vandaag. Eerst brengt prof. Douma daarom de nodige nuances aan bij de neiging al te haastig zware vonnissen uit te spreken over ons nageslacht. Hij geeft informatie over de praktijk van de slavernij en de slavenhandel. Informatief is wat hij schrijft over de route die de negers gingen vanuit de binnenlanden van Afrika naar hun bestenmiing als slaven op de plantages in Amerika. Het totale aantal slaven dat door Nederlanders is vervoerd, wordt op ongeveer een half miljoen geschat, aldus prof. Douma. Daarvan werden er 215.000 naar Suriname vervoerd waar een strak en streng arbeidsregime heerste. 'Het geschreeuw van de ellendigen moet er sterker zijn geweest dan op de eilanden' bijvoorbeeld Curaçao, Bonaire, e.a.).
Prof. Douma beantwoordt dan de vraag vermeld in de titel van zijn bijdrage: dit alles is met recht en reden een zwarte bladzijde in onze koloniale geschiedenis.
'Wanneer ik op grond van al deze gegevens de slavernij in het Nederlandse koloniale tijdperk een zwarte bladzijde moet noemen, is die bladzijde voor mij extra zwart omdat we in dit tijdperk met leidinggevende calvinistische figuren te maken hadden. De leer van dit calvinisme was goed. Van geen kansel in de Nederlanden zal ooit beweerd zijn dat negers geen mensen waren, of dat het huwelijk er alleen voor heren en niet voor slaven was, of dat kinderen niet bij Nederlandse ouders, maar wel bij ouders van slaven mogen worden weggehaald. Maar tussen leer en leven heeft een kloof gegaapt. De koopman won het glansrijk van de dominee, die het vaak ook maar het beste vond zich naar het belang van de heren en niet van hun slaven te schikken.
Toen ik enige tijd geleden Curaçao bezocht, vertelde mij iemand dat er een predikant was die weigerde een voet te zetten in de protestantse Fortkerk, omdat hij maar al te goed wist dat de slaven daar vroeger niet binnen mochten. De heb deze apartheidskerk wel betreden en heb er nog een cadeau aan te danken, nl. het boek van de rooms-katholieke schrijver J. Hartog, die op sympathieke wijze daarin de geschiedenis van het protestantisme op de Nederlandse Antillen beschrijft. Het boek heet Mogen de eilanden zich verheugen. Helaas hebben die eilanden zich niet kunnen verheugen over wat het calvinisme in het koloniale tijdperk te bieden had. Want het calvinisme heeft geestelijk niets geboden. Zij die zich ontfermd hebben over de slaven, waren rooms en niet gereformeerd.
Toen ik het boek had uitgelezen, hebben mijn vrouw en ik een bezoek gebracht aan het monument ter nagedachtenis van de slaaf Tula. Deze slaaf was een van de leiders van de slavenopstand in 1795. Let op het jaartal! De Franse revolutie gaf hoop op bevrijding uit slavernij. De opstand op Haïti in 1791 was een teken aan de wand. Maar de opstand van Tula mislukte en hij werd op gruwelijke wijze gevonnist. Een Franciscaner pater heeft verslag gedaan van het gesprek dat hij met Tula gevoerd heeft. Deze zei tegen hem: "Wij zijn al te erg mishandeld. Wij willen niemand kwaad doen. Maar we willen onze vrijheid. De Franse negers zijn vrij geworden. Holland is ingenomen door de Fransen en daarom moeten wij hier ook vrij zijn (…). Heer Pater, komen alle mensen niet voort uit een vader Adam en Eva? Heb ik er kwaad aan gedaan dat ik twaalf van mijn broeders verlost heb van hun boeien die hun onrechtmatig waren aangedaan? (…). Eens werd ik vastgebonden, ik riep zonder ophouden: genade voor een arme slaaf. Toen ik tenslotte losgemaakt werd, golfde het bloed uit mijn mond. Ik wierp mij op mijn knieën en riep tot God: is het dan Uw wil dat wij zo mishandeld worden? Ach Pater, men draagt meer zorg voor een beest; als een beest een been breekt, wordt het genezen".
