Omgaan met de natuur (4)
Grond
Grond is in feite verweerde rots. Verwering ontstaat door temperatuurschommelingen. Het oppervlak wordt overdag heet en koelt 's nachts sterk af. Dat geeft spanningen in het oppervlak: uitzetten en inkrimpen. Er ontstaan scheuren en scheurtjes en hele brokken rots vallen ten slotte tot gruis uiteen. Ook water speelt bij het verweringsproces een grote rol. De stenen en het puin worden naar lager gelegen regionen afgevoerd.
Niet alleen natuurkundige aspecten spelen een rol bij de verwering. Ook scheikundige en biologische processen dragen een steentje bij. Onder invloed van water wordt het bergmateriaal afgevoerd en hoe verder van de bron van herkomst des te fijner de gronddeeltjes worden. De korrelgrootteverdeling of granulaire samenstelling van de primaire gronddeeltjes kan worden onderscheiden in deeltjes kleiner dan 2 mu (1 mu = 0,001 mm) die men lutum noemt; die tussen 2 en 50 mu worden silt en van 50 tot 2000 mu worden zand genoemd. Deeltjes groter dan 2000 mu = groter dan 2 mm noemt men grind. Zo zal een redelijke kleigrond bv. 20 of 30% lutum bevatten en een zandgrond vrijwel niets.
Van veel belang is hoeveel organische stof in de grond voorkomt. Organische stof is van biologische aard; meestal voorheen afgestorven plantendelen. Men kan dit vaststellen door een grondmonster te laten verbranden, te gloeien. Stuifzand heeft bijv. 1 % of minder organische stof.
Bodemleven
Onder bodemfauna verstaat men de dieren die in de grond leven en daar ook hun voedsel zoeken; niet de dieren die slechts periodiek een onderkomen in de grond vinden. Daar alle dieren voor hun energie direct of indirect aangewezen zijn op afbraak van plantaardig voedsel, kan men zich de bodemfauna niet voorstellen zonder een begroeiing met de daarbij behorende beworteling. De afbraak van organische stof in de grond geschiedt het snelst onder weinig extreme omstandigheden, omdat dan een groot sortiment dieren aan de afbraak kan deelnemen. In het algemeen kan men zeggen dat in een zuur milieu schimmels en springstaarten een grote rol spelen, terwijl in een zwak tot alkalisch milieu bacteriën, actinomyceten, mijten en regenwormen een belangrijke plaats innemen.
Al naar de beweeglijkheid kunnen we het leven in de grond in vier groepen indelen:
a. het niet actief verplaatsbare leven; hieronder vallen de bacteriën, de actinomyceten en de schimmels;
b. het leven dat zich alleen in het bodemvocht kan verplaatsen, bijv. protozoën, ciliaten en flagellaten;
c. het leven dat zich kan verplaatsen in bestaande poriën en hoogstens deze poriën een beetje kan verruimen, bijv. de meeste nematoden;
d. het leven dat zich actief door de grond heen beweegt en zich hierbij een weg baant door op grote schaal gronddeeltjes te verplaatsen. Van de groep die grond het darmkanaal kan laten passeren, zijn de regenwormen wel de voornaamste vertegenwoordigers.
Enkele gegevens over de leefwijze van groepen bodemdieren
Nematoden vormen een groep waarvan wel meer dan 300 soorten bekend zijn, maar waarvan er slechts 20 tot 30 veelvuldig voorkomen. De meesten zijn carnivoor; de grotere soorten consumeren ook de kleinere. Voor de fysische eigenschappen van de grond is een grote verscheidenheid van nematoden van groot belang teneinde poriën van een grootte van 3 tot 30 mu in de grond te verkrijgen. In bouwland kunnen 1.000.000 nematoden per vierkante meter voorkomen met een gewicht van 1 gram.
De regenwormen zijn voor de verplaatsing van de minerale delen de belangrijkste groep van de ongewervelde dieren, omdat deze met het organische voedsel zo'n grote hoeveelheid niet-organisch materiaal opnemen.
Het aantal en de soorten wormen zijn afhankelijk van de oecologische omstandigheden waarbij een niet extreem milieu in het algemeen gunstig is voor het leven van de regenwormen. De kleinere soorten leven over het algemeen in de intensief doorwortelde bovenste laag van de bodemprofielen; slechts de grotere soorten zoals bijv. Lumbricus terrestris en Allolobophora longa kunnen tot grote diepte (wel tot 1,50 m) in de grond doordringen. Dit gebeurt niet om voedsel te zoeken, maar om zich te vrijwaren tegen uitdroging. De regenwormen zijn zeer gevoelig voor uitdroging. Dit heeft tot gevolg dat men de regenwormen alleen boven de grond ziet, als het regent of wanneer 's nachts de relatieve luchtvochtigheid 100% is.
Een voorbeeld om een beeld te geven hoeveel grond per jaar door de wormen verplaatst kan worden. Een worm laat per dag ongeveer zijn eigen gewicht zijn darmkanaal passeren. Wanneer men beseft dat per jaar op goed verzorgd, goed ontwaterd, oud grasland en op boomgaardgrond gemakkelijk 2000 kg wormen per hectare kunnen voorkomen en dat deze ongeveer 300 dagen per jaar actief zijn (alleen bij vorst en uitgesproken droogte gaan de wormen in een rusttoestand over) dan kan dus 600.000 kg grond per jaar het darmkanaal van de wormen passeren. Dit betekent dat op een bovengrond van 3.000.000 kg eens in de 6 jaar deze bovengrond in zijn geheel één keer het darmkanaal van de wormen passeert. Slechts een klein gedeelte hiervan wordt aan de oppervlakte gebracht.
