De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

In Zwingli (principieel-vrijzinnig) geeft A. D. Polaker aandacht aan de uitspraak van Tertullianus 'Ik geloof omdat het absurd is'. Hoewel de auteur daaraan allereerst zijn eigen vrijzinnige interpretatie geeft, geven we het begin en het slot van deze beschouwing, inclusief de historische Latijnse tekst (dit laatste voor ingewijden), hier door:

'Credo Quia Absurdum, Deze compacte uitspraak. Ik geloof omdat het absurd is, die toegeschreven wordt aan Tertullianus (ca. 160-220), vind ik vanwege z'n paradoxaiiteit hoogst intrigerend. Daarom wil ik een poging doen om te bedenken hoe je deze raadselachtige bewering zou kunnen duiden.
Om te beginnen moet ik echter meteen zeggen, op gezag van de historicus van het christendom prof. dr. R. van den Broek, dat dit zinnetje in de werken van Tertullianus in het geheel niet voorkomt!
Wel staat er in zijn "De carne Christi", over de dood en opstanding van Christus: "Crucifixus est dei filius; non pudet quia pudendam est. Et mortus est dei filius; credibile est quia ineptum est. Et sepuitur resurrexit; certum est quia impossibile".
("De zoon van God is gekruisigd; het maakt niet beschaamd omdat het schandelijk is. En de zoon van God is gestorven; het is geloofwaardig omdat het ongerijmd is. En nadat hij begraven was, is hij opgestaan; het is zeker omdat het onmogelijk is.")
Mogelijk heeft iemand anders dit op z'n allerkortst willen samenvatten met Credo quia absurdum. (…)
Je kunt het Credo quia absurdum ook aldus opvatten:
"Ik geloof omdat het absurd is om te geloven." Wie zegt, te geloven, is naïef of dom. Er is immers geen enkele reden om te geloven!
Dit kan een tegenwerping zijn van iemand wiens leven zich zo zeer in de nachtzijde van het bestaan afspeelt, dat zoiets als "geloof" helemaal buiten z'n gezichtskring valt.
De "gelovige" heeft hier geen logisch weerwoord op. Ja, hij zal bereid zijn toe te geven dat hij in zekere zin gelooft tegen beter weten in.
Ook hier kun je een omgekeerd argument hanteren:
Als het niet absurd was om te geloven, als het voor de hand lag om te geloven, dan had dat geloof niet veel om het lijf. Als je aantoonbaar zeker wist dat de werkelijkheid geloofwaardig is, dan was er geen twijfel meer, dan was dat "einde verhaal".
"Juist omdat mijn geloof niet voor-de-hand ligt, is het voor mij essentieel", zo zou de gelovige zich kunnen verdedigen. Maar zij zou ook in de aanval kunnen gaan:
"Diep in mijn hart ben ik ervan overtuigd dat het helemaal niet absurd is om te geloven. Integendeel: mijn geloof is nu juist een soort van beter weten, een weten dat de absurditeit niet beklijft. Het is een weet-hebben van een spirituele, noem het goddelijke of transcendente realiteit, die in wezen absurdity-proof is."
Credo quia absurdum, is dat soms een heel diepzinnige uitspraak?'


In 1994 werd de synagoge van Middelburg na herbouw heringewijd. Uit een bundel studies, die onder de naam 'De sjoel van Zeeland' bij die gelegenheid werd uitgegeven, het volgende:

• In Zeelands Chronyk Almanach 1780 werd in vraag- en antwoordvorm informatie gegeven over de 'Joodsche natie te Middelburg':

Vraag. Hoe lang is in Middelburg eene Joodsche Gemeente geweest?
Antw. Reeds voor het jaar 1705, wyl deeze Natie te dier tyd al een plaats tot Godsdienstige Byeenkoomsten gehad heeft, zoo als by de Beschrijvinge der Joodsche Synagoge te vooren getoond is.

Vraag. Hoe veelerley soorten van Jooden men te Middelburg?
Antw. Tweederley. Hoogduitsche en Portugeesche Jooden, waar van de eerste wel het grootste getal uitmaaked; tussen beide heerscht doorgaans eene groote verwydering, wegens eenige byzondere Kerkgewoonten; als mede over den oorsprong hunner afkoomst; dewyl de Portugeesche hunne afkoomst willen rekenen uit den Stam van Juda, het geen hun door de Hoogduitsche Jooden betwist wordt; om welke reden zy ook weinig gemeenschap met elkanderen houden, en ook zelfs twee byzondere Begraafplaatzen hebben.

Vraag. Welke zyn de voornaamste Kerkgebruiken der Jooden?
Antw. Deeze beslaan voornamenlyk in het vieren van den Sabbath op hunne wyze; beginnende denzelven een half uur voor Zonnen Ondergang des Vrydags Avonds, wanneer in de Synagoge Gebeden worden gedaan; des Zaterdags wordt een gedeelte der Wet gekozen, ook wel, doch zeer zelden Gepredikt, en des Avonds voor Zonnen Ondergang wordt de Opentlyke Sabbathviering met Gebeden in de Synagoge geëindigd.

Vraag. Door wien worden de Ouderlingen zer Gemeente verkooren?
Antw. Eén van de dienende Ouderlingen gaat Jaarlyks af, wordende zoo door de noch in dienst zynde, als te vooren gediend hebbende Ouderlingen eene Nominatie van eenige Persoonen gemaakt, welke aan de Magistraat deezer Stad, ter verkiezing van éénen Persoon tot Ouderling wordt aangebooden, welke verkiezing door de Magistraat, by geslooten brief aan de Opzienders der Gemeente wordt bekend gemaakt.

