Omgaan met de natuur (5)
Enkele gegevens over de biologie van de akkerdistel, een door velen gehate plant
Aangezien de akkerdistel (Cirsium arvense) een groot verspreidingsgebied heeft, omvattende Europa, Azië en Noord-Amerika (hier geïmporteerd) treedt er een grote veelvormigheid bij de soort op. Ook in Nederland komen een aantal variëteiten en vormen voor. Zeer algemeen en vermoedelijk inheems in Nederland is Cirsium arvense var. horridum, fo. subhorridum. Bij deze akkerdistel werd onderzoek door D. Bakker verricht in de Noordoostpolder.
De akkerdistel is een tweehuizige plant: meeldraad- en stamperbloemen komen op verschillende planten voor. De vrouwelijke exemplaren zijn in het algemeen talrijker; de verhouding is ongeveer als 3 : 1. Alleen tijdens de bloei is het onderscheid vast te stellen. De vrouwelijke bloemen zijn kleiner dan de mannelijke en gedeeltelijk anders van kleur. Na de bloei zijn de vrouwelijke bloemen te herkennen aan vuilwit vruchtpluis, dat uit de hoofdjes steekt; dit ontbreekt bij de mannelijke.
De bloei valt in juni en juli; in augustus en september heeft soms enige nabloei plaats in hoofdzaak bij planten die in de voorzomer zijn afgemaaid.
Disseminatiecapaciteit
(= het vermogen om d.m.v. diasporen de afstand tussen de oorspronkelijke groeiplaats en het punt van vestiging te overbruggen).
Bij soorten met vruchten of zaden die over een zweefinrichting beschikken, geldt vooral de wind als belangrijke factor bij het lange-afstandstransport. Hoewel de wind als een belangrijk agens kan worden opgevat voor het transport bij veel composieten, waarvan de vruchten van een zweefinrichting zijn voorzien, is de akkerdistel blijkens het onderzoek van Bakker toch geen typische windverspreider.
Op het moment van het verlaten van het vruchtpluis (ca. 3 cm lange geveerde haarkrans) van de moederplant is nl. al 90-95% van de zaden door hygroscopische bewegingen afgebroken van de haarkrans, die als zweefinrichting dienst doet, en blijft in de bloemhoofdjes achter. De meeste zaden belanden dan ook in de onmiddellijke omgeving van de moederplant. Slechts een klein gedeelte kan een afstand van enkele kilometers overbruggen. Zo werd in een proef in de NOP vastgesteld, dat op 10 m afstand van de moederplant nog hoogstens 5-10% van de pluizen een zaad droeg; op 1 km afstand ca. 0,1% en op 2 km afstand minder dan 0,01%. Opgemerkt moet nog worden dat de vruchtzetting in de bloembodems vaak ongunstig wordt beïnvloed door het erin voorkomen van larven van galmuggen, vliegenmaden en keverlarven.
Kieming van het zaad
In augustus verlaten de zaden de uitgebloeide vrouwelijke bloemhoofdjes. Als regel is het zaad dan nog onvoldoende nagerijpt om dadelijk te kunnen ontkiemen. Bij het merendeel is nl. een narijpingsperiode van enige maanden noodzakelijk. De temperatuur buiten is dan doorgaans te laag geworden voor het kiemen. De narijping is evenwel van betekenis voor de generatieve voortplantingsmogelijkheid van
de soort, want als het zaad in augustus zou kiemen, kunnen de kiemplanten voor het invallen van de eerste strenge nachtvorst geen overwinteringsorganen meer vormen. Hiervoor zijn tenminste 3 maanden zomerse temperaturen en veel licht noodzakelijk. De meeste zaden ontkiemen in april en mei van het volgende jaar, wanneer sterke temperatuurschommelingen optreden, vooral bij oyerdag boven 25 graden C en 's nachts niet beneden 5-10 graden C. De maximale kieming vindt in de bovenste centimeter van vochtige grond plaats. Het zaad kan in de grond – maar ook in water – verscheidene jaren zijn kiemkracht behouden. De kiemplanten zijn in het begin uiterst kwetsbaar. Bij voldoende vocht en licht kunnen in de zomer na twee maanden knoppen op de hoofdwortel ontstaan, waaruit horizontaal groeiende wortels voortkomen. Dit zijn de organen voor de actieve vegetatieve voortplanting, die zich steeds verder kunnen vertakken. De akkerdistel heeft voor zijn kieming in principe open grond nodig. Als pionier heeft de plant een optimale ontwikkeling. Beschaduwing belemmert de groei van de lichtbehoeftige kiemplanten. Vestiging in grasland is niet mogelijk in percelen met een goed gesloten zode, maar wel in onverzorgde graslanden met bijv. molshopen die niet geslecht worden of in door vee stukgetrapte plekken.