Er is een bekend calvinistisch boek met de titel Ongeloof en revolutie. Het legt haarfijn uit wat het verband is tussen het ongeloof en de Franse revolutie. Maar als het over een slavenopstand in een Nederlandse kolonie gaat, heb ik de neiging het verband anders te leggen. Het ongeloof van de gereformeerden om een slaaf ook werkelijk als mens te zien en dienovereenkomstig te behandelen, heeft de revolutie van slaven uitgelokt.
Dat onze handelaren en planters uit de koloniale tijd de slaven niet alleen incidenteel als beesten behandeld hebben, maar ook structureel geen maatregelen hebben genomen die tot waardering van de negers als mensen moest leiden, is m.i. niet te vergoelijken met de opmerking dat zij kinderen van hun tijd waren. Wij mogen hen beoordelen als calvinisten die wisten hoe het moest, maar er niet naar handelden. Dat anderen in Europa het niet beter deden, is geen excuus voor hen die wisten hoe het moest en ook zelf meenden dat ze het beter deden dan de anderen, vooral dan die verfoeilijke roomsen.
Er zijn bovendien zonden die de mensen aanklagen ongeacht of ze in de eerste, in de zeventiende of in de twintigste eeuw leven. Daarop attent maken is niet a-historisch, maar kinderen van hun tijd verantwoordelijk stellen voor wandaden die in alle tijden te veroordelen zijn. Om het beeldend voor te stellen: zou Paulus, de man die in de eerste eeuw na Christus de slavernij niet afkeurde, in de zeventiende eeuw bij inspectie van een Nederlands slavenschip werkelijk hebben kunnen uitroepen: "Zijt gij als slaaf geroepen, bekoimner u daarover niet?" Of zou hij de taal van zijn collega-apostel Jakobus hebben gebruikt en de kapitein en de heren van de WIC in het gezicht hebben geslingerd: Welaan nu, gij rijken, gij die deze mensen nog minder behandelt dan uw vee; gij die alleen op uw eigen winst belust bent, ik verkondig u dat het geschreeuw van deze mensen is doorgedrongen tot de oren van de Here Zebaoth?! Kinderen van hun tijd mogen we beoordelen naar wat ze weten. Welnu, de verantwoordelijke mensen in de Nederlanden uit het koloniale tijdperk wisten van het Evangelie.'
De afkorting WIC staat voor: West-Indische Compagnie, opgericht in 1621. Vooral deze handelsonderneming is berucht geworden om zijn slavenhandel en slavenarbeid voor de koloniën in de West.
Er was wel kritiek binnen het calvinisme onder ons volk, aldus prof. Douma, maar het had niet veel kracht. Het bleef veelal bij woorden. In een noot meldt hij dat Smytegelt, ondanks zijn protest tegen de slavenhandel, zijn aandelen WIC bleef houden.
'Helaas hebben de Nederlanders niet een soort Paulus in hun midden gehad. Op slavenschepen voeren ook geen dominees mee, voorzover ik heb kunnen nagaan. En dan nog moet iemand de moed hebben zijn stem te verheffen en vooral zijn stem te blijven verheffen. Geen Rivet met zijn waarschuwing tegen de gruwelijke zonde van de slavenhandel (rond 1650), geen Udemans met zijn Geestelyck Roer van 't Coopmans Schip, geen Voetius met zijn aanval op de "dienstbaerheyt, gebruycklick in Oost- en West-Indien" (1653), geen De Mey met zijn geschrift tegen het kopen en verkopen van mensen (1661), geen De Raad (1665), die weet hoe gezinnen van slaven worden uiteengescheurd, geen Hondius met zijn verkoop van mensen alsof het beesten waren en geen Smytegelt die fulmineerde tegen het stelen van mensen (1756), hebben hun stem zo krachtig en zo hardnekkig verheven als nodig was om de schande van de slavenhandel en slavernij in onze koloniën aan de kaak te stellen. Hun taal was duidelijk genoeg, zodat niemand die in de Nederlanden verantwoordelijk was voor wat er in de koloniën gebeurde, kon zeggen: ik heb het niet geweten. Maar hun kracht heeft geen storm, hooguit een rimpeling in de samenleving veroorzaakt. Het is de armoede van de Nederlandse calvinisten geweest dat niet één profeet uit hun midden is opgestaan om de wandaden van de slavernij met dezelfde ijver aan de kaad te stellen als waarmee zij roomsen en remonstranten de les hebben gelezen.
