De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Omgaan met de natuur (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Omgaan met de natuur (6)

7 minuten leestijd

Levensgemeenschappen
Er is een opmerkelijke overeenkomst tussen de opbouw van een levensgemeenschap en die van een levend wezen. De meeste planten en dieren zijn evenals de mensen opgebouwd uit cellen. Grote groepen cellen die aan elkaar gelijk zijn werken samen in een weefsel. Verschillende soorten weefsels vormen met elkaar een orgaan. Zo'n orgaan verzorgt, een bepaalde functie. Alle organen bouwen het organisme op. De besturing van zo'n organisme als één geheel kan dan ook niet volledig zijn wanneer het functioneren van de afzonderlijke organen van de weefsels en van de cellen daar niet bij betrokken is geweest.
In hun natuurlijke milieu zijn de organismen ook weer onderdelen van een groter geheel, waarbinnen zij op velerlei manieren van elkaar afhankelijk zijn. Planten en dieren van verschillende soorten vormen samen een levensgemeenschap, een biocoenose. Om de vaak ingewikkelde verhoudingen binnen zo'n gemeenschap te kunnen begrijpen zal men de studie moeten beginnen bij de afzonderlijke soorten. Van iedere natuurlijke levensgemeenschap maken de groene planten het fundament uit. Zij alleen zijn in staat hun lichaam op te bouwen uit stoffen die in de atmosfeer en in de aardkorst aanwezig zijn, water en koolzuurgas. Als energiebron benutten zij hierbij het zonlicht. Geen enkel dierlijk wezen is tot zo'n opbouw in staat. In de dierlijke stofwisseling moet juist energie worden vrijgemaakt uit opgenomen organisch materiaal. De stoffen waarin deze energie in gebonden vorm voorkomt zijn uiteindelijk alle van de groene planten afkomstig.
Niet elk plekje van de aarde is geschikt voor plantaardig leven. In de eerste plaats moet daarvoor water aanwezig zijn, met daarin opgelost bepaalde minerale verbindingen in niet te hoge concentratie. Ook moet er zuurstof voorkomen. Vervolgens moet de temperatuur geschikt zijn, dus niet te hoog en niet te laag. Ten slotte is voor het bestaan van groene planten het licht een noodzakelijke voorwaarde. Toch kunnen ook in het donker wel enkele levensvormen gevonden worden. In de volkomen duistere diepzee bijvoorbeeld worden dieren aangetroffen. Maar zij zijn sterk afhankelijk van de voedselmassa die in de door de zon beschenen waterlagen aan de oppervlakte geproduceerd wordt en daaruit bezinkt. In een donkere grot moet het voedsel voor de daarin aanwezige fauna van buiten worden aangevoerd, bijvoorbeeld met het water van de rivier die door de grot stroomt of door dieren die in de grot huizen maar erbuiten op jacht gaan.
De plaats waar zich een levensgemeenschap bevindt, heet biotoop. Binnen dezelfde biotoop zijn de biotische en de abiotische factoren overal op dezelfde wijze werkzaam.
Veel levensgemeenschappen bestaan slechts tijdelijk. De organismen hebben inmiers niet alleen invloed op elkaar maar ook op hun niet levende omgeving. Deze kan daardoor zó veranderen dat ze voor sonmiige leden van de gemeenschap onbewoonbaar wordt. Er verdwijnen bepaalde soorten die plaats maken voor andere. Zo zullen verschillende levensgemeenschappen elkaar opvolgen in dezelfde biotoop. Er vindt een successie plaats die net zo lang doorgaat tot er een evenwichtstoestand is bereikt. Hierin zullen de levende wezens van de gemeenschap en de natuurkundige en scheikundige factoren van het niet levende milieu geen veranderingen meer ondergaan. Deze evenwichtstoestand wordt climax genoemd. Het climaxstadium is de eindtoestand van een bepaalde successie.
Kleine veranderingen in het milieu kunnen al aanzienlijke verstoringen van de evenwichtstoestand teweeg brengen. Vaak is het de mens die zo'n verandering veroorzaakt.
Sommige diersoorten kunnen zich slechts met één bepaalde plant voeden. Het is duidelijk dat zij in hun verspreiding volledig van de voedsterplant afhankelijk zijn. Andere dieren hebben een binding aan een zeer bepaald milieu door de eisen die zij stellen aan de temperatuur, aan de samenstelling of de stroomsterkte van het water, aan de structuur van de grond of aan de aard van de begroeiing. De onderlinge afhankelijkheid van planten en dieren geldt niet alleen boven de grond, maar ook erin. Regenwormen, bodeminsecten, maar ook schimmels en bacteriën spelen een beslissende rol bij de afbraak van het organisch materiaal dat na de dood van een organisme vrijkomt. Zo beïnvloedt de levensgemeenschap de structuur van de grond. Men kan vaak aan het bodemprofiel een bepaalde plantengemeenschap herkennen.
Ofschoon elk dier in zijn bestaan afhankelijk is van groene planten, zijn niet alle dieren planteneters. De organische verbindingen die in de groene planten gevormd worden zijn het uitgangspunt van voedselketens, waarin een aantal verbindingen telkens van het ene naar het andere organisme wordt doorgegeven. Aan het einde van zo'n voedselketen staan de roofdieren, vaak ook de mens.
In het overbevolkte Nederland wordt door toedoen van de mens het eindstadium van de natuurlijke successie bijna nooit bereikt. Onder invloed van diverse beheersmaatregelen zijn vaak bijzondere levensgemeenschappen ontstaan, zowel op akkergronden als in weilanden. Soms zijn die zo aantrekkelijk dat men ze door het nemen van bepaalde maatregelen probeert te behouden. Ook de heide is een gevolg van het optreden van de mens. Het oorspronkelijke bos heeft plaats moeten maken voor de open heidevlakte ten behoeve van de schapenteelt. Toen de schapenhouderij op heidevelden niet langer lonend was, moest de beheerder ook hier bijzondere maatregelen nemen om de heide in stand te houden. In Zuid-Limburg zijn de kalkgraslanden op overeenkomstige wijze ontstaan. Ook hier kampt men nu met het probleem van het dichtgroeien, omdat het omringende bos op het destijds verloren terrein terugkomt. En dan verdwijnen de bloemrijke hellingen en in het bijzonder de zo begeerde krijtorchideeën en gentianen.