Van de gewervelde dieren is de mol (Talpa europaea) de belangrijkste vertegenwoordiger omdat deze geheel in de grond leeft en daar ook zijn voedsel zoekt. Voor het verzamelen van voedsel legt de mol een uitgebreid gangenstelsel aan, dat hij elke 3 à 4 uur afloopt. Zijn lichamelijke prestaties zijn enorm, maar zijn voedselbehoefte is dan ook buitengewoon groot. Elke dag consumeert hij ongeveer zijn eigen gewicht aan voedsel, waarbij hij in tegenstelling tot de wormen geen minerale delen opneemt, maar ontdoet de wormen zelfs op vakkundige manier van de minerale darminhoud. Slechts op droge gronden moet de mol genoegen nemen met voornamelijk insecten, maar in het algemeen maken wormen tot 90% van zijn voedsel uit.
Behalve dierlijk leven is ook het plantaardige leven in de grond zeer sterk ontwikkeld. Het gaat hierbij wat de schimmels betreft bijv. om één of enkele honderdduizenden per gram grond. Daar komen dan de microben nog bij en dat gaat nog eens om miljoenen per gram grond.
Volgens Stöckli bevatten de bovenste 15 cm van grasland van middelmatige kwaliteit globaal de volgende hoeveelheden en gewichten aan kleine bodemorganismen.
[Tabel]
De verspreiding van de plantensoorten houdt ten nauwste verband met de bodem, de grondsoort, de chemische en fysische eigenschappen hiervan, structuur, wateren warmtecapaciteit e.d.
Op kalkrijke grond blijkt bijv. een zeer gevarieerde flora voor te komen. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de kalk de humuszuren neutraliseert, waardoor een gunstige invloed op de structuur van de grond wordt verkregen (kruimelstructuur) en een luchtige, vaak rulle bovengrond ontstaat.
Typische kalkminnende soorten zijn bijv. Bitterkruid, Wondklaver, Driedistel, Hondstong, Kleine bevemel, Kegelsilene, Steentijm, Vogellijm.
Hiertegenover staan kalkvliedende of kalkmijdende soorten, zoals Adelaarsvaren, Struikheide, Brem, Zandblauwtje, Schapenzuring, Grauw buntgras, Stekelbrem, Vingerhoedskruid.
Er zijn ook soorten, die elementen als bijv. zink verdragen. In het Geuldal in Zuid-Limburg treft men o.a. Zinkviooltje, Boerekers en Engels gras in een speciale variëteit 'oecotype' aan, die duidelijk groeien in de winterbedding van de Geul. Tegenwoordig ziet men het zo, dat andere daar in de omgeving voorkomende plantensoorten niet bestand zijn tegen zinkzouten en te gronde gaan of in concurrentiekracht afnemen, terwijl de genoemde soorten hiervoor tolerant zijn. Er is dus minder sprake van een behoefte aan zink; de soorten zijn zonder concurrentie ook elders te kweken.
Zoutminnende soorten, dus soorten die in de natuur alleen in een zout milieu groeien (obligate halophyten) zijn o.m. Zeekraal, Zeeraket, Zeealsem, Lamsoor, Zeepostelein, Schorrekruid, Biestarwegras. Langs wegranden komen, waarschijnlijk ten gevolge van het strooien van zout, Engels gras en Deens lepelblad voor. Voorbeelden van zgn. facultatieve halophyten, d.w.z. plantensoorten die zowel op zouthoudende als op zoutvrije grond voorkomen, zijn o.a. Zilverschoon, Zeezuring, Zeebies, Riet.
Bij de akkeronkruiden treft men een aantal soorten aan, die een sterke stikstofbehoefte hebben, bijv. Witte ganzenvoet, Zwarte nachtschade, Muur. Dit geldt ook voor Brandnetels en Witte Dovenetel. Soorten die een in het algemeen voedselrijke grond prefereren, zijn bijv. Berenklauw, Fluitekruid en Knolboterbloem.
Naar gelang van de chemische samenstelling van het water ziet men ook bij de waterplanten (hydrophyten) dat in voedselrijk (eutroof) water andere soorten optreden dan in voedselarm (oligotroof) water.
Verschil in klimaat en bodem bepaalt ook binnen onze landsgrenzen het optreden van plantensoorten. In onze duinen treft men op de Waddeneilanden een klimaat aan met koele zomers en relatief koude winters, terwijl de duinen ten zuiden van Hoek van Holland gemiddeld warmere zomers en mildere winters hebben. De bodem ten zuiden van Bergen is kalkrijk, noordelijker kalkarm. Ook de grondwaterstand is verschillend: op het vasteland heeft men in het algemeen verdroogde of verdrogende duinen, terwijl die op de eilanden minder ontwaterd tot nat zijn. Dit geeft verschillen in de flora: in het zuiden vindt men bijv. Zee wolfsmelk en Gele hoompapaver; in het noorden Kraaiheide, Zevenster, Berendruif en Rijsbes.
P. Zonderwijk, Bennekom
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1999
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1999
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's