Vraag. Zyn er noch anderen welke eenig Bestuur hebben overdeeze Gemeente?
Antw. Ja, noch twee Heeren die Leden der Stads Regeeringe zyn; welke ook daarom bekend zyn onder den naam van Commissarissen over de Joodsche Natie.'


• Over de vermaarde rabbijn en eerste joodse boekdrukker Menasseh ben Israël het volgende:

'Deze Menasseh, geboren in 1604, ontving bij zijn doop de naam Manuel Dias Soeiro. Toen zijn vader. Gaspar, in aanraking kwam met de Portugese Inquisitie, vluchtte de familie omstreeks 1613 naar Amsterdam waar Gaspar de naam Jozef aannam en zijn beide zoons namen kregen die herinnerden aan de Egyptische periode van het volk Israël: Menasseh en Efraim. Menasseh was een goede leerling. Al op 18-jarige leeftijd kon hij worden benoemd tot hulprabbijn bij één van de Sefardische gemeenten van Amsterdam, Neve Salom. In 1626 zou hij de eerste joodse boekdrukker van Amsterdam worden. Op zijn persen zouden vele joodse boeken worden gedrukt. Zowel in het Hebreeuws als in andere talen.
Menasseh zou naam maken als rabbijn, auteur, uitgever van hebraïca en judaïca, maar ook als diplomaat die bij de groten der aarde de joodse belangen zou verdedigen. Daarnaast wordt hij wel genoemd "de vader der joods-christelijke vriendschap" daar hij vele contacten onderhield met christelijke theologen, zowel met calvinisten als met katholieken zoals de Portugese pater-jezuïet Antonio Vieira. En dichtte Barlaeus hem niet een epigram toe dat eindigde met de woorden: "Sic ego Christiades, sic eris Abramides" (zoals ik een zoon van Christus ben, zal jij een zoon van Abrahem blijven). Met dit epigram oogstte Barlaeus overigens wel kritiek van zijn meer orthodoxe geloofsgenoten.
Mennaseh's contacten met Christina van Zweden, met Hugo de Groot en met vele anderen en zijn internationale bekendheid maakten hem tot de meest geschikte figuur om een belangrijke diplomatieke missie te vervullen, die toelating van joden in Engeland mogelijk moest maken. Sinds 1290 waren de joden definitief uit Engeland verdreven en hoewel rond 1600 ook in Engeland marranen verbleven, waren joden in Engeland nog steeds illegaal. Ook elders in Europa was de positie van de joden hachelijk. De inquisitie eiste nog steeds zijn slachtoffers en vele Amsterdamse Sefardiem hadden zelf de vervolgingen nog aan den lijve ondervonden. De verbijstering over de progroms in Oost-Europa en de verwarring over het optreden van de valse Messias, Sabtai Zwi, waren zo groot, dat de komst van de Messias, meende men, niet lang op zich zou laten wachten. Ook zou, volgens Menasseh in zijn boek "De hoop van Israël", de komst worden bespoedigd wanneer joden zich in alle uithoeken der aarden hadden gevestigd. En was juist Engeland niet zo'n uithoek bij uitstek? En met name in Engeland waren vele chiliasten van mening dat de kerstening van het joodse volk van invloed zou zijn op de wederkomst van Christus, die binnen afzienbare tijd werd verwacht. De joodse messiasverwachting en het christelijk chiliasme vonden elkaar omdat hun belangen parallel liepen.
Nadat hij al in 1650 contact had gezocht met het Engelse parlement richtte Menasseh op 24 maart 1655 zijn verzoekschrift ("The humble petition of the Hebrews at present") aan Cromwell met het verzoek joden in Engeland toe te laten. Hij kreeg een visum en vertrok 2 september 1655 naar Engeland waar zijn zoon Samuel zich al bevond. Toch verliepen de onderhandelingen niet zo voorspoedig als men had mogen verwachten. Hoewel in de Whitehall Conference, waarin het besluit genomen zou moeten worden, chiliasten waren vertegenwoordigd, was in 1657 nog geen toestemming verleend. Engelse kooplieden vreesden joodse concurrentie. Misschien speelde ook de sympathie die een aantal protestanten koesterde voor de karaïten, een joodse secte die de mondelinge traditie verwierp, een rol bij het uitblijven van een snel positief besluit. Of zou het valse gerucht dat de joden de St. Paul's Cathedal wilden kopen, om daarin een synagoge in te richten, een rol hebben gespeeld? Enkele jaren laten zou deze kerk overigens in vlammen opgaan.
Zijn zoon Samuel overleed in de herfst van 1657 in Londen en ontgoocheld verliet Menasseh Engeland en keerde terug naar de Nederlanden. Oogluikend werd in Engeland het verblijf van joden geduld, maar officieel werd joodse vestiging pas in 1664 door Charles II toegestaan. Voor Menasseh zelf moet het restultaat van zijn missie teleurstellend zijn geweest, maar de vraag kan gesteld worden of de toelating, enkele jaren later, zonder zijn missie zou zijn verkregen. Het wapen van de Sefardische gemeenten van Londen (Sha'ar Hasjamajim, de poort des hemels), draagt niet het jaartal "1664" maar "1657". Een postuum eerbewijs aan Menasseh ben Israël? (…) Menassah stierf in Middelburg maar hij rust in Ouderkerk aan de Amstel.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1999

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's