Paddestoelen, niet-groene planten
Paddestoelen leven in feite in de grond of op bomen en alleen het vruchtlichaam is bovengronds zichtbaar. De voortplanting gebeurt door sporen, waaruit schimmeldraden (hyphen) ontstaan. Deze groeien uit tot een dicht vlechtwerk: het mycelium. Bij geschikte omstandigheden ontstaan hieruit de paddestoelen, de vruchten van de plant. De sporen kunnen op verschillende wijze gevormd worden. Men onderscheidt twee hoofdgroepen, nl. de basidiomyceten of steeltjeszwammen en de ascomyceten of zakjeszwammen. Een van de bekendste groepen van de basidiomyceten heten plaatjeszwammen. De plaatjes of lamellen zijn zichtbaar aan de onderzijde van de hoed en hierop bevinden zich de sporenvormende cellen (basidieën). De sporen bij ascomyceten ontwikkelen zich in een cel die de sporen als een zakje omgeeft, de zgn. ascus. Als voorbeeld de z.g. bekerzwammen. Niet alle paddestoelen bezitten een hoed, steel en/of beurs maar ze kunnen uiteenlopende vormen hebben, bijv. stinkzwam, met bijzondere sporenverspreiding. Sommige leven op dood hout, zelfs op levend hout. Sommige leven op rupsen, weer andere zijn gebonden aan bijv. afgevallen dennenkegels.
De paddestoelen kunnen in drie groepen worden verdeeld, nl. saprofyten, parasieten en symbionten. Saprofyten leven van dood strooisel of op dood hout (elfenbankjes). Parasitaire zwammen onttrekken hun voedsel aan levende organismen, bijv. honingzwam en berkenzwam. Paddestoelen die men symbionten noemt leven met bepaalde boomsoorten in symbiose. Zo ziet men de bekende vliegenzwam alleen bij berken en dennen. Het mycelium ervan omstrengelt dunne wortels van deze bo­men. Men spreekt hier van mycorrhizavorm, waarbij suikers uit de boomwortels worden opgenomen en er anorganische stoffen, die de schimmel uit de bodem opneemt aan de boom worden afgegeven. Paddestoelen staan bekend als opruimers in de natuur. Door het ontbreken van bladgroen zijn zij niet in staat om uit koolzuurgas en water met behulp van zonlicht zetmeel te maken. Zij hebben wel organische stof nodig om te kunnen leven en groeien daarom altijd in de buurt van organismen waaruit zij hun voedingsstoffen kunnen opnemen. Zij verkleinen (geleefd) materiaal weer tot de oorspronkelijke componenten koolzuurgas, water en mineralen. Zij bevorderen dus de vertering en zijn daardoor onmisbaar in de natuur.
Nederland telt ruim 3000 verschillende paddestoelen, waarvan meer dan 2000 een saprofytische levenswijze hebben.

P. Zonderwijk, Bennekom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Omgaan met de natuur (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's