De akkerdistel als voedselbron
Hoewel overzichten voor Nederland niet bestaan, mag op grond van West-Europese en Canadese waarnemingen worden aangenomen dat in ons land ten minste een honderdtal plantenetende insectensoorten op de akkerdistel voorkomen. Verder is het waarschijnlijk, dat het werkelijke aantal op producten van deze plant (honing, stuifmeel) foeragerende insectensoorten in de honderden loopt. Ook is het erg aannemelijk dat een even groot aantal insectensoorten als parasiet of als predator van de eerder bedoelde soorten leeft en daardoor indirect afhankelijk is van de akkerdistel.
Alleen al wat de insecten betreft – en dan nog alleen maar die welke direct of indirect van levende planten afhankelijk zijn – telt de met de akkerdistel verbonden fauna in ons land derhalve ten minste enige honderden soorten.
Wat de plantenetende insecten aangaat, betreft dit vooral soorten uit de groepen sprinkhanen en krekels (Orthoptera), tripsen (Thysanoptera), wantsen en bladluizen c.s. (Hemiptera), kevers (Coleoptera), vlinders (Lepidoptera) en vliegen c.s. (Diptera); met betrekking tot de hierop parasiterende en predaterende insecten vooral vliesvleugeligen (Hymenoptera) bijv. sluipwespen en vliegen (Diptera), vooral zweefvliegen.
Als foerageerplant is de akkerdistel voor insecten van belang als nectarproducent. Door de hoge nectarproductie, de lange bloeitijd, de gemakkelijke bereikbaarheid van dit voedsel en de opvallende bloei wijze (relatief groot aantal, vrij sterk geurende en helder paars-rood gekleurde bloemen) vormt de akkerdistel een belangrijke, zo niet de belangrijkste voedselbron voor alle mogelijke groepen van nectareters: hommels, bijen, zowel kort- als langtongige dag- en nachtvlinders, vliegen, wespen en ook wel kevers. Ook voor stuifmeeleters (naast hommels en bijen vooral ook kevers) is de soort vanwege de rijke en langdurige bloei van aanzienlijke betekenis. De akkerdistel wordt als voedselbron voor veel organismen onder zijn verwanten alleen min of meer geëvenaard door de overigens minder algemene Kale jonker.
Verdere bijzonderheden,
in het bijzonder over de relatie plant/insect. Tot nu toe is slechts een beperkt aantal groepen van organismen, en dan nog alleen behorend tot de insecten en direct levend van de akkerdistel genoemd. In het hiernavolgende zal kort een aantal uiteenlopende groepen van organismen en hun afhankelijkheid van de akkerdistel ter sprake komen. Het doel daarvan is de veelzijdigheid van de met de akkerdistel geassocieerde organismen nader te belichten, waarbij onder andere wat meer aandacht wordt gegeven aan de onderlinge relaties tussen die organismen. De keuze van de besproken groepen is willekeurig en noodzakelijkerwijs beperkt. Er wordt alleen uitgegaan van organismen die afhankelijk zijn van de levende distelplant. Daarnaast zijn er dus nog talrijke andere organismen, die weer van de eerste afhankelijk zijn.
Lagere planten
Een aantal lagere planten, onder andere schimmels, worden op de akkerdistel aangetroffen (o.a. de roest Puccinia punctiformis). Soms scheiden deze een dikke, zoete vloeistof af waarop allerlei kleine insecten afkomen om te foerageren. Omgekeerd zijn er ook schimmels (de Entomophthorales en Clavicipitales) die op insecten parasiteren die van de akkerdistel afhankelijk zijn.