We krijgen veeleer de indruk dat de ellende van de slavernij werd toegedekt. Niet Smytegelt, maar zijn tijdgenoot en als even zuiver calvinistisch bekend staande Joh. van der Kemp zal de toon aangeven, door in een van de meest algemeen verbreide catechismusverklaringen nog wel te spreken over mensenhandel van die slechte Jezuïeten en monniken, die gereformeerde kinderen roven, maar daaraan toe te voegen dat de zonde van mensendieverij "onder ons niet veel plaats heeft".'
'Aan de afschaffing van de slavernij hebben christenen als Wesley, Wilberforce en Harriet Beecher Stowe meegewerkt door hun vlammende evangelisch geïnspireerde protesten', aldus Douma. Wesley sprak over 'the god of gain' als het grote idool achter de hele slavenhandel. Een mensenhandel die in het geheel niet met het christendom te rijmen viel.
'Heeft een beschouwing over de slavernij als een zwarte bladzijde in onze koloniale geschiedenis vandaag nog actuele betekenis? Ja, want het onderwerp duikt voortdurend weer op. Zelfs is er onlangs gevraagd dat de kerken alsnog schuldbelijdenis zouden afleggen voor wat onze voorouders misdaan hebben. Ik vind dat schuldbelijdenis honderd vijftig jaar na de afschaffing van de slavernij rijkelijk laat is. Het had al eeuwen eerder gekund en gemoeten, maar het is er niet van gekomen. Wie echter meent dat het alsnog moet, heeft meer werk te doen. De geschiedenis van ons vaderland, ook die van onze vaderlandse kerken biedt dan stof voor vele boete- en bededagen. Waar moeten we beginnen en waar eindigen? De vind schuldbelijdenis voor zaken die afgesloten zijn, irreëel.
Maar niet irreëel is het om in de historiografie ernaar te streven een zwarte bladzijde ook als een zwarte bladzijde te tekenen en haar niet grijs te gaan maken door van schanddaden te zeggen, dat de bedrijvers ervan kinderen van hun tijd waren. Er is zonde die de mens aanklaagt, ongeacht of hij in de eerste of in de twintigste eeuw leeft. Er is nog iets wat ik graag zou willen. Mij bleek dat er momenteel in Nederland een advies wordt voorbereid voor een monument ter nagedachtenis aan de slavernij in Nederland. Ik zou het oprichten van zo'n monument ter nagedachtenis van een half miljoen naamloze slaven van harte toejuichen. Dat kan heel Nederland herinneren aan de schande van de slavernij. En als het tot onthulling van zo'n monument mocht komen, zal het goed zijn dat ook de kerken – zeker ook de gereformeerde kerken – acte de presence geven. Wat er gebeurd is, vraagt niet om een schuldbelijdenis over wat er in het grijze verleden gebeurd is, maar om een herinnering die levend wordt gehouden met het oog op de toekomst. Want de slavernij is wel uitgebannen, maar niet het kwaad dat eraan ten grondslag ligt, nl. dat de ene mens over de andere heerst en hem uitbuit of zelfs vernietigt. Wij zien dat in allerlei vormen in elke eeuw terugkeren, tot op vandaag toe. Het Evangelie is duidelijk genoeg, omdat het ons wil leren dienen in plaats van heersen. Maar onze eigen geschiedenis is ook duidelijk genoeg om ons eraan te herinneren hoe moeilijk het was en is om het spoor van Jezus Christus te volgen.'
Het artikel van prof. Douma is de moeite waard gelezen te worden. Juist ook vanwege de actuele spits die hij in het slot van zijn bijdrage aanbrengt. Het willen heersen in plaats van te dienen zit ons nog altijd in het bloed. Ik ben onder u als één die dient, leren we van onze Meester die juist aller dienaar werd. De gestalte van een slaaf nam Hij vrijwillig aan. Om ons, slaven, van de slavernij te bevrijden. Het is juist daarom onbegrijpelijk dat dit Evangelie van de bevrijding ons niet meer en steeds weer de ogen opent voor allerlei vormen van knechting die we elkaar in deze wereld aandoen.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1999
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1999
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's