Hogere planten
De Bleke bremraap (Orobanche reticulata) is de enige hogere plant die in ons land op de akkerdistel parasiteert. Deze soort is in Nederland zeer zeldzaam en is alleen bekend uit het gebied der grote rivieren (Fluviatiel district) en uit Zuid-Limburg (Krijtdistrict). Zij parasiteert ook wel op andere Cirsium- en op Carduussoorten.
Bijen, hommels, wespen
Bijen, hommels, wespen, mieren en andere Hymenoptera foerageren veelvuldig op de akkerdistel of leven van andere insecten die van de akkerdistel afhankelijk zijn. Zij worden op hun beurt belaagd door verwante parasitaire Hymenoptera en door bepaalde, vertegenwoordigers der vliegen (Diptera), kevers (Coleoptera) en andere. Deze parasitaire Hymenoptera, bv. wespen, worden behalve door wéér andere Hymenoptera gepredeerd door roofvliegen (Asilidae) en geparasiteerd door blaaskopvliegen (Conopidae), wolzwevers of hommelvliegen (Bombyliidae), waaiervleugeligen (Strepsiptera) en andere.
Vliegen
Verschillende vertegenwoordigers van de Diptera leven op de akkerdistel. Andere Diptera, zoals hommel-, blaaskop- en sluipvliegen (Bombyliidae, Conopidae, Tachinidae) leven als larve parasitair op andere insecten zoals wespen en bijen, rupsen van dag- en nachtvlinders en nymfen van sprinkhanen, die op hun beurt voor een deel foerageren op akkerdistels of leven van onder andere op akkerdistel voorkomende Diptera.
Andere groepen van insecten
Talrijke andere insectensoorten zijn direct of indirect met de akkerdistel verbonden. Genoemd kunnen worden tripsen, sprinkhanen, bladluizen, wantsen, galmuggen, mieren. Van de vele vlinders (zowel macroals zeker ook microlepidoptera), die geassocieerd met de akkerdistel voorkomen, is vanwege zijn lange-afstandsmigratie de distelvlinder (Vanessa cardui) vermeldenswaard. Vlinders en vooral ook hun rupsen dienen tot voedsel voor vertegenwoordigers uit vrijwel alle andere insectenordes, voor schimmels, vogels, enz. Er ontstaat in Nederland een zomergeneratie van de distelvlinder dankzij het bestaan van de distels. Op hun beurt worden de belagers van al deze groepen weer belaagd door allerlei andere (hyper)parasieten en predatoren.
Invloeden op de akkerdistel
Vooral de wantsen, cicaden, bladluizen, kevers en vlinders (i.c. de rupsen daarvan) tellen vele soorten die schade kunnen toebrengen aan de akkerdistelplant. Met name betreft dit verschillende kevers, zoals de haantjes Haltica carduorum en Cassida rubiginosa en de snuitkever Ceutorrhynchus litura. Cassida rubiginosa kan plaatselijk zo talrijk zijn dat deze akkerdistelplanten geheel ontbladert; de beide andere' soorten worden in het buitenland onderzocht op hun mogelijkheden tot biologische bestrijding van de akkerdistel.
Soorten uit andere groepen, onder andere boorvliegen en galmuggen, brengen schade toe aan de vruchtzetting en -ontwikkeling, vooral in oudere akkerdistelvestigingen. Zo is in Frankrijk en Noord-Amerika geconstateerd, dat de boorvlieg Orellia (Trypeta) ruficauda tot 70% van het distelzaad kan vernietigen. Zijn verwant Urophora (Euribia) cardui, die eveneens ook in Nederland voorkomt, veroorzaakt stengelgallen die de plant dusdanig aantasten dat deze soort in Canada onderzocht wordt op zijn nut als biologische bestrijder. Een dergelijk perspectief lijkt ook de galmug Jaapiella cirsiicola te bieden.
De schimmel Puccinia punctiformis tast de akkerdistelplant ook sterk aan. Deze roest ('sweet rust', afkomstig uit onder andere Nederland), is in Canada na onderzoek geschikt bevonden als biologisch bestrijdingsmiddel op beperkte schaal.
Onder Nederlandse omstandigheden vallen biologische bestrijdingsmaatregelen in het vrije veld over het algemeen gesproken nog niet mee. De 'bedrijfszekerheid' is als regel niet groot genoeg.
Biologisch gezien blijft de akkerdistel een indrukwekkende plant.
P. Zonderwijk, Bennekom
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1999
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's